Herziene Statenvertaling (HSV)
32

Ruben en Gad verzoeken om erfbezit in het Overjordaanse

321Nu hadden de nakomelingen van Ruben veel vee; en de nakomelingen van Gad hadden geweldig veel vee. Zij bekeken het land Jaëzer en het land Gilead, en zie, die plaats was een geschikte plaats voor vee.

2Daarom kwamen de nakomelingen van Gad en de nakomelingen van Ruben, en zeiden tegen Mozes en tegen de priester Eleazar en tegen de leiders van de gemeenschap:

3Ataroth, Dibon, Jaëzer, Nimra, Hesbon, Eleale, Sebam, Nebo, en Behon,

4het land dat de HEERE voor de gemeenschap van Israël verslagen heeft, is een geschikt land voor vee; en uw dienaren hebben vee.

5Verder zeiden zij: Indien wij genade in uw ogen gevonden hebben, laat dit land uw dienaren tot bezit gegeven worden; laat ons niet de Jordaan oversteken.

6Maar Mozes zei tegen de nakomelingen van Gad en de nakomelingen van Ruben: Uw broeders zullen ten strijde trekken, en u wilt zelf hier blijven?

7Waarom zou u dan het hart van de Israëlieten onwillig maken om over te steken naar het land dat de HEERE hun gegeven heeft?

8Zo deden uw vaderen, toen ik hen van

32:8
Num. 13:3
Deut. 1:22
Kades-Barnea eropuit zond om dit land te bezien.

9Zij trokken op tot aan het dal Eskol, en bezagen het land, maar zij maakten het hart van de Israëlieten onwillig om naar het land te gaan dat de HEERE hun gegeven had.

10Op die dag ontbrandde de toorn van de HEERE, en Hij zwoer:

11

32:11
Num. 14:28
Deut. 1:35
De mannen die uit Egypte zijn vertrokken, van twintig jaar en daarboven, zullen het land niet zien dat Ik Abraham, Izak en Jakob gezworen heb te geven! Want zij hebben er niet in volhard Mij na te volgen,

12behalve Kaleb, de zoon van Jefunne, de Keneziet, en Jozua, de zoon van Nun, want die hebben er wél in volhard de HEERE na te volgen.

13Toen ontbrandde de toorn van de HEERE tegen Israël, en Hij liet hen veertig jaar in de woestijn rondzwerven, totdat de hele generatie die gedaan had wat slecht was in de ogen van de HEERE, omgekomen was.

14En zie, u bent opgestaan in de plaats van uw vaderen, een menigte van zondige mensen, om nog toe te doen aan de brandende toorn van de HEERE tegen Israël.

15Als u zich van achter Hem afkeert, zal Hij het volk nog langer in de woestijn achterlaten, en u zult heel dit volk te gronde richten.

16Toen naderden zij tot hem en zeiden: Wij zullen hier schaapskooien bouwen voor ons vee, en steden voor onze kinderen.

17Maar wijzelf zullen ons toerusten voor de strijd, ons voor de Israëlieten uit haasten, totdat wij hen op hun plaats gebracht hebben. Onze kleine kinderen echter zullen in de versterkte steden blijven vanwege de inwoners van het land.

18Wij zullen niet terugkeren naar onze huizen, voordat iedere Israëliet zijn erfelijk bezit ontvangen heeft.

19Wij zullen immers niet met hen aan de overzijde van de Jordaan, en verderop, erfelijk bezit ontvangen, want ons erfelijk bezit valt ons ten deel aan deze zijde van de Jordaan, waar de zon opkomt.

20Toen zei Mozes tegen hen: Als u deze zaak doen zult, als u uzelf voor het aangezicht van de HEERE voor de strijd zult toerusten,

21en elke man van u die toegerust is voor de strijd, de Jordaan zal oversteken voor het aangezicht van de HEERE, totdat Hij Zijn vijanden van voor Zijn aangezicht heeft verdreven,

22en het land voor het aangezicht van de HEERE onderworpen is, dan zult u terugkeren en onschuldig zijn voor de HEERE en voor Israël; en dit land zal u tot bezit zijn voor het aangezicht van de HEERE.

