Herziene Statenvertaling (HSV)
26

Telling van de strijdbare Israëlieten

261Het gebeurde nu na die plaag dat de HEERE tegen Mozes en tegen Eleazar, de zoon van de priester Aäron, zei:

2Neem het aantal op van heel de gemeenschap van de Israëlieten,

26:2
Num. 1:3
van twintig jaar oud en daarboven, naar hun families, ieder die in Israël met het leger uittrekt.

3Mozes dan en de priester Eleazar zeiden tegen hen, in de vlakten van Moab, aan de Jordaan, ter hoogte van Jericho:

4Neem het aantal op van twintig jaar en daarboven,

26:4
Num. 1:1,2,3
zoals de HEERE Mozes en de Israëlieten, die uit het land Egypte vertrokken waren, geboden had.

5Ruben

26:5
Gen. 46:9
Ex. 6:13
1 Kron. 5:1
was de eerstgeborene van Israël. De zonen van Ruben waren: Hanoch, van wie het geslacht van de Hanochieten afstamde; van Pallu het geslacht van de Palluïeten;

6van Hezron het geslacht van de Hezronieten; van Charmi het geslacht van de Charmieten.

7Dit waren de geslachten van de Rubenieten; en het aantal van hen die geteld waren, was drieënveertigduizend zevenhonderddertig.

8De zoon nu van Pallu was Eliab.

9De zonen van Eliab nu waren Nemuel, Dathan en Abiram.

26:9
Num. 16:1,2
Deze Dathan en Abiram waren afgevaardigden van de gemeenschap, die tegen Mozes en tegen Aäron in opstand waren gekomen, samen met de aanhang van Korach, toen die tegen de HEERE in opstand gekomen was.

10Maar de aarde had haar mond geopend en hen samen met Korach verzwolgen, toen zijn aanhang stierf, doordat het vuur tweehonderdvijftig mannen verteerd had. Zo waren zij tot een teken geworden.

11Maar de kinderen van Korach waren niet gestorven.

12De nakomelingen van Simeon, ingedeeld naar hun geslachten: van Nemuel het geslacht van de Nemuelieten; van Jamin het geslacht van de Jaminieten; van Jachin het geslacht van de Jachinieten;

13van Zerah het geslacht van de Zerahieten; van Saul het geslacht van de Saulieten.

14Dit waren de geslachten van de Simeonieten: tweeëntwintigduizend tweehonderd.

15De nakomelingen van Gad, ingedeeld naar hun geslachten: van Zefon het geslacht van de Zefonieten; van Haggi het geslacht van de Haggieten; van Suni het geslacht van de Sunieten;

16van Ozni het geslacht van de Oznieten; van Heri het geslacht van de Herieten;

17van Arod het geslacht van de Arodieten; van Areli het geslacht van de Arelieten.

18Dit waren de geslachten van de nakomelingen van Gad, overeenkomstig het aantal van hen die geteld waren: veertigduizend vijfhonderd.

19De zonen van Juda waren Er en Onan,

26:19
Gen. 38:7,10
46:12
maar Er en Onan waren in het land Kanaän gestorven.

20En dit waren de nakomelingen van Juda, ingedeeld naar hun geslachten: van Sela het geslacht van de Selanieten; van Perez het geslacht van de Perezieten; van Zerah het geslacht van de Zerahieten.

21En de nakomelingen van

26:21
Gen. 46:12
Perez waren: van Hezron het geslacht van de Hezronieten; van Hamul het geslacht van de Hamulieten.

22Dit waren de geslachten van Juda, overeenkomstig het aantal van hen die geteld waren: zesenzeventigduizend vijfhonderd.

23De nakomelingen van Issaschar, ingedeeld naar hun geslachten, waren: van Tola het geslacht van de Tolaïeten; van Pua het geslacht van de Punieten;

24van Jasub het geslacht van de Jasubieten; van Simron het geslacht van de Simronieten.

25Dit waren de geslachten van Issaschar, overeenkomstig het aantal van hen die geteld waren: vierenzestigduizend driehonderd.

26De nakomelingen van Zebulon, ingedeeld naar hun geslachten, waren: van Sered het geslacht van de Seredieten; van Elon het geslacht van de Elonieten; van Jahleël het geslacht van de Jahleëlieten.

