Herziene Statenvertaling (HSV)
106

Trouw van de HEERE voor een ontrouw volk

1061Halleluja!

106:1
Ps. 107:1
118:1
136:1
Loof de HEERE, want Hij is goed,

want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.

2Wie zal de machtige daden van de HEERE verwoorden,

al Zijn lof verkondigen?106:2 verkondigen - Letterlijk: doen horen.

3Welzalig zij die zich aan het recht houden,

die te allen tijde gerechtigheid doen.

4Denk aan mij, HEERE, naar het welbehagen in Uw volk;

zie naar mij om met Uw heil,

5zodat ik het goede van Uw uitverkorenen mag zien,

mij mag verblijden met de blijdschap van Uw volk,

mij mag beroemen met Uw eigendom.

6

106:6
Lev. 26:40
Jer. 3:25
Dan. 9:5
Wij hebben gezondigd, evenals onze vaderen,

wij hebben ons misdragen, wij hebben goddeloos gehandeld.

7Onze vaderen in Egypte

hebben Uw wonderen niet opgemerkt;

zij hebben niet gedacht aan Uw talrijke blijken van goedertierenheid,

106:7
Ex. 14:11,12
maar waren ongehoorzaam bij de zee, de Schelfzee.

8Maar Hij verloste hen omwille van Zijn Naam,

106:8
Ex. 9:16
om Zijn macht bekend te maken.

9Hij bestrafte de Schelfzee, zodat ze droogviel;

106:9
Ex. 14:21,22,29
Hij deed hen door de diepe wateren gaan als door een woestijn.

10Hij verloste hen uit de hand van de hater,

Hij bevrijdde hen uit de hand van de vijand.

11

106:11
Ex. 14:27
15:5
Water bedolf hun tegenstanders,

niet één van hen bleef over.

12

106:12
Ex. 14:31
15:1
Toen geloofden zij Zijn woorden,

zij zongen Zijn lof.

13Maar zij vergaten spoedig Zijn werken.

Zij wachtten niet op Zijn raad,

14

106:14
Ex. 16:3
Num. 11:4,6,33
Ps. 78:18
1 Kor. 10:6
en werden met gulzigheid bevangen in de woestijn;

zij stelden God op de proef in de wildernis.

15Toen gaf Hij hun wat zij begeerden,

maar henzelf106:15 henzelf - Letterlijk: hun zielen. deed

106:15
Num. 11:20,33
Ps. 78:30,31
Jes. 10:16
Hij uitteren.106:15 deed Hij uitteren - Letterlijk: zond Hij een uittering.

16

106:16
Num. 16:2
Zij werden jaloers op Mozes in het kamp,

en op Aäron, de heilige van de HEERE.

17

106:17
Num. 16:31,32,33
Deut. 11:6
De aarde opende zich en verslond Dathan

en bedolf de aanhang van Abiram.

18

106:18
Num. 16:35,46
Een vuur brandde onder hun aanhang,

een vlam verzengde de goddelozen.

19

106:19
Ex. 32:4
Zij maakten een kalf bij de Horeb

en bogen zich neer voor een gegoten beeld.

20Zij ruilden hun Eer106:20 hun Eer - D.i. hun God. in

voor het evenbeeld van een rund, dat gras eet.

21Zij vergaten God, hun Heiland,

Die grote dingen gedaan had in Egypte,

22wonderen in het land van Cham,

ontzagwekkende dingen bij de Schelfzee.

23

106:23
Ex. 32:11,32
Deut. 9:13,14
10:10
Hij zei dat Hij hen zou wegvagen.

Als Mozes, Zijn uitverkorene,

niet voor Zijn aangezicht in de bres had gestaan

om Zijn grimmigheid af te wenden,

dan zou Hij hen te gronde gericht hebben.

24

106:24
Num. 14:1,2
Zij versmaadden het begerenswaardige land,

zij geloofden Zijn woord niet,

25maar zij morden in hun tenten;

naar de stem van de HEERE luisterden zij niet.

26Daarom

106:26
Num. 14:28
hief Hij Zijn hand tegen hen op

en zwoer dat Hij hen zou neervellen in de woestijn,

27dat Hij hun nageslacht zou neervellen onder de heidenvolken

en hen zou

106:27
Ps. 44:12
Ezech. 20:23
verstrooien door de landen.

28Ook koppelden zij zich aan

106:28
Num. 25:3
31:16
Openb. 2:14
Baäl-Peor,

zij aten de offers voor de doden.

29Zij verwekten de HEERE tot toorn met hun daden,

zodat er een plaag onder hen uitbrak.

30Toen stond Pinehas op en oefende gericht

en de plaag werd tot stilstand gebracht.