23Maar als u dit niet zo doet, zie, dan hebt u tegen de HEERE gezondigd; weet dan dat uw zonde u zal vinden!

24Bouw steden voor uw kleine kinderen en kooien voor uw schapen, en doe wat over uw lippen gekomen is.32:24 wat … gekomen is - Letterlijk: wat uit uw mond uitgegaan is.

25Toen zeiden de nakomelingen van Gad en de nakomelingen van Ruben tegen Mozes: Uw dienaren zullen doen zoals mijn heer gebiedt.

26Onze kleine kinderen, onze vrouwen, onze bezittingen en al ons vee zullen in de steden van Gilead blijven,

27maar uw dienaren zullen de Jordaan oversteken, ieder die toegerust is voor het aangezicht van de HEERE voor de strijd, zoals mijn heer gesproken heeft.

28

32:28
Joz. 1:13
4:12
Toen gaf Mozes aangaande hen opdracht aan de priester Eleazar, aan Jozua, de zoon van Nun, en aan de familiehoofden van de stammen van de Israëlieten.

29En Mozes zei tegen hen: Als de nakomelingen van Gad en de nakomelingen van Ruben met u de Jordaan oversteken, ieder die voor de strijd toegerust is, voor het aangezicht van de HEERE, en het land voor u onderworpen is, dan zult u hun het land Gilead tot bezit geven.

30Maar als zij níet toegerust voor de strijd met u oversteken, dan moeten zij in uw midden in het land Kanaän bezit verwerven.

31De nakomelingen van Gad en de nakomelingen van Ruben antwoordden: Wat de HEERE tot uw dienaren gesproken heeft, dat zullen wij doen.

32Wij zullen zelf toegerust voor de strijd oversteken naar het land Kanaän, voor het aangezicht van de HEERE, maar ons eigen erfelijk bezit zullen wij aan deze kant van de Jordaan hebben.

33

32:33
Deut. 3:12
Joz. 13:8
22:4
Toen gaf Mozes aan hen, aan de nakomelingen van Gad, aan de nakomelingen van Ruben en aan de halve stam Manasse, de zoon van Jozef, het koninkrijk van Sihon, de koning van de Amorieten, en het koninkrijk van Og, de koning van Basan, het land met de steden in hun gebieden, de steden van het land rondom.

34En de nakomelingen van Gad herbouwden Dibon, Ataroth, Aroër,

35Atroth-Sofan, Jaëzer, Jogbeha,

36Beth-Nimra en Beth-Haran, versterkte steden en schaapskooien.

37En de nakomelingen van Ruben herbouwden Hesbon, Eleale, Kirjathaïm,

38Nebo, en Baäl-Meon, waarvan zij de naam hadden veranderd, en Sibma; en zij gaven de steden die zij herbouwd hadden, andere namen.

39

32:39
Gen. 50:23
En de nakomelingen van Machir, de zoon van Manasse, gingen naar Gilead en namen dat in, en zij verdreven de Amorieten die daar woonden.

40Zo gaf Mozes Gilead aan Machir, de zoon van Manasse, en hij woonde daarin.

41Jaïr nu, de zoon van Manasse, ging heen en nam hun dorpen in, en hij noemde die de dorpen van Jaïr.

42En Nobah ging heen en nam Kenath in, met de bijbehorende plaatsen, en noemde ze Nobah, naar zijn eigen naam.

33

Overzicht van de reizen en rustplaatsen van de Israëlieten

331Dit zijn de rustplaatsen van de Israëlieten, die uit het land Egypte vertrokken zijn, ingedeeld naar hun legers, door de dienst van Mozes33:1 de dienst van Mozes - Letterlijk: de hand van Mozes. en Aäron.