27Dit waren de geslachten van de Zebulonieten, overeenkomstig het aantal van hen die geteld waren: zestigduizend vijfhonderd.

28De zonen van Jozef, ingedeeld naar hun geslachten, waren Manasse en Efraïm.

29De nakomelingen van Manasse waren:

26:29
Joz. 17:1
van Machir het geslacht van de Machirieten; en Machir verwekte Gilead; van Gilead was het geslacht van de Gileadieten.

30Dit zijn de nakomelingen van Gilead: van Jezer het geslacht van de Jezerieten; van Helek het geslacht van de Helekieten;

31van Asriël het geslacht van de Asriëlieten; en van Sechem het geslacht van de Sechemieten;

32en van Semida het geslacht van de Semidaïeten; en van Hefer het geslacht van de Heferieten.

33

26:33
Num. 27:1
Zelafead, de zoon van Hefer, had echter geen zonen, alleen dochters. De namen van de dochters van Zelafead waren: Machla, Noa, Hogla, Milka en Tirza.

34Dit waren de geslachten van Manasse en het aantal van hen die geteld waren: tweeënvijftigduizend zevenhonderd.

35Dit zijn de nakomelingen van Efraïm, ingedeeld naar hun geslachten: van Sutelah het geslacht van de Sutelahieten; van Becher het geslacht van de Becherieten; van Tahan het geslacht van de Tahanieten.

36En dit zijn de nakomelingen van Sutelah: van Eran het geslacht van de Eranieten.

37Dit waren de geslachten van de nakomelingen van Efraïm, overeenkomstig het aantal van hen die geteld waren: tweeëndertigduizend vijfhonderd. Dit waren de nakomelingen van Jozef, naar hun geslachten.

38De nakomelingen van Benjamin, ingedeeld naar hun geslachten: van Bela het geslacht van de Belaïeten; van Asbel het geslacht van de Asbelieten; van Ahiram het geslacht van de Ahiramieten;

39van Sefufam het geslacht van de Sufamieten; van Hufam het geslacht van de Hufamieten.

40En de zonen van Bela waren Ard en Naäman; van Ard het geslacht van de Ardieten; van Naäman het geslacht van de Naämieten.

41Dit waren de nakomelingen van Benjamin, ingedeeld naar hun geslachten, en het aantal van hen die geteld waren: vijfenveertigduizend zeshonderd.

42Dit zijn de nakomelingen van Dan, ingedeeld naar hun geslachten: van Suham het geslacht van de Suhamieten; dat zijn de geslachten van Dan, ingedeeld naar hun geslachten.

43Al de geslachten van de Suhamieten, overeenkomstig het aantal van hen die geteld waren, waren vierenzestigduizend vierhonderd man.

44De nakomelingen van Aser, ingedeeld naar hun geslachten, waren: van Imna het geslacht van de Imnaïeten; van Isvi het geslacht van de Isvieten; van Beria het geslacht van de Beriïeten.

45De nakomelingen van Beria waren: van Heber het geslacht van de Heberieten; van Malchiël het geslacht van de Malchiëlieten.

46De naam van de dochter van Aser was Serah.

47Dit waren de geslachten van de nakomelingen van Aser, overeenkomstig het aantal van hen die geteld waren: drieënvijftigduizend vierhonderd.

48De nakomelingen van Naftali, ingedeeld naar hun geslachten: van Jahzeël het geslacht van de Jahzeëlieten; van Guni het geslacht van de Gunieten;

49van Jezer het geslacht van de Jezerieten; van Sillem het geslacht van de Sillemieten.

50Dit waren de geslachten van Naftali, ingedeeld naar hun geslachten, en het aantal van hen die geteld waren: vijfenveertigduizend vierhonderd.

51Dit was het aantal van de nakomelingen van Israël die geteld waren: zeshonderdeenduizend zevenhonderddertig.

52En de HEERE sprak tot Mozes:

53Onder deze stammen moet het land als erfelijk bezit verdeeld worden, overeenkomstig het aantal namen.

