Herziene Statenvertaling (HSV)
27

Waarschuwing tegen overmoed

271Beroem

27:1
Jak. 4:13,14
u niet op de dag van morgen,

want u weet niet wat een dag kan baren.

2Laat een vreemde u prijzen en niet uw eigen mond,

een onbekende en niet uw eigen lippen.

3Een steen is zwaar, het zand weegt veel,

maar zwaarder dan die beide is de ergernis over een dwaas.

4Woede en een overmaat27:4 overmaat - Letterlijk: overstroming. aan toorn zijn wreedheden,

maar wie zal standhouden tegen afgunst?

5Openlijke bestraffing is beter dan verborgen liefde.

6Wonden door iemand die liefheeft, zijn tekenen van trouw,

maar overvloedig zijn de kussen van een hater.

7Iemand die verzadigd is, vertrapt honingzeem,

maar voor een hongerige is al het bittere zoet.

8Als een vogel die uit zijn nest wegvliegt,

zo is een man die uit zijn woonplaats wegvlucht.

9Olie en reukwerk verblijden het hart,

zo is de genegenheid27:9 genegenheid - Letterlijk: zoetheid. van iemands vriend, vanwege de hartelijke raad.

10

27:10
Spr. 17:17
18:24
Verlaat uw vriend en de vriend van uw vader niet,

ga het huis van uw broer niet binnen op de dag van uw ongeluk.

Beter een buur die nabij is, dan een broer ver weg.

11Wees wijs, mijn zoon, en verblijd mijn hart,

dan heb ik wie mij smaadt, iets te antwoorden.

12

27:12
Spr. 22:3
Een schrandere ziet het kwaad en verbergt zich,

maar onverstandigen gaan door en zullen daarvoor boeten.

13Neem zijn kleed

27:13
Spr. 6:1,2
11:15
17:18
20:16
als iemand borg staat voor een vreemde,

en geef het als onderpand aan een onbekende vrouw.

14Wie zijn vriend 's morgens vroeg met luide stem zegent,

wordt het als een vervloeking aangerekend.

15

27:15
Spr. 19:13
Een twistzieke vrouw is te vergelijken

met het gestadige druppelen op een dag van slagregen.

16Ieder die haar verbergt, verbergt wind,

en treft olie aan in zijn rechterhand.

17IJzer scherpt men met ijzer,

zo scherpt een man het gezicht van zijn naaste.

18Wie de vijgenboom verzorgt, zal zijn vrucht eten,

wie zijn heer bewaakt, zal geëerd worden.

19Zoals water gezicht tegenover gezicht stelt,

zo weerspiegelt het hart van de mens de mens zelf.

20Graf en verderf worden niet verzadigd,

evenmin worden

27:20
Pred. 1:8
de ogen van de mens verzadigd.

21Een smeltkroes is er voor het zilver en een oven voor het goud,

zo wordt iemand getoetst op27:21 getoetst op - Letterlijk: voor de mond van. zijn goede naam.

22Al zou u de dwaas met een stamper

in een vijzel stampen tussen het graan,

zijn dwaasheid zou niet van hem wijken.

23Zorg ervoor dat u uw schapen goed kent,27:23 Zorg … kent - Letterlijk: u weet te weten het gezicht van uw schapen.

richt uw hart op de kudden.

24Want rijkdom is er niet voor eeuwig,

of zal een diadeem van generatie op generatie blijven?

25Als het eerste gras verdwenen is, het tweede gras verschijnt,

en de kruiden van de bergen verzameld zijn,

26dan zult u lammeren

27:26
1 Tim. 6:8
hebben voor uw kleding

en bokken als koopprijs voor een akker.

27Bovendien zult u genoeg geitenmelk hebben als uw voedsel,

als voedsel voor uw huis,

en als levensonderhoud voor uw dienstmeisjes.

28

Zegen van de vroomheid, ellende van de goddeloosheid

281

28:1
Lev. 26:36
Deut. 28:28
Jes. 57:21
Goddelozen vluchten terwijl er geen vervolger is,

maar een rechtvaardige is moedig28:1 is moedig - Letterlijk: vertrouwt. als een jonge leeuw.

2Vanwege de overtreding van het land heeft het veel vorsten,

maar door mensen met inzicht en kennis zal het recht duurzaam zijn.

3Een arme man die de geringen verdrukt,

is een regen die wegvaagt, zodat er geen brood is.

