Herziene Statenvertaling (HSV)
3

De zegen van de godsvrucht

31Mijn zoon, vergeet mijn onderricht niet,

en laat je hart mijn geboden in acht nemen,

2

3:2
Deut. 8:1
30:20
want lengte van dagen en jaren van leven

en vrede zullen ze voor jou vermeerderen.

3Mogen goedertierenheid en trouw jou niet verlaten.

3:3
Ex. 13:9
Deut. 6:8
Bind ze om je hals, schrijf ze op de tafel van je hart,

4vind gunst en goed verstand

in de ogen van God en mens.

5Vertrouw op de HEERE met heel je hart,

en steun op je eigen inzicht niet.

6

3:6
1 Kron. 28:9
Ken Hem in al je wegen,

dan zal Híj je paden rechtmaken.

7

3:7
Rom. 12:16
Wees niet wijs in je eigen ogen:

vrees de HEERE en keer je af van het kwade.

8Het zal een medicijn zijn voor je navel

en verfrissing voor je beenderen.

9

3:9
Ex. 23:19
34:26
Deut. 26:2Mal. 3:10
Luk. 14:13
Vereer de HEERE met je bezit,

met de eerstelingen van heel je opbrengst,

10

3:10
Deut. 28:8
dan zullen je schuren gevuld worden met overvloed

en je perskuipen overlopen3:10 overlopen - Letterlijk: openbreken. van nieuwe wijn.

11

3:11
Job 5:17
Hebr. 12:5
Mijn zoon, verwerp de vermaning van de HEERE niet

en heb geen afkeer van Zijn bestraffing.

12

3:12
Openb. 3:19
Want de HEERE straft wie Hij liefheeft,

zoals een vader doet met de zoon die hij goedgezind is.

13Welzalig is de mens die wijsheid vindt,

de mens die inzicht verkrijgt,

14

3:14
Job 28:15
Ps. 19:11
Spr. 8:11,19
16:16
want haar opbrengst is beter dan de opbrengst van zilver

en haar inkomen beter dan bewerkt goud,

15

3:15
Spr. 8:11
zij is kostbaarder dan robijnen.

Al jouw wensen zijn met haar niet te vergelijken.

16Lengte van dagen is in haar rechterhand,

in haar linkerhand zijn rijkdom en eer.

17Haar wegen zijn lieflijke wegen,

al haar paden zijn vrede.

18Zij is een boom des levens voor wie haar vastgrijpen:

wie haar vasthouden, zijn gelukkig te prijzen.

19De HEERE heeft de aarde met wijsheid gegrondvest,

de hemel met inzicht gevestigd.

20Door Zijn kennis hebben de diepe wateren zich

3:20
Gen. 1:9,10
een weg gebaand,

en druipen de wolken van dauw.

21Mijn zoon, laat ze niet wijken van je ogen:

neem wijsheid en bedachtzaamheid in acht.

22Zij zullen leven zijn voor je ziel,

een sieraad voor je hals.

23Dan zul je je weg

3:23
Ps. 37:24
91:11,12
onbezorgd gaan

en je voet niet stoten.

24

3:24
Lev. 26:6
Job 11:19
Ps. 3:6
4:9
91:5,6
Als je neerligt, zul je niet angstig zijn,

je zult neerliggen en je slaap zal aangenaam zijn.

25Wees niet bevreesd voor plotselinge angst

of voor verwoesting door goddelozen, als die komt,

26want de HEERE is je hoop,

Hij zal je voet bewaren voor gevangenschap.

27Onthoud het goede niet aan wie er recht op hebben3:27 wie er recht op hebben - Letterlijk: zijn bezitters.

als het binnen je macht ligt3:27 het binnen je macht ligt - Letterlijk: het in de macht van je hand is. dat te doen.

28Zeg niet tegen je naaste: Ga heen en kom nog eens terug

en morgen zal ik het geven, terwijl het bij jou is.

29Smeed geen kwaad tegen je naaste,

terwijl hij onbezorgd bij jou woont.

30Klaag een mens niet zonder reden aan

als hij jou geen kwaad heeft gedaan.

31

3:31
Ps. 37:1
73:3
Spr. 23:17
Wees niet jaloers op een man van geweld

en verkies geen van zijn wegen,

32want wie afwijkt van de rechte weg is voor de HEERE een gruwel,

maar met de oprechten gaat Hij

3:32
Ps. 25:14
vertrouwelijk om.

33

3:33
Lev. 26:14Deut. 28:15Mal. 2:2
De vloek van de HEERE rust op het huis van de goddeloze,

maar de woning van de rechtvaardigen zal Hij zegenen.

34

3:34
Jak. 4:6
1 Petr. 5:5
De spotters zal Híj wel bespotten,

maar zachtmoedigen zal Hij genade geven.

35Wijzen zullen eer ontvangen,

maar dwazen laden schande op zich.

4

Vermaning om aan wijsheid vast te houden

41Luister, kinderen, naar de vermaning van je vader

en sla er acht op om inzicht te leren kennen,

2want ik geef jullie een goede les:

verlaat mijn onderricht niet!

3Want ik was een zoon voor mijn vader,

4:3
1 Kron. 29:1
onervaren4:3 onervaren - Letterlijk: week. en een enig kind voor mijn moeder.

4

4:4
1 Kron. 28:9
Hij onderwees mij en zei tegen mij:

Laat je hart mijn woorden vasthouden:

neem mijn geboden in acht en leef.