2

33:2
Joh. 5:46
Mozes schreef hun vertrekpunten op, van rustplaats tot rustplaats,33:2 van rustplaats tot rustplaats - Letterlijk: naar hun rustplaatsen. op bevel van de HEERE. Dit nu zijn hun rustplaatsen, ingedeeld naar hun vertrekpunten.

3

33:3
Ex. 12:37
Zij braken op van Rameses; in de eerste maand, op de vijftiende dag van de eerste maand, de dag na het Pascha, vertrokken de Israëlieten door een opgeheven hand, voor de ogen van alle Egyptenaren,

4terwijl de Egyptenaren hen begroeven die de HEERE onder hen getroffen had, alle eerstgeborenen; ook had de HEERE strafgerichten voltrokken over hun goden.

5De Israëlieten braken op van Rameses en sloegen hun kamp op in Sukkoth.

6

33:6
Ex. 13:20
Zij braken op van Sukkoth en sloegen hun kamp op in Etham, dat aan de rand van de woestijn ligt.

7

33:7
Ex. 14:2
Zij braken op van Etham en keerden terug naar Pi-Hachiroth, dat tegenover Baäl-Zefon ligt, en sloegen hun kamp op voor Migdol.

8Zij braken op van Pi-Hachiroth en staken over, midden door de zee, naar de woestijn; zij gingen drie dagreizen de woestijn Etham in, en sloegen hun kamp op in

33:8
Ex. 15:22,23
Mara.

9Zij braken op van Mara, en kwamen in

33:9
Ex. 15:27
Elim – in Elim waren twaalf waterbronnen en zeventig palmbomen – en zij sloegen daar hun kamp op.

10Zij braken op van Elim en sloegen hun kamp op aan de Schelfzee.

11Zij braken op van de Schelfzee

33:11
Ex. 16:1
en sloegen hun kamp op in de woestijn Sin.

12Zij braken op uit de woestijn Sin en sloegen hun kamp op in Dofka.

13Zij braken op van Dofka en sloegen hun kamp op in Aluz.

14Zij braken op van Aluz en sloegen hun kamp op in

33:14
Ex. 17:1
Rafidim; maar daar was geen water voor het volk om te drinken.

15Zij braken op van Rafidim

33:15
Ex. 19:1
en sloegen hun kamp op in de woestijn Sinaï.

16Zij braken op uit de woestijn Sinaï

33:16
Num. 11:34,35
en sloegen hun kamp op in Kibroth-Taäva.

17Zij braken op van Kibroth-Taäva en sloegen hun kamp op in Hazeroth.

18Zij braken op van Hazeroth en sloegen hun kamp op in Rithma.

19Zij braken op van Rithma en sloegen hun kamp op in Rimmon-Perez.

20Zij braken op van Rimmon-Perez en sloegen hun kamp op in Libna.

21Zij braken op van Libna en sloegen hun kamp op in Rissa.

22Zij braken op van Rissa en sloegen hun kamp op in Kehelatha.

23Zij braken op van Kehelatha en sloegen hun kamp op in het bergland van Safer.

24Zij braken op van het bergland van Safer en sloegen hun kamp op in Harada.

25Zij braken op van Harada en sloegen hun kamp op in Makheloth.

26Zij braken op van Makheloth en sloegen hun kamp op in Tachath.

27Zij braken op van Tachath en sloegen hun kamp op in Tarah.

28Zij braken op van Tarah en sloegen hun kamp op in Mithka.

29Zij braken op van Mithka en sloegen hun kamp op in Hasmona.

30Zij

33:30
Deut. 10:6
braken op van Hasmona en sloegen hun kamp op in Moseroth.

31Zij braken op van Moseroth en sloegen hun kamp op in Bene-Jaäkan.

32Zij braken op van Bene-Jaäkan en sloegen hun kamp op in Hor-Haggidgad.

33Zij braken op van Hor-Haggidgad en sloegen hun kamp op in Jotbatha.