31Het is hem gerekend tot gerechtigheid,

van generatie op generatie, tot in eeuwigheid.

32

106:32
Num. 20:12
Ps. 95:8
Zij maakten Hem zeer toornig bij het water van Meriba,

het verging Mozes slecht omwille van hen.

33Want zij tergden zijn geest,

zodat hij met zijn lippen ondoordachte woorden sprak.

34Zij vaagden de volken niet weg,

zoals de HEERE hun bevolen had;

35maar

106:35
Richt. 2:2
3:5,6
zij vermengden zich met de heidenvolken

en leerden hun gebruiken.

36Zij dienden hun afgoden,

die hun tot een valstrik werden.

37

106:37
Lev. 18:21
Deut. 12:31
2 Kon. 16:3
17:17
21:6
2 Kron. 28:3
33:6
Bovendien offerden zij hun zonen

en hun dochters aan de demonen.

38Zij vergoten onschuldig bloed,

het bloed van hun zonen en dochters.

Zij offerden hen aan de afgoden van Kanaän,

106:38
Num. 35:33
zodat het land door deze bloedschulden ontheiligd werd.

39Zij verontreinigden zichzelf door hun werken,

zij bedreven hoererij door hun daden.

40Daarom ontbrandde de toorn van de HEERE tegen Zijn volk,

Hij had een afschuw van Zijn eigendom.

41Hij gaf hen in de hand van de heidenvolken;

wie hen haatten, heersten over hen.

42Hun vijanden onderdrukten hen,

zij werden vernederd onder hun hand.

43Hij redde hen vele keren,

zíj echter tergden Hem door hun plannen

en raakten uitgeteerd door hun ongerechtigheid.

44Toch zag Hij hun benauwdheid,

toen Hij hun roepen hoorde.

45Hij dacht hun ten goede aan Zijn verbond;

Hij had berouw, naar Zijn grote goedertierenheid.

46Daarom bewees Hij hun barmhartigheid

bij allen die hen als gevangenen hadden weggevoerd.

47Verlos ons, HEERE, onze God,

breng ons bijeen

106:47
1 Kron. 16:35
vanuit de heidenvolken,

opdat wij Uw heilige Naam loven

en ons beroemen in Uw lof.

48Geloofd zij de HEERE, de God van Israël,

van eeuwigheid tot eeuwigheid;

laat

106:48
1 Kron. 16:36
heel het volk zeggen: Amen.

Halleluja!

107

BOEK VIJF

(Psalm 107—150)

Danklied voor verlossing uit allerlei nood

1071Loof de HEERE, want Hij is goed,

want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.

2Laten zo spreken wie de HEERE verlost heeft,

die Hij verlost heeft uit de hand van de tegenstanders,

3en die Hij uit de landen bijeengebracht heeft,

van het oosten en van het westen, van het noorden en van de zee.

4Er waren er die dwaalden in de woestijn, op een weg door de wildernis,

een stad om te wonen vonden zij niet.

5Zij waren hongerig, ja, ook dorstig,

hun ziel was in hen bezweken.

6Maar toen zij in hun benauwdheid tot de HEERE riepen,

redde Hij hen uit hun angsten.

7Hij leidde hen op een rechte weg,

zodat zij naar een stad konden gaan om te wonen.

8Laten zij de HEERE loven om Zijn goedertierenheid

en om Zijn wonderen voor de mensenkinderen.

9Want Hij heeft de dorstige107:9 dorstige - Letterlijk: versmachtende. ziel verzadigd

en de hongerige ziel met het goede vervuld.

10Er waren er die in duisternis en in de schaduw van de dood zaten,

gevangen in ellende en ijzer.

11Want zij waren ongehoorzaam geweest aan de woorden van God

en hadden de raad van de Allerhoogste verworpen.

12Daarom vernederde Hij hun hart door moeite,

zij struikelden en er was geen helper.

13Maar toen zij in hun benauwdheid tot de HEERE riepen,

verloste Hij hen uit hun angsten.

14Hij leidde hen uit de duisternis en de schaduw van de dood

en verscheurde hun banden.

15Laten zij de HEERE loven om Zijn goedertierenheid

en om Zijn wonderen voor de mensenkinderen.

16Want Hij heeft de bronzen deuren opengebroken

en de ijzeren grendels stukgebroken.

17Er waren dwazen die om hun weg vol overtreding107:17 om hun weg vol overtreding - Letterlijk: om de weg van hun overtreding.

en om hun ongerechtigheden gekweld werden.

18Hun ziel had een afschuw van al het voedsel,

zij waren tot aan de poorten van de dood gekomen.

19Maar toen zij in hun benauwdheid tot de HEERE riepen,

verloste Hij hen uit hun angsten.