4Wie de wet verlaten, prijzen de goddelozen,

maar wie de wet in acht nemen, gaan met hen de strijd aan.

5Boosaardige lieden begrijpen het recht niet,

maar wie de HEERE zoeken, begrijpen alles.

6

28:6
Spr. 19:1
Een arme die in zijn oprechtheid zijn weg gaat,

is beter dan wie slinkse wegen gaat, al is hij rijk.

7

28:7
Spr. 29:3
Wie de wet in acht neemt, is een verstandige zoon,

maar wie omgaat met hen die zich te buiten gaan, maakt zijn vader te schande.

8Wie met rente en met winst zijn bezit vermeerdert,

brengt het bijeen voor hem die zich over armen ontfermt.

9Van hem die zijn oor afkeert van het luisteren naar de wet,

is zelfs zijn gebed een gruwel.

10Wie oprechten doet dwalen op een verkeerde weg,

28:10
Spr. 26:27
zal zelf in zijn kuil vallen,

maar wie oprecht zijn, zullen het goede erven.

11Een rijk man is wijs in zijn eigen ogen,

maar een arme die inzicht heeft, doorziet hem.

12

28:12
Spr. 11:10,11
Als rechtvaardigen opspringen van vreugde, geeft het veel glans,

28:12
Vers
maar als goddelozen verschijnen, zijn mensen ver te zoeken.

13Wie zijn overtredingen bedekt, zal niet voorspoedig zijn,

maar

28:13
Ps. 32:3,5
1 Joh. 1:9,10
wie ze belijdt en nalaat, zal barmhartigheid verkrijgen.

14Welzalig is een mens die voortdurend diep ontzag heeft voor de HEERE,

maar wie zijn hart verhardt, valt in het kwaad.

15Als een brullende leeuw en een jagende beer

is een goddeloze die over een arm volk heerst.

16Een vorst die gebrek aan inzicht heeft, maakt zich dikwijls schuldig aan afpersingen,

maar wie winstbejag haat, zal zijn dagen verlengen.

17Een door bloedschuld bezwaard mens zal naar de kuil vluchten,

weerhoud hem niet!

18Hij die oprecht wandelt, zal verlost worden,

maar wie kromme wegen gaat,28:18 wie kromme wegen gaat - Letterlijk: wie zijn wegen krom maakt. zal ineens ten val komen.

19Wie zijn land bewerkt, zal met brood verzadigd worden,

maar wie leeglopers navolgt, wordt met armoede verzadigd.

20Een betrouwbaar man heeft talrijke zegeningen,

28:20
Spr. 13:11
20:21
23:4
maar wie erop aast om rijk te worden, zal niet voor onschuldig gehouden worden.

21Het is niet goed

28:21
Spr. 18:5
24:23
partijdig te zijn,28:21 partijdig te zijn - Letterlijk: het aangezicht te zien.

want dan zal een man al overtreden om een stuk brood.

22Wie zich haast naar bezit, is iemand die niemand iets gunt,28:22 die … gunt - Letterlijk: boos van oog.

hij weet niet dat gebrek over hem zal komen.

23Wie een mens terechtwijst, zal later meer gunst vinden

dan wie met de tong vleit.

24Wie zijn vader of zijn moeder berooft en zegt: Het is geen overtreding,

die is een metgezel van een verderfelijk man.

25

28:25
Spr. 13:10
15:18
29:22
Wie hebzuchtig28:25 hebzuchtig - Letterlijk: wijd van ziel. is, verwekt ruzie,

maar wie op de HEERE vertrouwt, wordt verzadigd.

26Wie op zijn hart vertrouwt, die is een dwaas,

maar wie in wijsheid zijn weg gaat, die zal ontkomen.

27

28:27
Deut. 15:7,8,10
Spr. 19:17
22:9
Wie aan de arme geeft, zal geen gebrek hebben,

maar wie zijn ogen toesluit, zal veel vervloekt worden.

28

28:28
Vers
Als goddelozen verschijnen, verbergt een mens zich,

maar als zij omkomen, worden rechtvaardigen talrijk.

29

Vruchten van wijsheid, dwaasheid en zonde

291Wie na bestraffingen halsstarrig is,29:1 halsstarrig is - Letterlijk: zijn nek verhardt.

zal opeens gebroken worden, en er zal geen genezing meer zijn.