34Zij braken op van Jotbatha en sloegen hun kamp op in Abrona.

35Zij braken op van Abrona en sloegen hun kamp op in Ezeon-Geber.

36Zij braken op van Ezeon-Geber

33:36
Num. 20:1
en sloegen hun kamp op in de woestijn Zin, dat is Kades.

37Zij braken op van Kades

33:37
Num. 20:22
en sloegen hun kamp op bij de berg Hor, aan de grens van het land Edom.

38

33:38
Num. 20:25
Deut. 32:50
Toen beklom de priester Aäron de berg Hor, op bevel van de HEERE, en hij stierf daar, in het veertigste jaar nadat de Israëlieten uit het land Egypte vertrokken waren, in de vijfde maand, op de eerste van de maand.

39En Aäron was honderddrieëntwintig jaar oud toen hij stierf op de berg Hor.

40

33:40
Num. 21:1
De koning van Harad, de Kanaäniet, die in het Zuiderland woonde, in het land Kanaän, hoorde dat de Israëlieten in aantocht waren.

41Zij

33:41
Num. 21:4
braken op van de berg Hor en sloegen hun kamp op in Zalmona.

42Zij braken op van Zalmona en sloegen hun kamp op in Punon.

43Zij braken op van Punon

33:43
Num. 21:10
en sloegen hun kamp op in Oboth.

44Zij braken op van Oboth en sloegen hun kamp op bij de ruïnes van Abarim, in het grensgebied van Moab.

45Zij braken op van de ruïnes van Abarim en sloegen hun kamp op in Dibon-Gad.

46Zij braken op van Dibon-Gad en sloegen hun kamp op in Almon-Diblathaïm.

47Zij braken op van Almon-Diblathaïm en sloegen hun kamp op in de bergen van Abarim, voor Nebo.

48Zij braken op van de bergen van Abarim en sloegen hun kamp op in de vlakten van Moab, aan de Jordaan, ter hoogte van Jericho.

49En zij sloegen hun kamp op aan de Jordaan, van Beth-Jesimoth tot aan

33:49
Num. 25:1
Joz. 2:1
Abel-Sittim, in de vlakten van Moab.

50En de HEERE sprak tot Mozes in de vlakten van Moab, aan de Jordaan, ter hoogte van Jericho:

51Spreek tot de Israëlieten en zeg tegen hen: Wanneer u de Jordaan oversteekt naar het land Kanaän,

52

33:52
Deut. 7:2,3
dan moet u alle inwoners van het land van vóór uw ogen verdrijven, en al hun beeldhouwwerken vernielen; ook moet u al hun gegoten beelden vernielen en al hun hoogten wegvagen.

53En u moet het land in bezit nemen en daarin wonen, want Ik heb u dat land gegeven om het in bezit te nemen.

54En u moet het land in erfelijk bezit nemen door het lot, overeenkomstig uw geslachten:

33:54
Num. 26:54
voor hen die met velen zijn, moet u hun erfelijk bezit groot maken, en voor hen die met weinigen zijn, moet u hun erfelijk bezit minder groot maken. Waarop voor iemand het lot valt, dat zal hij hebben; overeenkomstig de stammen van uw vaderen zult u het land in erfbezit nemen.

55Maar als u de inwoners van het land niet van voor uw ogen verdrijft, dan zal het gebeuren dat zij die u van hen liet overblijven,

33:55
Joz. 23:13
Richt. 2:3
als dorens zullen worden in uw ogen en tot prikkels in uw zijden; zij zullen u benauwen in het land waar u woont.

56En het zal gebeuren dat Ik met u zal doen zoals Ik met hen dacht te doen.

34

De grenzen van Kanaän

341De HEERE sprak tot Mozes:

2Gebied de Israëlieten en zeg tegen hen: Wanneer u het land Kanaän binnenkomt, zal dit het land zijn dat u als erfelijk bezit toevalt, het land Kanaän wat zijn grenzen betreft:

3

34:3
Joz. 15:1
de zuidzijde zal voor u vanaf de woestijn Zin langs Edom lopen en de zuidgrens zal voor u aan de oostkant vanaf het einde van de Zoutzee lopen.

