Herziene Statenvertaling (HSV)
99

De macht van de HEERE is groot

991De HEERE regeert; laten de volken sidderen.

Hij troont tussen de cherubs; laat de aarde beven.

2De HEERE is groot in Sion,

Híj is verheven boven alle volken.

3Laten zij Uw grote en ontzagwekkende Naam loven.

Heilig is Hij.

4Loof de macht van de Koning, Die het recht liefheeft.

Ú hebt een billijk bestuur gevestigd,

Ú hebt recht en gerechtigheid gedaan in Jakob.

5Roem de HEERE, onze God;

buig u neer voor de voetbank van Zijn voeten.

Heilig is Hij.

6Mozes en Aäron waren onder Zijn priesters,

Samuel onder wie Zijn Naam aanriepen;

zij riepen tot de HEERE

en Híj verhoorde hen.

7Hij sprak tot hen in een wolkkolom;

zij hebben Zijn getuigenissen in acht genomen

en de verordeningen die Hij hun had gegeven.

8HEERE, onze God, Ú hebt hen verhoord;

U bent voor hen een vergevend God geweest,

hoewel U wraak oefende over hun daden.

9Roem de HEERE, onze God;

buig u neer voor Zijn heilige berg,

want heilig is de HEERE, onze God.

100

De HEERE is goed

1001Een lofpsalm.

Juich voor de HEERE, heel de aarde;

2dien de HEERE met blijdschap,

kom voor Zijn aangezicht met vrolijk gezang.

3Weet dat de HEERE God is;

Híj heeft ons gemaakt – en niet wij – 100:3 en niet wij - Of: wij zijn van Hem.

Zijn volk en

100:3
Ps. 95:7
Ezech. 34:30,31
de schapen van Zijn weide.

4Ga Zijn poorten binnen met een lofoffer,

Zijn voorhoven met een lofzang;

loof Hem, prijs Zijn Naam.

5Want de HEERE is goed,

Zijn goedertierenheid is voor eeuwig,

Zijn trouw van generatie op generatie.

101

Regeringsverklaring

1011Een psalm van David.

Ik zal zingen van goedertierenheid en recht,

voor U zal ik psalmen zingen, HEERE.

2Ik zal verstandig handelen, op de volmaakte weg.

Wanneer zult U tot mij komen?

Ik zal binnen mijn huis wandelen

met een oprecht hart.

3Ik zal mij geen verdorven praktijken

voor ogen stellen.

Ik haat wat de afvalligen doen,

hun daden zullen zich niet aan mij hechten.

4Het slinkse hart zal ver van mij weggaan,

de kwaaddoener zal ik niet kennen.

5Wie zijn naaste in het geheim lastert,

hem zal ik ombrengen.

Wie hoogmoedige ogen heeft en een trots hart,

hem zal ik niet verdragen.

6Mijn ogen zijn gericht op de trouwe mensen in het land,

opdat zij bij mij zullen zitten.

Wie op de volmaakte weg gaat,

die zal mij dienen.

7Wie bedrog pleegt,

zal binnen mijn huis niet verblijven.

Wie leugens spreekt,

zal voor mijn ogen geen stand houden.

8Elke morgen zal ik

alle goddelozen in het land ombrengen,

door allen die onrecht bedrijven,

uit de stad van de HEERE uit te roeien.