Herziene Statenvertaling (HSV)
24

Bileam zegent Israël nogmaals

241Toen Bileam zag dat het in de ogen van de HEERE goed was dat hij Israël zegende, ging hij niet, zoals de andere keren,24:1 zoals de andere keren - Letterlijk: zoals keer op keer. over op bezweringen, maar richtte hij zijn gezicht naar de woestijn.

2Toen Bileam zijn ogen opsloeg en Israël zag, gelegerd volgens zijn stammen, kwam de Geest van God over hem.

3Hij hief zijn spreuk aan en zei:

Bileam, de zoon van Beor, spreekt,

de man van wie de ogen geopend zijn, spreekt,

4hij die de woorden van God hoort, spreekt;

die het visioen van de Almachtige ziet,

terwijl hij neervalt met ontsloten ogen.

5Hoe goed zijn uw tenten, Jakob!

uw woningen, Israël!

6Als beekdalen strekken ze zich uit,

als tuinen aan een rivier;

de HEERE plantte ze als aloë's,

als ceders aan het water.

7Water stroomt uit zijn emmers,

zijn zaad krijgt veel water;

zijn koning wordt boven Agag verheven

en zijn koningschap verheft zich.

8God heeft hem uit Egypte geleid;

Hij is hem als de hoorns

24:8
Num. 23:22
van een wilde os.

Hij zal heidenvolken, zijn tegenstanders, verslinden;

hun beenderen zal hij breken,

en met zijn pijlen doorboren.

9

24:9
Gen. 49:9
Num. 23:24
Hij kromt zich, hij legt zich neer

als een leeuw, als een leeuwin; wie zal hem doen opstaan?

Wie u zegent, is gezegend,

wie u vervloekt, is vervloekt!

10Toen ontstak Balak in woede tegen Bileam, en hij sloeg zich in de handen. En Balak zei tegen Bileam: Ik heb u geroepen om mijn vijanden te vervloeken, maar zie, u hebt hen deze drie keer juist gezegend!

11Nu dan, maak dat u wegkomt, naar uw woonplaats! Ik had gezegd dat ik u met eer zou overladen, maar zie, de HEERE heeft de eer aan u onthouden.

12Toen zei Bileam tegen Balak: Heb ik zelfs niet tot uw boden, die u naar mij toe stuurde, gesproken:

13

24:13
Num. 22:18
Al zou Balak mij zijn huis vol zilver en goud geven, ik zal het bevel van de HEERE niet kunnen overtreden door uit eigen hart goed of kwaad te doen; wat de HEERE spreken zal, dat zal ik spreken.

14Nu dan, zie, ik ga terug naar mijn volk. Kom, ik zal u raad geven, en zeggen wat dit volk in later tijd24:14 in later tijd - Letterlijk: aan het einde van de dagen. uw volk zal aandoen.

15Toen hief hij zijn spreuk aan, en zei:

Bileam, de zoon van Beor, spreekt,

de man van wie de ogen geopend zijn, spreekt,

16hij die de woorden van God hoort, spreekt

en die de kennis van de Allerhoogste weet;

die het visioen van de Almachtige ziet,

terwijl hij neervalt met ontsloten ogen.

17Ik zal hem zien, maar niet nu;

ik zal hem aanschouwen, maar niet van nabij.

Er zal een ster uit Jakob voortkomen,

er zal een scepter uit Israël opkomen;

hij zal de flanken van Moab verbrijzelen

en alle zonen van Seth vernietigen.

18Edom zal bezit zijn

en Seïr zal bezit van zijn vijanden zijn,

maar Israël zal kracht uitoefenen.

19

24:19
2 Sam. 8:14
Uit Jakob zal hij heersen;

wie ontkomt uit de stad, zal hij ombrengen.

20Toen Bileam Amalek zag, hief hij zijn spreuk aan, en zei:

Amalek is de voornaamste van de heidenvolken,

maar zijn einde is dat hij ten onder gaat.

21Toen hij de Kenieten zag, hief hij zijn spreuk aan, en zei:

Uw woongebied staat vast,

uw nest is in de rots vastgezet.

22Toch zal Kaïn weggevaagd worden,

doordat Assur u als gevangenen wegvoert.

23En hij hief zijn spreuk aan, en zei:

Och, wie zal leven, als God dit doet!

24Van de kust van de Kittiërs komen schepen;

zij zullen Assur onderdrukken, ook Heber zullen zij onderdrukken,

maar ook zij zullen ten onder gaan.

25Toen stond Bileam op, ging op weg en keerde terug naar zijn woonplaats. Ook Balak ging zijns weegs.

25

Ontucht en afgoderij in Sittim

251

25:1
Num. 31:16
33:49
Israël verbleef in Sittim, en het volk begon hoererij te bedrijven met de dochters van Moab.

2

25:2
Ps. 106:28
Hos. 9:10
Die nodigden het volk uit bij de offers aan hun goden, en het volk at en boog zich voor hun goden neer.

3Toen Israël zich zo aan Baäl-Peor koppelde,

25:3
Ps. 106:29
ontbrandde de toorn van de HEERE tegen Israël.

