Herziene Statenvertaling (HSV)
24

Vermaningen

241Wees

24:1
Ps. 37:1
Spr. 3:31
23:17
niet jaloers op slechte mensen,

en verlang er niet naar om bij hen te zijn,

2want hun hart bedenkt verwoesting

24:2
Ps. 10:7
en hun lippen spreken onheil.

3Door wijsheid wordt een huis gebouwd

en door inzicht wordt het gegrondvest.

4Door kennis worden binnenkamers gevuld

met allerlei kostbare en aangename bezittingen.

5

24:5
Spr. 21:22
Een wijs man is sterk,

en een man van kennis zet zijn krachten in.

6

24:6
Spr. 11:14
15:22
20:18
Want na rijp beraad zult u oorlog voeren voor uzelf,

en in een veelheid van raadgevers ligt de overwinning.

7

24:7
Spr. 14:6
Alle wijsheid is voor een dwaas te hoog,

hij zal in de poort zijn mond niet opendoen.

8Wie kwaad doen beraamt,

die zal men een meester in listige plannen noemen.

9Het bedenken van dwaasheid is zonde,

een spotter is een gruwel voor de mens.

10Als u zich in de dag van benauwdheid slap opstelt,

is uw kracht beperkt.

11

24:11
Ps. 82:4
Red hen die opgepakt zijn om te sterven,24:11 om te sterven - Letterlijk: voor de dood.

wee als u zich afzijdig houdt van wie wankelend ter slachting gaat.

12Wanneer u zegt: Zie, wij hebben dat niet geweten,

zal Hij Die de harten toetst, dat niet merken?

Hij Die uw ziel gadeslaat, zal Híj het niet weten?

24:12
Job 34:11
Ps. 62:13
Jer. 32:19
Rom. 2:6
Openb. 22:12
Immers, Hij zal een mens vergelden naar zijn werk.

13Eet honing, mijn zoon, want dat is goed,

en honingzeem is zoet voor je gehemelte.

14

24:14
Ps. 19:11
119:103
Evenzo is het kennen van wijsheid voor je ziel:

als je haar vindt,

24:14
Spr. 23:18
dan is er toekomst,

en wordt je hoop niet afgesneden.

15Goddeloze, loer niet op de woning van een rechtvaardige,

verwoest zijn verblijfplaats niet,

16want al valt een rechtvaardige

24:16
Job 5:19
Ps. 34:20
zevenmaal, hij staat weer op,

maar

24:16
Amos 5:2
8:14
goddelozen struikelen in onheil.

17

24:17
Job 31:29
Spr. 17:5
Verblijd u niet als uw vijand valt,

en laat uw hart zich niet verheugen als hij struikelt,

18anders zou de HEERE het zien en zou het slecht zijn in Zijn ogen,

en zou Hij Zijn toorn van hem afwenden.

19

24:19
Vers
Ontsteek niet in woede over de kwaaddoeners,

wees niet jaloers op de goddelozen,

20want het kwaad heeft geen toekomst,

24:20
Job 18:5,6
Spr. 13:9
20:20
de lamp van goddelozen wordt uitgedoofd.

21Mijn zoon, vrees de HEERE en de koning,

laat je niet in met hen die op veranderingen uit zijn,

22want hun ondergang zal plotseling opdagen

en wie kent de verdrukking door hen beiden teweeggebracht?

23Ook deze spreuken zijn van de wijzen:

Het is niet goed

24:23
Ex. 23:3,6
Lev. 19:15
Deut. 1:17
16:19
Spr. 18:5
28:21
Joh. 7:24
Jak. 2:1
partijdig te zijn24:23 partijdig te zijn - Letterlijk: het gezicht aan te zien. in een rechtszaak.

24

24:24
Spr. 17:15
Jes. 5:23
Wie tegen een goddeloze zegt: U bent rechtvaardig,

die zullen de volken vervloeken,

de natiën zullen hem verwensen,

25maar hun die voor het recht opkomen, zal het aangenaam zijn,

de zegen van het goede zal over hen komen.

26Men zal de lippen kussen

van hem die met oprechte woorden antwoordt.

27Regel uw werk buiten

en maak het op de akker voor u gereed,

en bouw daarna uw huis.

28Wees niet zonder reden getuige tegen uw naaste,

want zou u met uw lippen misleiden?