20Hij zond Zijn woord uit, genas hen

en bevrijdde hen uit hun grafkuilen.

21Laten zij de HEERE loven om Zijn goedertierenheid

en om Zijn wonderen voor de mensenkinderen.

22Laten zij lofoffers brengen

107:22
Lev. 7:12
Ps. 50:14
en met gejuich van Zijn werken vertellen.

23Er zijn er die met schepen op zee varen107:23 varen - Letterlijk: afdalen.

en

107:23
Openb. 18:17
handeldrijven107:23 handeldrijven - Letterlijk: werk doen. op de grote wateren.

24Zíj zien de werken van de HEERE

en Zijn wonderen in de diepte.

25Wanneer Hij spreekt,

doet Hij een stormwind opsteken,

die haar golven hoog opheft.

26Ze rijzen op naar de hemel,

ze dalen neer in de diepe wateren;

hun ziel smelt weg van ellende.

27Zij wankelen en waggelen als een dronken man,

al hun wijsheid wordt verslonden.

28Maar toen zij in hun benauwdheid tot de HEERE riepen,

leidde Hij hen uit hun angsten.

29Hij brengt de storm tot stilte,

zodat hun golven zwijgen.

30Dan zijn zij verblijd, omdat de wateren gestild zijn

en Hij hen naar de haven van hun wens leidde.

31Laten zij de HEERE loven om Zijn goedertierenheid

en om Zijn wonderen voor de mensenkinderen.

32Laten zij Hem roemen in de bijeenkomst van het volk

en op de zetels van de oudsten Hem loven.

33Hij maakt rivieren tot een woestijn,

waterbronnen tot dorstig land,

34vruchtbaar land tot een zoutvlakte,

vanwege de slechtheid van zijn bewoners.

35Hij maakt

107:35
Jes. 41:18
de woestijn tot een waterpoel,

het dorre land tot waterbronnen.

36Daar doet Hij de hongerigen verblijven,

zij stichten een stad om te wonen.

37Zij zaaien akkers in en planten wijngaarden,

die een rijke oogst aan vruchten opbrengen.107:37 een rijke oogst aan vruchten opbrengen - Letterlijk: en doen een vrucht van opbrengst.

38Hij zegent hen, zodat zij zeer talrijk worden,

hun vee vermindert Hij niet.

39Daarna verminderen zij wel en gaan zij gebukt

onder verdrukking, onheil en verdriet.

40Hij stort verachting uit over de edelen

en doet hen dwalen in een woestenij, waar geen weg is.

41Maar de arme zet

107:41
1 Sam. 2:8
Ps. 113:7,8
Hij uit de ellende in een veilige vesting,

Hij maakt de gezinnen talrijk als kudden.

42

107:42
Job 22:19
De oprechten zien het en zijn verblijd,

maar

107:42
Job 5:16
alle ongerechtigheid sluit haar mond.

43Wie is wijs? Laat hij op deze dingen letten,

en de goedertierenheid van de HEERE aandachtig opnemen.

108

Loflied en gebed om hulp

1081Een lied, een psalm van David.

2O God, mijn hart is bereid;

ik zal zingen, ik zal psalmen zingen,

ook zal mijn eer U loven.

3Ontwaak, luit en harp;

ik zal de dageraad doen ontwaken.

4Ik zal U loven onder de volken, HEERE;

ik zal voor U psalmen zingen onder de natiën.

5

108:5
Ps. 36:6
57:11
Want Uw goedertierenheid is groot en reikt tot boven de hemel,

Uw trouw tot de wolken.

6Verhef U boven de hemel, o God,

en Uw eer over de hele aarde,

7opdat Uw beminden gered worden.

Verlos door Uw rechterhand en verhoor ons.

8God heeft gesproken in Zijn heiligdom,

daarom zal ik van vreugde opspringen;

ik zal Sichem verdelen,

het dal van Sukkoth zal ik opmeten.

9Gilead is van mij, Manasse is van mij,

Efraïm de bescherming108:9 de bescherming - Letterlijk: de kracht. voor mijn hoofd,

Juda is mijn wetgever.

10Moab is mijn waskom,

op Edom zal ik mijn schoen werpen,

over Filistea zal ik juichen.

11Wie zal mij brengen in een versterkte stad?

Wie zal mij leiden tot in Edom?

12

108:12
Ps. 60:3
Zult U het niet zijn, o God, Die ons verstoten had

en niet met onze legers uittrok, o God?

13Geef ons hulp uit de benauwdheid,

want heil van een mens is nutteloos.

14Met God zullen wij krachtige daden doen;

Híj zal onze tegenstanders vertrappen.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]