Herziene Statenvertaling (HSV)
31

Strijd van de Israëlieten tegen de Midianieten

311De HEERE sprak tot Mozes:

2

31:2
Num. 25:17
Neem voor de Israëlieten wraak op de Midianieten;
31:2
Num. 27:13
daarna zult u met uw voorgeslacht verenigd worden.

3En Mozes sprak tot het volk: Laten er mannen uit uw midden zich voor de strijd toerusten, en zich tegen Midian keren om de wraak van de HEERE aan Midian te voltrekken.

4Van alle stammen van Israël moet u er duizend per stam ten strijde laten trekken.

5Zo werden er uit de duizenden van Israël duizend per stam geleverd, twaalfduizend, toegerust voor de strijd.

6Mozes liet hen ten strijde trekken, duizend per stam, hen en Pinehas, de zoon van Eleazar, de priester, ten strijde, met de heilige voorwerpen en de trompetten voor het geschal in zijn hand.

7En zij streden tegen Midian zoals de HEERE Mozes geboden had; zij doodden al wie mannelijk was.

8Behalve hen die door hen verslagen werden, doodden zij ook de koningen van Midian:

31:8
Joz. 13:21,22
Evi, Rekem, Zur, Hur en Reba, de vijf koningen van Midian; ook doodden zij Bileam, de zoon van Beor, met het zwaard.

9Maar de Israëlieten voerden de vrouwen van Midian en hun kleine kinderen als gevangenen weg en roofden al hun dieren, al hun vee en al hun vermogen.

10Ook verbrandden zij al hun steden in hun woongebieden en al hun tentenkampen met vuur.

11

31:11
Deut. 20:14
Zij namen heel de buit en alles wat meegenomen kon worden aan mensen en aan dieren,

12en zij brachten de gevangenen en wat aan buit meegenomen was, bij Mozes, bij de priester Eleazar en bij de gemeenschap van de Israëlieten in het kamp, in de vlakten van Moab, aan de Jordaan, ter hoogte van Jericho.

13Mozes, de priester Eleazar en alle leiders van de gemeenschap gingen buiten het kamp, hun tegemoet.

14Mozes werd erg kwaad op de aanvoerders van het leger, de bevelhebbers van duizend en de bevelhebbers van honderd die van de krijgsdienst terugkwamen.

15En Mozes zei tegen hen: Hebt u alle vrouwen laten leven?

16Zie, zíj waren door

31:16
Num. 25:1,2,18
2 Petr. 2:15
Openb. 2:14
de raad van Bileam voor de Israëlieten de aanleiding tot trouwbreuk tegen de HEERE, in het geval van Peor, waardoor de plaag kwam onder de gemeenschap van de HEERE.

17

31:17
Richt. 21:11
Nu dan, dood al wie mannelijk is onder de kleine kinderen, en dood elke vrouw die gemeenschap met een man heeft gehad31:17 die gemeenschap met een man heeft gehad - Letterlijk: die een man heeft gekend; zie ook de verzen 18 en 35. door met een man te slapen.

18Maar laat alle kinderen van het vrouwelijk geslacht die nog geen gemeenschap gehad hebben door met een man te slapen, voor u in leven.

19En u, sla uw kamp op buiten het kamp, zeven dagen lang. Ieder die een persoon gedood en ieder die een verslagene aangeraakt heeft, moet zich op de derde dag en op de zevende dag ontzondigen, u en uw gevangenen.

20Ook moet u alle kleding, alle leren voorwerpen, alles wat van geitenhaar gemaakt is, en alle houten voorwerpen ontzondigen.

21En de priester Eleazar zei tegen de krijgslieden die ten strijde getrokken waren: Dit is de wetsverordening die de HEERE Mozes geboden heeft.

22Alleen het goud, het zilver, het koper, het ijzer, het tin en het lood,

23elk ding dat vuurvast is, moet u door het vuur laten gaan, zodat het rein wordt; alleen moet het

31:23
Num. 19:9
door het reinigingswater ontzondigd worden. Maar alles wat niet vuurvast is, moet u alleen door het water laten gaan.