2

29:2
Spr. 11:10
28:12,28
Als rechtvaardigen groot worden, verblijdt het volk zich,

maar als een goddeloze heerst, zucht het volk.

3

29:3
Spr. 10:1
15:20
Een man die wijsheid liefheeft, verblijdt zijn vader,

29:3
Spr. 28:7
Luk. 15:13
maar wie met hoeren omgaat, doet bezit vergaan.

4Een koning houdt een land in stand door recht,

maar wie veel belasting heft,29:4 maar wie … heft - Letterlijk: maar een man van heffingen. breekt het af.

5Een man die zijn naaste vleit,

spreidt een net voor diens voetstappen.

6In de overtreding van een boosaardige man ligt een valstrik,

maar een rechtvaardige juicht en verblijdt zich.

7

29:7
Job 29:16
Een rechtvaardige neemt kennis van de rechtszaak van de armen,

maar een goddeloze heeft geen enkel inzicht.29:7 heeft … inzicht - Letterlijk: begrijpt kennis niet.

8Spotters29:8 Spotters - Letterlijk: Mannen van spotternij. doen een stad ontvlammen,

maar wijzen wenden de toorn af.

9Wanneer een wijze man een rechtszaak voert met een dwaas man,

of hij zich ontzet of lacht, er komt geen rust.

10Bloeddorstigen haten de vrome,

maar oprechten zoeken zijn behoud.29:10 zijn behoud - Letterlijk: zijn ziel.

11

29:11
Spr. 14:33
Een dwaas laat heel zijn geest de vrije loop,

maar een wijze houdt die in toom.29:11 houdt die in toom - Letterlijk: houdt die naar achteren in.

12Als een heerser acht slaat op een leugenachtig woord,

worden al zijn dienaren goddeloos.

13

29:13
Spr. 22:2
Een arme en een onderdrukker29:13 een onderdrukker - Letterlijk: een man van listen. ontmoeten elkaar:

de HEERE verlicht de ogen van hen beiden.

14

29:14
Spr. 20:28
25:5
Een koning die in trouw geringen recht doet,

diens troon zal voor eeuwig bevestigd worden.

15

29:15
Spr. 13:24
22:15
23:13
De stok en de bestraffing geven wijsheid,

29:15
Spr. 10:1
17:21,25
maar een jongeman die aan zichzelf is overgelaten, maakt zijn moeder beschaamd.

16Als goddelozen talrijk worden, worden de overtredingen talrijk,

maar

29:16
Ps. 37:36
58:11
91:8
de rechtvaardigen zullen bij hun val toezien.

17

29:17
Spr. 13:24
22:15
23:13,14
Breng uw zoon gehoorzaamheid bij, en hij zal u rust geven

en uw ziel genoegens schenken.

18Als er geen visioen is, raakt een volk losgeslagen,

maar welzalig is hij die zich houdt aan de wet.

19Een slaaf zal zich door woorden geen gehoorzaamheid bij laten brengen,

ook al begrijpt hij u, toch komt er geen antwoord.

20Hebt u iemand gezien die overhaast is met zijn woorden?

29:20
Spr. 26:12
Voor een dwaas is er meer hoop dan voor hem.

21Als men zijn slaaf van jongs af aan verwent,

zal hij uiteindelijk ondankbaar zijn.

22

29:22
Spr. 15:18
26:21
Een toornig man verwekt ruzie,

een driftige29:22 een driftige - Letterlijk: een bezitter van woede. maakt de overtredingen talrijk.

23

29:23
Job 22:29
Spr. 15:33
18:12
Jes. 66:2
Matt. 23:12
Luk. 14:11
18:14
Jak. 4:6,10
1 Petr. 5:5
De hoogmoed van een mens zal hem vernederen,

maar de nederige van geest zal de eer vasthouden.

24Wie met een dief deelt, haat zijn ziel,

29:24
Lev. 5:1
hij hoort een vervloeking en maakt het niet bekend.

25Mensenvrees legt iemand een valstrik,

maar wie op de HEERE vertrouwt, wordt in een veilige vesting gezet.

26

29:26
Spr. 19:6
Velen zoeken de gunst29:26 de gunst - Letterlijk: het gezicht. van een heerser,

maar van de HEERE krijgt iemand zijn recht.

27Een man die onrecht doet, is een gruwel voor rechtvaardigen,

maar wie oprecht van weg is, is een gruwel voor een goddeloze.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]