54

26:54
Num. 33:54
Voor degenen die met velen zijn, moet u het erfelijk bezit groot maken en voor degenen die met weinigen zijn, moet u het erfelijk bezit minder groot maken; aan ieder moet zijn erfelijk bezit gegeven worden overeenkomstig degenen van hen die geteld zijn.

55Het land zal echter

26:55
Num. 33:54
Joz. 11:23
14:2
door het lot verdeeld worden; volgens de namen van de stammen van hun vaderen zullen zij het in erfelijk bezit nemen.

56Volgens het lot zal ieders erfelijk bezit tussen velen en weinigen in aantal verdeeld worden.

57

26:57
Ex. 6:16,17,18,19
Dit zijn degenen van Levi die geteld zijn, ingedeeld naar hun geslachten: van Gerson het geslacht van de Gersonieten; van Kahath het geslacht van de Kahathieten; van Merari het geslacht van de Merarieten.

58Dit zijn de geslachten van Levi: het geslacht van de Libnieten, het geslacht van de Hebronieten, het geslacht van de Mahelieten, het geslacht van de Musieten, het geslacht van de Korachieten. En Kahath verwekte Amram.

59

26:59
Ex. 2:1,2
6:19
En de naam van de vrouw van Amram was Jochebed, de dochter van Levi, die de vrouw van Levi baarde in Egypte. Jochebed baarde aan Amram Aäron, en Mozes, en Mirjam, hun zuster.

60En bij Aäron werden geboren Nadab en Abihu, Eleazar en Ithamar.

61

26:61
Lev. 10:2
Num. 3:4
1 Kron. 24:2
Maar Nadab en Abihu waren gestorven, toen zij vreemd vuur voor het aangezicht van de HEERE gebracht hadden.

62En het aantal van de Levieten die geteld waren, was drieëntwintigduizend, al wie mannelijk was, van een maand en daarboven. Dezen werden onder de Israëlieten niet meegeteld, omdat hun in het midden van de Israëlieten geen erfelijk bezit gegeven werd.

63Dit zijn zij die door Mozes en de priester Eleazar geteld waren, die de Israëlieten telden in de vlakten van Moab, aan de Jordaan, ter hoogte van Jericho.

64Onder hen was niemand meer van hen die door Mozes en de priester Aäron geteld waren, toen zij de Israëlieten telden in de woestijn Sinaï.

65

26:65
Num. 14:28,29,34,35
1 Kor. 10:5,6
Want de HEERE had tegen hen gezegd dat zij zeker in de woestijn zouden sterven; van hen was niemand overgebleven dan Kaleb, de zoon van Jefunne, en Jozua, de zoon van Nun.

27

De wet van het erfrecht

271Toen kwamen

27:1
Num. 26:33
36:2
Joz. 17:3
de dochters van Zelafead, de zoon van Hefer, de zoon van Gilead, de zoon van Machir, de zoon van Manasse, van de geslachten van Manasse, de zoon van Jozef, naar voren. Dit zijn de namen van zijn dochters: Machla, Noa, en Hogla, Milka en Tirza.

2Zij gingen staan voor Mozes en voor Eleazar, de priester, en voor de leiders en heel de gemeenschap, bij de ingang van de tent van ontmoeting, met het verzoek:

3Onze vader

27:3
Num. 14:35
26:64
is gestorven in de woestijn,
27:3
Num. 16:1
hoewel hijzelf niet behoorde tot de aanhang van hen die tegen de HEERE hadden samengespannen, tot de aanhang van Korach; hij is om zijn eigen zonde gestorven. Hij had echter geen zonen.

4Waarom zou de naam van onze vader uit het midden van zijn geslacht worden weggenomen, alleen maar omdat hij geen zoon had? Geef ons bezit te midden van de broers van onze vader.

5Mozes bracht hun rechtszaak voor het aangezicht van de HEERE.

6En de HEERE sprak tot Mozes:

7De dochters van Zelafead hebben gelijk;

27:7
Num. 36:2
u moet hun inderdaad een eigen erfelijk bezit geven, te midden van de broers van hun vader, en u moet het erfelijk bezit van hun vader op hen doen overgaan.

8En tegen de Israëlieten moet u zeggen: Wanneer iemand sterft en geen zoon heeft, dan moet u zijn erfelijk bezit op zijn dochter doen overgaan.