24Ook moet u op de zevende dag uw kleren wassen, zodat u rein wordt; daarna mag u weer in het kamp komen.

25Verder sprak de HEERE tot Mozes:

26Neem het aantal op van wat meegenomen is aan gevangenen, aan mensen en aan dieren, u en de priester Eleazar en de familiehoofden van de gemeenschap.

27En

31:27
1 Sam. 30:24
verdeel wat meegenomen is, in twee helften, tussen hen die aan de strijd deelgenomen hebben, die met het leger uitgetrokken zijn, en heel de gemeenschap.

28Daarna moet u de strijdbare mannen die met het leger uitgetrokken zijn, een heffing voor de HEERE opleggen, één31:28 één - Letterlijk: één ziel. op de vijfhonderd van de mensen, van de runderen, van de ezels en van de schapen.

29Van de voor hen bestemde helft moet u dat nemen en dat aan de priester Eleazar geven als een hefoffer voor de HEERE.

30Maar van de helft voor de Israëlieten moet u één gevangene op de vijftig nemen, van de mensen, van de runderen, van de ezels en van de schapen, van al de dieren, en ze aan de Levieten geven, die de taak ten behoeve van de tabernakel van de HEERE vervullen.

31Mozes en de priester Eleazar deden zoals de HEERE Mozes geboden had.

32Wat meegenomen was, het overschot van de buit die het krijgsvolk geroofd had, waren zeshonderdvijfenzeventigduizend schapen,

33en tweeënzeventigduizend runderen,

34en eenenzestigduizend ezels;

35en mensen,31:35 mensen - Letterlijk: ziel van een mens; zie ook de verzen 40 en 46. namelijk vrouwen die nog geen gemeenschap hadden gehad door met een man te slapen, alles bij elkaar tweeëndertigduizend personen.

36De helft daarvan, namelijk het aandeel voor hen die met het leger uitgetrokken waren, was een aantal van driehonderdzevenendertigduizend vijfhonderd schapen.

37De heffing voor de HEERE van de schapen was zeshonderdvijfenzeventig schapen.

38En er waren zesendertigduizend runderen, en de heffing daarvan voor de HEERE was tweeënzeventig.

39En er waren dertigduizend vijfhonderd ezels, en de heffing daarvan voor de HEERE was eenenzestig.

40En er waren zestienduizend mensen, en de heffing daarvan voor de HEERE was tweeëndertig personen.

41

31:41
Num. 18:8,19
En Mozes gaf de schatting, het hefoffer voor de HEERE, aan de priester Eleazar, zoals de HEERE Mozes geboden had.

42En van de helft voor de Israëlieten, die Mozes van de mannen die gestreden hadden, afgescheiden had

43– de helft voor de gemeenschap bestond uit driehonderdzevenendertigduizend vijfhonderd schapen,

44zesendertigduizend runderen,

45dertigduizend vijfhonderd ezels,

46en zestienduizend mensen –

47van die helft voor de Israëlieten nam Mozes één gevangene uit vijftig, van de mensen en van de dieren; en hij gaf ze aan de Levieten, die de taak ten behoeve van de tabernakel van de HEERE vervulden, zoals de HEERE Mozes geboden had.

48Toen kwamen de aanvoerders van de duizenden van het leger, de bevelhebbers van duizend en de bevelhebbers van honderd, naar voren, bij Mozes.

49En zij zeiden tegen Mozes: Uw dienaren hebben het aantal opgenomen van de strijdbare mannen die onder ons bevel31:49 onder ons bevel - Letterlijk: in onze hand. stonden; van ons ontbreekt niet één man.

50Daarom zullen wij de HEERE een offergave brengen, ieder wat hij gevonden heeft: een gouden voorwerp, een ketting, een armband, een ring, een oorring of een halssieraad, om voor ons leven verzoening te doen voor het aangezicht van de HEERE.

51Mozes en de priester Eleazar namen het goud van hen aan, allemaal kunstig gemaakte voorwerpen.