5Verwerf wijsheid, verwerf inzicht,

vergeet niet een van de woorden van mijn mond en wijk er niet van af.

6Verlaat de wijsheid niet en zij zal je bewaren,

heb haar lief en zij zal je beschermen.

7Het beginsel van wijsheid is:

4:7
Spr. 23:23
verwerf wijsheid,

en bij alles wat je verwerft: verwerf inzicht!

8Houd haar hoog en zij zal je verheffen.

Zij zal jou vereren, als je haar omhelst.

9

4:9
Spr. 1:9
Zij zal je hoofd een bevallige krans geven,

jou een sierlijke kroon schenken.

10Luister, mijn zoon, en neem mijn woorden aan:

de jaren van je leven zullen talrijk worden.

11Ik onderwijs je in de weg van de wijsheid

en laat je in de rechte sporen treden.

12Als je gaat, zullen je voetstappen niet belemmerd worden

en als je rent,

4:12
Ps. 91:11
zul je niet struikelen.

13Houd vast aan de vermaning, laat niet los,

neem haar in acht, want zij is je leven.

14

4:14
Ps. 1:1
Spr. 1:10,15
Kom niet op het pad van goddelozen,

en begeef je niet op de weg van kwaaddoeners.

15Verwerp die, ga die niet op,

wijk daarvan af en ga voorbij!

16Zij slapen immers niet als zij geen kwaad hebben gedaan,

zij worden van hun slaap beroofd als zij niet iemand hebben laten struikelen.

17Want zij eten brood van goddeloosheid

en drinken wijn van gewelddaden,

18maar het pad van rechtvaardigen is als een schijnend licht,

dat gaandeweg helderder gaat schijnen tot het volledig dag is geworden.

19De weg van goddelozen is als de donkerheid.

Zij weten niet waarover zij struikelen zullen.

20Mijn zoon, sla acht op mijn woorden,

neig je oor tot wat ik zeg.

21Laat ze niet wijken van je ogen,

bewaar ze in het binnenste van je hart.

22Ze

4:22
Spr. 4:13
zijn immers leven voor wie ze vinden,

en genezing voor heel hun vlees.

23Bescherm je hart boven alles wat te behoeden is,

want daaruit zijn de uitingen van het leven.

24Doe weg van jou valsheid van mond

en houd bedrog van lippen ver van je verwijderd.

25Laten je ogen recht vooruitkijken

en je oogleden zich recht vóór je houden.

26Baan het spoor voor je voet,

en laten al je wegen vaststaan.

27

4:27
Deut. 5:32
28:14
Wijk niet af naar rechts of naar links,

keer je voet af van het kwade!

5

Waarschuwing tegen overspel

51Mijn zoon, sla acht op mijn wijsheid,

neig je oor tot mijn inzicht,

2zodat je bedachtzaamheid in acht neemt,

en je lippen kennis bewaren.

3Want de lippen van een vreemde vrouw druipen van

5:3
Spr. 2:16
6:24
honingzeem,

haar gehemelte is gladder dan olie,

4maar het laatste van haar is bitter als alsem,

scherp als een tweesnijdend zwaard.5:4 een tweesnijdend zwaard - Letterlijk: een zwaard van monden.

5

5:5
Spr. 7:27
Haar voeten dalen af naar de dood,

haar voetstappen sturen aan op het graf;

6opdat je het pad ten leven niet zou inslaan,

zwalken haar sporen zonder dat je het beseft.

7Nu dan, kinderen, luister naar mij

en wijk niet af van de woorden van mijn mond.

8Houd je weg ver bij haar vandaan

en kom niet in de nabijheid van de deur van haar huis,

9opdat je je waardigheid niet aan anderen geeft

en je jaren

5:9
Spr. 6:34,35
aan een meedogenloze,

10opdat vreemden zich niet verzadigen met jouw kracht,

en je zwoegen ten goede komt aan het huis van een onbekende,

11zodat je uiteindelijk kermt,

als het gedaan is met je vlees en je lichaam,

12en je zegt: Hoe heb ik vermaning kunnen haten,

en heeft mijn hart bestraffing kunnen verwerpen,

13en heb ik niet geluisterd naar de stem van mijn leraren,

mijn oren niet geneigd tot mijn leermeesters!

14In bijna alle kwaad heb ik verkeerd,

in het midden van de gemeente en de gemeenschap!

15Drink water uit je eigen bak,

stromend water uit je eigen put.

16Laten je bronnen zich naar buiten toe verspreiden,

de waterbeken op de pleinen.

17Laten ze van jou alleen zijn

en van geen vreemde met jou.

18Moge je levensbron gezegend zijn

en verblijd je over de vrouw van je jeugd:

19een zeer lieflijke hinde, een bevallig steengeitje.

Laten haar borsten jou te allen tijde dronken maken,

dool voortdurend rond in haar liefde.

20Waarom zou je, mijn zoon, ronddolen bij een vreemde vrouw,

de boezem van die onbekende omarmen?

21Want de wegen van een man zijn vóór

5:21
2 Kron. 16:9
Job 31:4
34:21
Spr. 15:3
Jer. 16:17
32:19
de ogen van de HEERE,

Hij weegt al zijn sporen.

22Zijn ongerechtigheden nemen de goddeloze gevangen:

met de banden van zijn zonde wordt hij vastgehouden.

23Híj zal sterven omdat er geen vermaning was,

door zijn grote dwaasheid zal hij verdwalen.