9En als hij geen dochter heeft, moet u zijn erfelijk bezit aan zijn broers geven.

10En als hij geen broers heeft, moet u zijn erfelijk bezit aan de broers van zijn vader geven.

11Als ook zijn vader geen broers heeft, moet u zijn erfelijk bezit aan zijn bloedverwant geven die uit zijn geslacht het nauwst aan hem verwant is, zodat die het in bezit neemt. Dit is voor de Israëlieten een rechtsverordening, zoals de HEERE Mozes geboden heeft.

Jozua als opvolger van Mozes aangewezen

12

27:12
Deut. 32:48,49
Daarna sprak de HEERE tot Mozes: Klim deze berg Abarim op, en bezie het land dat Ik de Israëlieten gegeven heb.

13Wanneer u het gezien hebt, zult ook u met uw voorgeslacht verenigd worden, net

27:13
Num. 20:24
als uw broer Aäron daarmee verenigd is.

14

27:14
Num. 20:12
Dat is omdat u Mijn bevel ongehoorzaam bent geweest in de woestijn Zin, tijdens de twist van de gemeenschap,
27:14
Num. 20:12
door Mij voor hun ogen niet te heiligen bij het water. Dat is het water van Meriba, ter hoogte van Kades, in de woestijn Zin.

15Toen sprak Mozes tot de HEERE:

16Laat de HEERE,

27:16
Num. 16:22
Hebr. 12:9
de God Die aan alle vlees de adem geeft, over deze gemeenschap een man aanstellen

17die voor hen uitgaat en die voor hen ingaat, en die hen doet uitgaan en die hen weer doet ingaan,

27:17
1 Kon. 22:17
Matt. 9:36
Mark. 6:34
opdat de gemeenschap van de HEERE niet zal zijn als schapen die geen herder hebben.

18Toen zei de HEERE tegen Mozes:

27:18
Deut. 3:21
Neem Jozua bij u, de zoon van Nun, een man
27:18
Deut. 34:9
in wie de Geest is, en leg uw hand op hem.

19Plaats hem voor de priester Eleazar en voor heel de gemeenschap, en draag voor hun ogen het bevel aan hem over.

20Leg een deel van uw waardigheid op hem. Dan zal heel de gemeenschap van de Israëlieten naar hem luisteren.

21En hij moet voor Eleazar, de priester, gaan staan, en die zal voor hem vragen

27:21
Ex. 28:30
Lev. 8:8
naar het oordeel van de urim, voor het aangezicht van de HEERE. Op zijn bevel zullen zij uitgaan en op zijn bevel zullen zij ingaan, hij, en al de Israëlieten met hem, heel de gemeenschap.

22Mozes deed zoals de HEERE hem geboden had: hij liet Jozua halen en plaatste hem voor Eleazar, de priester, en voor heel de gemeenschap.

23Hij legde hem zijn handen op en droeg hem het bevel over, zoals de HEERE door de dienst van Mozes27:23 de dienst van Mozes - Letterlijk: de hand van Mozes. gesproken had.

28

Wetten voor offers

281De HEERE sprak tot Mozes:

2Gebied de Israëlieten en zeg tegen hen: U moet zorg dragen voor Mijn offergave – Mijn voedsel voor Mijn vuuroffers, voor Mij een aangename geur – door Mij die op de ervoor vastgestelde tijd aan te bieden.

3U moet tegen hen zeggen: Dit is het vuuroffer dat u de HEERE moet aanbieden:

28:3
Ex. 29:38
elke dag twee lammeren van een jaar oud, zonder enig gebrek, als een voortdurend brandoffer.

4Het ene lam moet u 's morgens bereiden, het andere lam moet u tegen het vallen van de avond28:4 tegen … avond - Letterlijk: tussen twee avonden; zie ook vers 8. bereiden,

5

28:5
Ex. 16:36
met een tiende efa28:5 Een efa is een korenmaat van vermoedelijk tussen de 20 en 45 liter. meelbloem
28:5
Lev. 2:1
als graanoffer, gemengd met een kwart
28:5
Ex. 29:40
hin28:5 Een hin is vermoedelijk ongeveer 6 liter; zie ook het vervolg. gestoten olie.