4Deze grens zal voor u van het zuiden naar de Schorpioenenpas ombuigen en doorlopen tot Zin, en haar uitlopers zullen vanuit het zuiden naar Kades-Barnea lopen en uitkomen bij Hazar-Addar en doorlopen tot Azmon.

5Deze grens zal dan van Azmon naar de Beek van Egypte ombuigen en haar uitlopers zullen naar de zee lopen.

6Wat betreft de westgrens, dat zal voor u de Grote Zee zijn; dat zal voor u de westgrens zijn.

7En dit zal voor u de noordgrens zijn: vanaf de Grote Zee moet u voor uzelf een lijn tekenen naar de berg Hor;

8van de berg Hor moet u een lijn tekenen naar Lebo-Hamath; de uitlopers van deze grens zullen naar Zedad lopen.

9Deze grens zal uitkomen bij Zifron, en haar uitlopers zullen naar Hazar-Enan lopen; dit zal voor u de noordgrens zijn.

10Verder moet u voor uzelf voor de grens aan de oostkant een lijn trekken van Hazar-Enan naar Sefam.

11Van Sefam zal deze grens naar beneden lopen naar Ribla, ten oosten van Aïn; vervolgens zal de grens verder naar beneden lopen en langs de oever van het Kinnerethmeer in oostelijke richting lopen.

12Daarna zal de grens nog verder, langs de Jordaan, naar beneden lopen en haar uitlopers zullen naar de Zoutzee lopen. Dit zal voor u het land zijn wat zijn grenzen rondom betreft.

Verdeling van het land

13En Mozes gebood de Israëlieten: Dit is het land dat u door het lot in erfbezit moet nemen, dat de HEERE geboden heeft aan de negen en een halve stam te geven.

14Want de stam van de nakomelingen van de Rubenieten, naar hun families, en de stam van de nakomelingen van de Gadieten, naar hun families, hebben hun erfelijk bezit al ontvangen; ook de halve stam Manasse heeft zijn erfelijk bezit ontvangen.

15Deze twee en een halve stam hebben hun erfelijk bezit ontvangen aan deze zijde van de Jordaan, ter hoogte van Jericho, aan de oostkant, waar de zon opkomt.

Benoeming van hen die het land verdelen moeten

16De HEERE sprak tot Mozes:

17

34:17
Joz. 14:1
Dit zijn de namen van de mannen die het land als erfbezit onder u moeten verdelen: de priester Eleazar en Jozua, de zoon van Nun.

18En uit elke stam moet u een leider nemen om het land als erfbezit te verdelen.

19Dit nu zijn de namen van deze mannen: uit de stam Juda: Kaleb, de zoon van Jefunne;

20en uit de stam van de nakomelingen van Simeon: Semuel, zoon van Ammihud;

21uit de stam Benjamin: Elidad, zoon van Chislon;

22en uit de stam van de nakomelingen van Dan: de leider Bukki, zoon van Jogli;

23van de nakomelingen van Jozef: uit de stam van de nakomelingen van Manasse: de leider Hanniël, zoon van Efod;

24en uit de stam van de nakomelingen van Efraïm: de leider Kemuel, zoon van Siftan;

25en uit de stam van de nakomelingen van Zebulon: de leider Elizafan, zoon van Parnach;

26en uit de stam van de nakomelingen van Issaschar: de leider Paltiël, zoon van Azzan;

27en uit de stam van de nakomelingen van Aser: de leider Achihud, zoon van Selomi;

28en uit de stam van de nakomelingen van Naftali: de leider Pedaël, zoon van Ammihud.

29Dit zijn zij aan wie de HEERE geboden heeft het erfbezit aan de Israëlieten in het land Kanaän toe te wijzen.