29

24:29
Rom. 12:17,19
Zeg niet: Zoals hij mij gedaan heeft, zo zal ik hem doen,

ik zal die man vergelden naar zijn werk.

30Ik ging langs de akker van een luiaard,

ja, langs de wijngaard van een mens zonder verstand.24:30 zonder verstand - Letterlijk: zonder hart.

31En zie, hij was helemaal vol gegroeid met netels,

distels bedekten zijn oppervlak,

en zijn stenen muur was afgebroken.

32Toen ik het zelf aanschouwde, nam ik het ter harte,

ik zag het en nam vermaning aan:

33

24:33
Spr. 6:10,11
een beetje slapen, een beetje sluimeren,

een beetje liggen met gevouwen handen,

34zo komt uw armoede over u als een wandelaar

en uw gebrek als een gewapend man.24:34 een gewapend man - Letterlijk: een man van schild.

25

Het loon van de wijsheid

251Ook dit zijn spreuken van Salomo, die de mannen van Hizkia, de koning van Juda, hebben overgeschreven.

2Het is Gods eer een

25:2
Rom. 11:33
zaak verborgen te houden,

maar de eer van koningen een zaak te doorgronden.

3De hoogte van de hemel, de diepte van de aarde

en het hart van de koningen zijn niet te doorgronden.

4Doe het schuim van het zilver weg,

en er zal een voorwerp voor de edelsmid uit komen.

5

25:5
Spr. 20:8
Doe een goddeloze weg van voor de ogen van een koning,

en

25:5
Spr. 20:28
zijn troon zal door gerechtigheid bevestigd worden.

6Praal niet voor de ogen van een koning

en ga niet staan op de plaats van groten,

7want het is beter dat men tegen u zegt:

25:7
Luk. 14:7,8,9
Kom hier hogerop,

dan dat men u vernedert voor de ogen van een edele,

die uw ogen gezien hebben.

8

25:8
Spr. 18:17
Ga er niet te snel opuit om iemand aan te klagen.

Wat zult u anders uiteindelijk doen,

wanneer uw naaste u te schande maakt?

9Voer uw rechtszaak met uw naaste,

maar maak het geheim van een ander niet openbaar,

10anders zou hij die het hoort, u kunnen smaden,

en zou het kwaad gerucht over u niet te keren zijn.

11Een woord op het juiste moment gesproken,

is als gouden appels in zilveren schalen.

12Zoals een gouden oorring en een halssieraad van fijn goud,

zo is een wijze vermaner voor een luisterend oor.

13Zoals de koelte van sneeuw op de dag van de oogst,

zo is

25:13
Spr. 13:17
een betrouwbare gezant voor zijn zenders,

hij verkwikt de ziel van zijn meester.

14Zoals wolken en wind zonder regen,

zo is iemand die zich beroemt op een valse gift.

15Met geduld wordt

25:15
Spr. 15:1
16:14
een leider overgehaald,

en een zachte tong kan beenderen breken.

16Hebt u honing gevonden, eet dan tot u genoeg hebt,

anders raakt u er oververzadigd door en spuwt u het uit.

17Zet uw voet niet te dikwijls25:17 Zet uw voet niet te dikwijls - Letterlijk: laat uw voet kostelijk zijn. in het huis van uw naaste,

anders zou hij genoeg van u krijgen en u gaan haten.

18Zoals

25:18
Ps. 11:2
57:5
59:8
120:4
Spr. 12:18
een strijdhamer, een zwaard en een scherpe pijl,

zo is iemand die tegen zijn naaste een vals getuigenis aflegt.

19Zoals een gebroken tand en een verstuikte voet,

zo is het vertrouwen op een trouweloze in de dag van benauwdheid.

20

25:20
Rom. 12:15
Wie liederen zingt bij een treurig25:20 treurig - Letterlijk: kwaad. hart,

is als wie kleren uittrekt op een koude dag en zure wijn doet op loog.

21

25:21
Rom. 12:20
Als iemand
25:21
Ex. 23:4,5
die u haat, hongerlijdt, geef hem brood te eten,

en als hij dorstig is, geef hem water te drinken,

22want zo zult u vurige kolen op zijn hoofd hopen,

en de HEERE zal het u vergelden.

23De noordenwind brengt regen voort

en een achterbakse tong toornige gezichten.

24

25:24
Spr. 21:9,19
Het is beter te wonen op een hoek van een dak,

dan in een gemeenschappelijk huis met een twistzieke vrouw.