52Al het goud van het hefoffer dat zij de HEERE brachten, van de bevelhebbers van duizend en de bevelhebbers van honderd, bedroeg zestienduizend zevenhonderdvijftig sikkel.31:52 Een sikkel is 10 tot 13 gram.

53De krijgslieden hadden ieder voor zichzelf het nodige

31:53
Deut. 20:14
geroofd.

54Zo namen Mozes en de priester Eleazar dat goud aan van de bevelhebbers van duizend en van honderd, en zij brachten het in de tent van ontmoeting, voor het aangezicht van de HEERE, tot gedachtenis voor de Israëlieten.

32

Ruben en Gad verzoeken om erfbezit in het Overjordaanse

321Nu hadden de nakomelingen van Ruben veel vee; en de nakomelingen van Gad hadden geweldig veel vee. Zij bekeken het land Jaëzer en het land Gilead, en zie, die plaats was een geschikte plaats voor vee.

2Daarom kwamen de nakomelingen van Gad en de nakomelingen van Ruben, en zeiden tegen Mozes en tegen de priester Eleazar en tegen de leiders van de gemeenschap:

3Ataroth, Dibon, Jaëzer, Nimra, Hesbon, Eleale, Sebam, Nebo, en Behon,

4het land dat de HEERE voor de gemeenschap van Israël verslagen heeft, is een geschikt land voor vee; en uw dienaren hebben vee.

5Verder zeiden zij: Indien wij genade in uw ogen gevonden hebben, laat dit land uw dienaren tot bezit gegeven worden; laat ons niet de Jordaan oversteken.

6Maar Mozes zei tegen de nakomelingen van Gad en de nakomelingen van Ruben: Uw broeders zullen ten strijde trekken, en u wilt zelf hier blijven?

7Waarom zou u dan het hart van de Israëlieten onwillig maken om over te steken naar het land dat de HEERE hun gegeven heeft?

8Zo deden uw vaderen, toen ik hen van

32:8
Num. 13:3
Deut. 1:22
Kades-Barnea eropuit zond om dit land te bezien.

9Zij trokken op tot aan het dal Eskol, en bezagen het land, maar zij maakten het hart van de Israëlieten onwillig om naar het land te gaan dat de HEERE hun gegeven had.

10Op die dag ontbrandde de toorn van de HEERE, en Hij zwoer:

11

32:11
Num. 14:28
Deut. 1:35
De mannen die uit Egypte zijn vertrokken, van twintig jaar en daarboven, zullen het land niet zien dat Ik Abraham, Izak en Jakob gezworen heb te geven! Want zij hebben er niet in volhard Mij na te volgen,

12behalve Kaleb, de zoon van Jefunne, de Keneziet, en Jozua, de zoon van Nun, want die hebben er wél in volhard de HEERE na te volgen.

13Toen ontbrandde de toorn van de HEERE tegen Israël, en Hij liet hen veertig jaar in de woestijn rondzwerven, totdat de hele generatie die gedaan had wat slecht was in de ogen van de HEERE, omgekomen was.

14En zie, u bent opgestaan in de plaats van uw vaderen, een menigte van zondige mensen, om nog toe te doen aan de brandende toorn van de HEERE tegen Israël.

15Als u zich van achter Hem afkeert, zal Hij het volk nog langer in de woestijn achterlaten, en u zult heel dit volk te gronde richten.

16Toen naderden zij tot hem en zeiden: Wij zullen hier schaapskooien bouwen voor ons vee, en steden voor onze kinderen.

17Maar wijzelf zullen ons toerusten voor de strijd, ons voor de Israëlieten uit haasten, totdat wij hen op hun plaats gebracht hebben. Onze kleine kinderen echter zullen in de versterkte steden blijven vanwege de inwoners van het land.

18Wij zullen niet terugkeren naar onze huizen, voordat iedere Israëliet zijn erfelijk bezit ontvangen heeft.