6Het is het voortdurende brandoffer, dat op de berg Sinaï werd ingesteld als een aangename geur, een vuuroffer voor de HEERE.

7Het bijbehorende plengoffer moet een kwart hin zijn per lam; in het heiligdom moet u het plengoffer van sterkedrank voor de HEERE uitgieten.

8En het andere lam moet u tegen het vallen van de avond bereiden. U moet het bereiden zoals het ochtendgraanoffer en als het bijbehorende plengoffer, een vuuroffer van aangename geur voor de HEERE.

9Maar op de sabbatdag twee lammeren van een jaar oud, zonder enig gebrek, met twee tiende efa meelbloem als graanoffer, met olie gemengd, en het bijbehorende plengoffer.

10Het is het sabbatsbrandoffer voor elke sabbat, naast het voortdurende brandoffer en het bijbehorende plengoffer.

11Ook aan het begin van elke maand moet u de HEERE een brandoffer aanbieden: twee jonge stieren – de jongen van een rund – één ram en zeven lammeren van een jaar oud, zonder enig gebrek.

12Verder drie tiende efa meelbloem per jonge stier als graanoffer, met olie gemengd, en twee tiende efa meelbloem als graanoffer, met olie gemengd, per ram,

13en een tiende efa meelbloem per lam als graanoffer, met olie gemengd. Het is een brandoffer, een aangename geur, een vuuroffer voor de HEERE.

14En de bijbehorende plengoffers moeten zijn: een halve hin wijn bij de jonge stier, een derde hin bij de ram, en een kwart hin bij het lam. Dit is het maandelijkse brandoffer, voor elke maand van het jaar.

15En één geitenbok moet als zondoffer voor de HEERE worden bereid, naast het voortdurende brandoffer met het bijbehorende plengoffer.

Wetten voor de feesttijden

16

28:16
Ex. 12:18
23:15
Lev. 23:5
In de eerste maand, op de veertiende dag van de maand, is het Pascha voor de HEERE,

17en op de vijftiende dag van deze maand is het feest; zeven dagen moeten er ongezuurde broden gegeten worden.

18Op de

28:18
Lev. 23:7
eerste dag moet er een heilige samenkomst zijn; geen enkel dienstwerk mag u dan doen.

19Maar u moet een vuuroffer als brandoffer aan de HEERE aanbieden: twee jonge stieren – de jongen van een rund – één ram en zeven lammeren van een jaar oud. Ze moeten zonder enig gebrek zijn.

20En het bijbehorende graanoffer moet meelbloem zijn, met olie gemengd; drie tiende efa moet u bij de jonge stier doen, en twee tiende bij de ram.

21Een tiende efa per lam moet u bij de zeven lammeren doen.

22Vervolgens één bok als zondoffer om verzoening voor u te doen.

23Naast het morgenbrandoffer, dat tot voortdurend brandoffer dient, moet u deze dingen doen.

24Dienovereenkomstig moet u zeven dagen lang elke dag het voedsel van het vuuroffer bereiden als een aangename geur voor de HEERE; het moet bereid worden naast het voortdurende brandoffer, met het bijbehorende plengoffer.

25Op de zevende dag moet u een heilige samenkomst houden; geen enkel dienstwerk mag u dan doen.

26Ook op de dag van de eerstelingen, als u op uw Wekenfeest de HEERE een nieuw graanoffer aanbiedt, moet u een heilige samenkomst houden; geen enkel dienstwerk mag u dan doen.

27Dan moet u een brandoffer aanbieden, als een aangename geur voor de HEERE: twee jonge stieren – de jongen van een rund – één ram en zeven lammeren van een jaar oud,

28en het bijbehorende graanoffer van meelbloem, met olie gemengd: drie tiende efa per jonge stier, twee tiende per ram,

29en een tiende efa per lam bij de zeven lammeren.

30Vervolgens één geitenbok om verzoening voor u te doen.

31Naast het voortdurende brandoffer en het bijbehorende graanoffer moet u deze dingen doen. Ze moeten voor u zonder enig gebrek zijn, en vergezeld gaan van de bijbehorende plengoffers.