25Zoals koud water op een vermoeide ziel,

zo is een goed bericht uit een ver land.

26Zoals een vervuilde bron en een verdorven fontein,

zo is een rechtvaardige die voor de ogen van een goddeloze wankelt.

27Veel honing eten is niet goed,

maar het onderzoeken van gewichtige dingen is een eer.

28Zoals een opengebroken stad zonder muur,

zo is

25:28
Spr. 16:32
een man die zijn geest niet in bedwang houdt.

26

Mensen die geen eer waard zijn

261Evenmin als de sneeuw in de zomer en de regen in de oogsttijd

past eer bij een dwaas.

2Zoals een mus wegvlucht, zoals een zwaluw wegvliegt,

zo komt een vervloeking zonder reden niet aan.

3

26:3
Ps. 32:9,10
Een zweep is voor het paard, een bit voor de ezel,

en

26:3
Spr. 10:13
een stok voor de rug van dwazen.

4Antwoord een dwaas niet naar zijn dwaasheid,

anders zou ook u aan hem gelijk worden.

5Antwoord een dwaas naar zijn dwaasheid,

anders zou hij in zijn eigen ogen wijs zijn.

6Wie boodschappen verzendt door de hand van een dwaas,

snijdt zichzelf de voeten af en drinkt geweld in.

7Zoals de benen van een verlamde slap neerhangen,

zo is een spreekwoord in de mond van dwazen.

8Zoals wie een steen in een slinger vastbindt,

zo is hij die een dwaas eer geeft.

9Zoals een doorn in de hand van een dronkaard dringt,

zo is een spreekwoord in de mond van dwazen.

10Groten doen iedereen verdriet aan,

zij huren dwazen in en zij huren voorbijgangers in.

11

26:11
2 Petr. 2:22
Zoals een hond terugkeert naar zijn braaksel,

zo is een dwaas die in zijn dwaasheid terugvalt.

12Hebt u iemand gezien die wijs is in zijn eigen ogen?

26:12
Spr. 29:20
Voor een dwaas is er meer hoop dan voor hem.

13

26:13
Spr. 22:13
Een luiaard zegt: Een felle leeuw op de weg,

een leeuw op de pleinen!

14Zoals een deur op zijn scharnier draait,

zo draait de luiaard zich om op zijn bed.

15

26:15
Spr. 19:24
Een luiaard steekt zijn hand in de schotel,

maar is te moe om die weer naar zijn mond te brengen.

16Een luiaard is in zijn eigen ogen wijzer

dan zeven mensen die een verstandig weerwoord geven.

17Zoals iemand die een voorbijlopende hond bij de oren grijpt,

zo is hij die zich mengt in onenigheid die hem niet aangaat.

18Zoals een dolleman

die fakkels, pijlen en moordtuig werpt,

19zo is iemand die zijn naaste bedriegt

en zegt: Deed ik het niet voor de grap?

20Als er geen hout meer is, dooft een vuur,

26:20
Spr. 22:10
en als er geen lasteraar is, houdt een ruzie op.

21Zoals kolen zijn voor vurige kolen en hout is voor een vuur,

zo doet een

26:21
Spr. 15:18
29:22
twistzieke man de onenigheid oplaaien.

22

26:22
Spr. 18:8
De woorden van een lasteraar zijn als lekkernijen,

die dalen af in de schuilhoeken van zijn binnenste.26:22 de schuilhoeken van zijn binnenste - Letterlijk: de binnenkamers van de buik.

23Brandende lippen en een boosaardig hart

zijn als een potscherf, overtrokken met schuim van zilver.

24Wie haat draagt, veinst met zijn lippen,

maar in zijn binnenste zint hij op bedrog.

25Geloof hem niet als hij met vriendelijke stem spreekt,26:25 hij … spreekt - Letterlijk: zijn stem smeekt.

want er zijn zeven gruwelen in zijn hart.

26Al hult haat zich in bedrog,

zijn kwaad zal in de gemeente geopenbaard worden.

27

26:27
Ps. 7:16
9:16
10:2
57:7
Pred. 10:8
Wie een kuil graaft, zal erin vallen,

verrolt hij een steen, op hem zal hij terugvallen.

28Een valse tong haat hen die hij kwetst,

en een gladde mond brengt verderf.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]