19Wij zullen immers niet met hen aan de overzijde van de Jordaan, en verderop, erfelijk bezit ontvangen, want ons erfelijk bezit valt ons ten deel aan deze zijde van de Jordaan, waar de zon opkomt.

20Toen zei Mozes tegen hen: Als u deze zaak doen zult, als u uzelf voor het aangezicht van de HEERE voor de strijd zult toerusten,

21en elke man van u die toegerust is voor de strijd, de Jordaan zal oversteken voor het aangezicht van de HEERE, totdat Hij Zijn vijanden van voor Zijn aangezicht heeft verdreven,

22en het land voor het aangezicht van de HEERE onderworpen is, dan zult u terugkeren en onschuldig zijn voor de HEERE en voor Israël; en dit land zal u tot bezit zijn voor het aangezicht van de HEERE.

23Maar als u dit niet zo doet, zie, dan hebt u tegen de HEERE gezondigd; weet dan dat uw zonde u zal vinden!

24Bouw steden voor uw kleine kinderen en kooien voor uw schapen, en doe wat over uw lippen gekomen is.32:24 wat … gekomen is - Letterlijk: wat uit uw mond uitgegaan is.

25Toen zeiden de nakomelingen van Gad en de nakomelingen van Ruben tegen Mozes: Uw dienaren zullen doen zoals mijn heer gebiedt.

26Onze kleine kinderen, onze vrouwen, onze bezittingen en al ons vee zullen in de steden van Gilead blijven,

27maar uw dienaren zullen de Jordaan oversteken, ieder die toegerust is voor het aangezicht van de HEERE voor de strijd, zoals mijn heer gesproken heeft.

28

32:28
Joz. 1:13
4:12
Toen gaf Mozes aangaande hen opdracht aan de priester Eleazar, aan Jozua, de zoon van Nun, en aan de familiehoofden van de stammen van de Israëlieten.

29En Mozes zei tegen hen: Als de nakomelingen van Gad en de nakomelingen van Ruben met u de Jordaan oversteken, ieder die voor de strijd toegerust is, voor het aangezicht van de HEERE, en het land voor u onderworpen is, dan zult u hun het land Gilead tot bezit geven.

30Maar als zij níet toegerust voor de strijd met u oversteken, dan moeten zij in uw midden in het land Kanaän bezit verwerven.

31De nakomelingen van Gad en de nakomelingen van Ruben antwoordden: Wat de HEERE tot uw dienaren gesproken heeft, dat zullen wij doen.

32Wij zullen zelf toegerust voor de strijd oversteken naar het land Kanaän, voor het aangezicht van de HEERE, maar ons eigen erfelijk bezit zullen wij aan deze kant van de Jordaan hebben.

33

32:33
Deut. 3:12
Joz. 13:8
22:4
Toen gaf Mozes aan hen, aan de nakomelingen van Gad, aan de nakomelingen van Ruben en aan de halve stam Manasse, de zoon van Jozef, het koninkrijk van Sihon, de koning van de Amorieten, en het koninkrijk van Og, de koning van Basan, het land met de steden in hun gebieden, de steden van het land rondom.

34En de nakomelingen van Gad herbouwden Dibon, Ataroth, Aroër,

35Atroth-Sofan, Jaëzer, Jogbeha,

36Beth-Nimra en Beth-Haran, versterkte steden en schaapskooien.

37En de nakomelingen van Ruben herbouwden Hesbon, Eleale, Kirjathaïm,

38Nebo, en Baäl-Meon, waarvan zij de naam hadden veranderd, en Sibma; en zij gaven de steden die zij herbouwd hadden, andere namen.

39

32:39
Gen. 50:23
En de nakomelingen van Machir, de zoon van Manasse, gingen naar Gilead en namen dat in, en zij verdreven de Amorieten die daar woonden.

40Zo gaf Mozes Gilead aan Machir, de zoon van Manasse, en hij woonde daarin.

41Jaïr nu, de zoon van Manasse, ging heen en nam hun dorpen in, en hij noemde die de dorpen van Jaïr.

42En Nobah ging heen en nam Kenath in, met de bijbehorende plaatsen, en noemde ze Nobah, naar zijn eigen naam.

33

Overzicht van de reizen en rustplaatsen van de Israëlieten

331Dit zijn de rustplaatsen van de Israëlieten, die uit het land Egypte vertrokken zijn, ingedeeld naar hun legers, door de dienst van Mozes33:1 de dienst van Mozes - Letterlijk: de hand van Mozes. en Aäron.

2

33:2
Joh. 5:46
Mozes schreef hun vertrekpunten op, van rustplaats tot rustplaats,33:2 van rustplaats tot rustplaats - Letterlijk: naar hun rustplaatsen. op bevel van de HEERE. Dit nu zijn hun rustplaatsen, ingedeeld naar hun vertrekpunten.

3

33:3
Ex. 12:37
Zij braken op van Rameses; in de eerste maand, op de vijftiende dag van de eerste maand, de dag na het Pascha, vertrokken de Israëlieten door een opgeheven hand, voor de ogen van alle Egyptenaren,

4terwijl de Egyptenaren hen begroeven die de HEERE onder hen getroffen had, alle eerstgeborenen; ook had de HEERE strafgerichten voltrokken over hun goden.

5De Israëlieten braken op van Rameses en sloegen hun kamp op in Sukkoth.

6

33:6
Ex. 13:20
Zij braken op van Sukkoth en sloegen hun kamp op in Etham, dat aan de rand van de woestijn ligt.

7

33:7
Ex. 14:2
Zij braken op van Etham en keerden terug naar Pi-Hachiroth, dat tegenover Baäl-Zefon ligt, en sloegen hun kamp op voor Migdol.

8Zij braken op van Pi-Hachiroth en staken over, midden door de zee, naar de woestijn; zij gingen drie dagreizen de woestijn Etham in, en sloegen hun kamp op in

33:8
Ex. 15:22,23
Mara.

9Zij braken op van Mara, en kwamen in

33:9
Ex. 15:27
Elim – in Elim waren twaalf waterbronnen en zeventig palmbomen – en zij sloegen daar hun kamp op.

10Zij braken op van Elim en sloegen hun kamp op aan de Schelfzee.

11Zij braken op van de Schelfzee

33:11
Ex. 16:1
en sloegen hun kamp op in de woestijn Sin.

12Zij braken op uit de woestijn Sin en sloegen hun kamp op in Dofka.

13Zij braken op van Dofka en sloegen hun kamp op in Aluz.

14Zij braken op van Aluz en sloegen hun kamp op in

33:14
Ex. 17:1
Rafidim; maar daar was geen water voor het volk om te drinken.

15Zij braken op van Rafidim

33:15
Ex. 19:1
en sloegen hun kamp op in de woestijn Sinaï.

16Zij braken op uit de woestijn Sinaï

33:16
Num. 11:34,35
en sloegen hun kamp op in Kibroth-Taäva.

17Zij braken op van Kibroth-Taäva en sloegen hun kamp op in Hazeroth.

18Zij braken op van Hazeroth en sloegen hun kamp op in Rithma.

19Zij braken op van Rithma en sloegen hun kamp op in Rimmon-Perez.

20Zij braken op van Rimmon-Perez en sloegen hun kamp op in Libna.

21Zij braken op van Libna en sloegen hun kamp op in Rissa.

22Zij braken op van Rissa en sloegen hun kamp op in Kehelatha.

23Zij braken op van Kehelatha en sloegen hun kamp op in het bergland van Safer.

24Zij braken op van het bergland van Safer en sloegen hun kamp op in Harada.

25Zij braken op van Harada en sloegen hun kamp op in Makheloth.

26Zij braken op van Makheloth en sloegen hun kamp op in Tachath.

27Zij braken op van Tachath en sloegen hun kamp op in Tarah.

28Zij braken op van Tarah en sloegen hun kamp op in Mithka.

29Zij braken op van Mithka en sloegen hun kamp op in Hasmona.

30Zij

33:30
Deut. 10:6
braken op van Hasmona en sloegen hun kamp op in Moseroth.

31Zij braken op van Moseroth en sloegen hun kamp op in Bene-Jaäkan.

32Zij braken op van Bene-Jaäkan en sloegen hun kamp op in Hor-Haggidgad.

33Zij braken op van Hor-Haggidgad en sloegen hun kamp op in Jotbatha.

34Zij braken op van Jotbatha en sloegen hun kamp op in Abrona.

35Zij braken op van Abrona en sloegen hun kamp op in Ezeon-Geber.

36Zij braken op van Ezeon-Geber

33:36
Num. 20:1
en sloegen hun kamp op in de woestijn Zin, dat is Kades.

37Zij braken op van Kades

33:37
Num. 20:22
en sloegen hun kamp op bij de berg Hor, aan de grens van het land Edom.

38

33:38
Num. 20:25
Deut. 32:50
Toen beklom de priester Aäron de berg Hor, op bevel van de HEERE, en hij stierf daar, in het veertigste jaar nadat de Israëlieten uit het land Egypte vertrokken waren, in de vijfde maand, op de eerste van de maand.

39En Aäron was honderddrieëntwintig jaar oud toen hij stierf op de berg Hor.

40

33:40
Num. 21:1
De koning van Harad, de Kanaäniet, die in het Zuiderland woonde, in het land Kanaän, hoorde dat de Israëlieten in aantocht waren.

41Zij

33:41
Num. 21:4
braken op van de berg Hor en sloegen hun kamp op in Zalmona.

42Zij braken op van Zalmona en sloegen hun kamp op in Punon.

43Zij braken op van Punon

33:43
Num. 21:10
en sloegen hun kamp op in Oboth.

44Zij braken op van Oboth en sloegen hun kamp op bij de ruïnes van Abarim, in het grensgebied van Moab.

45Zij braken op van de ruïnes van Abarim en sloegen hun kamp op in Dibon-Gad.

46Zij braken op van Dibon-Gad en sloegen hun kamp op in Almon-Diblathaïm.

47Zij braken op van Almon-Diblathaïm en sloegen hun kamp op in de bergen van Abarim, voor Nebo.

48Zij braken op van de bergen van Abarim en sloegen hun kamp op in de vlakten van Moab, aan de Jordaan, ter hoogte van Jericho.

49En zij sloegen hun kamp op aan de Jordaan, van Beth-Jesimoth tot aan

33:49
Num. 25:1
Joz. 2:1
Abel-Sittim, in de vlakten van Moab.

50En de HEERE sprak tot Mozes in de vlakten van Moab, aan de Jordaan, ter hoogte van Jericho:

51Spreek tot de Israëlieten en zeg tegen hen: Wanneer u de Jordaan oversteekt naar het land Kanaän,

52

33:52
Deut. 7:2,3
dan moet u alle inwoners van het land van vóór uw ogen verdrijven, en al hun beeldhouwwerken vernielen; ook moet u al hun gegoten beelden vernielen en al hun hoogten wegvagen.

53En u moet het land in bezit nemen en daarin wonen, want Ik heb u dat land gegeven om het in bezit te nemen.

54En u moet het land in erfelijk bezit nemen door het lot, overeenkomstig uw geslachten:

33:54
Num. 26:54
voor hen die met velen zijn, moet u hun erfelijk bezit groot maken, en voor hen die met weinigen zijn, moet u hun erfelijk bezit minder groot maken. Waarop voor iemand het lot valt, dat zal hij hebben; overeenkomstig de stammen van uw vaderen zult u het land in erfbezit nemen.

55Maar als u de inwoners van het land niet van voor uw ogen verdrijft, dan zal het gebeuren dat zij die u van hen liet overblijven,

33:55
Joz. 23:13
Richt. 2:3
als dorens zullen worden in uw ogen en tot prikkels in uw zijden; zij zullen u benauwen in het land waar u woont.

56En het zal gebeuren dat Ik met u zal doen zoals Ik met hen dacht te doen.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]