4De HEERE zei tegen Mozes:

25:4
Deut. 4:3
Joz. 22:17
Neem alle hoofden van het volk en laat hen voor de HEERE in de volle zon25:4 in de volle zon - Letterlijk: tegenover de zon. ophangen, zodat de brandende toorn van de HEERE van Israël afgekeerd wordt.

5Toen zei Mozes tegen de rechters van Israël: Ieder moet zijn mannen doden die zich aan Baäl-Peor gekoppeld hebben.

6En zie, een man uit de Israëlieten kwam en bracht een Midianitische vrouw bij zijn broeders, voor de ogen van Mozes en voor de ogen van heel de gemeenschap van de Israëlieten, terwijl zij huilden bij de ingang van de tent van ontmoeting.

7Toen Pinehas, de zoon van Eleazar, de zoon van de priester Aäron, dat zag,

25:7
Ps. 106:30
stond hij op uit het midden van de gemeenschap, nam een speer in zijn hand,

8ging achter de Israëlitische man aan het slaapvertrek in, en doorstak hen beiden, zowel de Israëlitische man als de vrouw, door hun buik. Toen werd de plaag over de Israëlieten tot stilstand gebracht.

9

25:9
1 Kor. 10:8
Het aantal van hen die aan de plaag stierven, was vierentwintigduizend.

10Toen sprak de HEERE tot Mozes:

11Pinehas, de zoon van Eleazar, de zoon van de priester Aäron, heeft Mijn grimmigheid over de Israëlieten afgewend, doordat hij zich in hun midden

25:11
2 Kor. 11:2
met ijver voor Mij heeft ingezet, zodat Ik de Israëlieten niet in Mijn na-ijver vernietigd heb.

12Zeg daarom: Zie, Ik

25:12
Ps. 106:31
geef hem Mijn verbond van vrede:

13hij, en zijn nageslacht na hem, zullen het verbond van het eeuwige priesterschap hebben, omdat hij zich voor zijn God heeft ingezet en verzoening voor de Israëlieten heeft gedaan.

14De naam nu van de gedode Israëlitische man, die samen met de Midianitische vrouw gedood was, was Zimri, de zoon van Salu, een leider van een familie van de Simeonieten.

15En de naam van de gedode Midianitische vrouw was Kozbi, dochter van Zur; hij was stamhoofd van een familie in Midian.

16Verder sprak de HEERE tot Mozes:

17Behandel de Midianieten

25:17
Num. 31:2
als vijanden en versla hen.

18Want zij hebben

25:18
Openb. 18:6
u als vijanden behandeld, met hun listen, die zij listig tegen u beraamden, in het geval van Peor en in het geval van hun zuster Kozbi, de dochter van een leider van de Midianieten, die gedood is op de dag van de plaag, in het geval van Peor.

26

Telling van de strijdbare Israëlieten

261Het gebeurde nu na die plaag dat de HEERE tegen Mozes en tegen Eleazar, de zoon van de priester Aäron, zei:

2Neem het aantal op van heel de gemeenschap van de Israëlieten,

26:2
Num. 1:3
van twintig jaar oud en daarboven, naar hun families, ieder die in Israël met het leger uittrekt.

3Mozes dan en de priester Eleazar zeiden tegen hen, in de vlakten van Moab, aan de Jordaan, ter hoogte van Jericho:

4Neem het aantal op van twintig jaar en daarboven,

26:4
Num. 1:1,2,3
zoals de HEERE Mozes en de Israëlieten, die uit het land Egypte vertrokken waren, geboden had.

5Ruben

26:5
Gen. 46:9
Ex. 6:13
1 Kron. 5:1
was de eerstgeborene van Israël. De zonen van Ruben waren: Hanoch, van wie het geslacht van de Hanochieten afstamde; van Pallu het geslacht van de Palluïeten;

6van Hezron het geslacht van de Hezronieten; van Charmi het geslacht van de Charmieten.

7Dit waren de geslachten van de Rubenieten; en het aantal van hen die geteld waren, was drieënveertigduizend zevenhonderddertig.

8De zoon nu van Pallu was Eliab.

9De zonen van Eliab nu waren Nemuel, Dathan en Abiram.

26:9
Num. 16:1,2
Deze Dathan en Abiram waren afgevaardigden van de gemeenschap, die tegen Mozes en tegen Aäron in opstand waren gekomen, samen met de aanhang van Korach, toen die tegen de HEERE in opstand gekomen was.

10Maar de aarde had haar mond geopend en hen samen met Korach verzwolgen, toen zijn aanhang stierf, doordat het vuur tweehonderdvijftig mannen verteerd had. Zo waren zij tot een teken geworden.

11Maar de kinderen van Korach waren niet gestorven.

12De nakomelingen van Simeon, ingedeeld naar hun geslachten: van Nemuel het geslacht van de Nemuelieten; van Jamin het geslacht van de Jaminieten; van Jachin het geslacht van de Jachinieten;

13van Zerah het geslacht van de Zerahieten; van Saul het geslacht van de Saulieten.

14Dit waren de geslachten van de Simeonieten: tweeëntwintigduizend tweehonderd.

15De nakomelingen van Gad, ingedeeld naar hun geslachten: van Zefon het geslacht van de Zefonieten; van Haggi het geslacht van de Haggieten; van Suni het geslacht van de Sunieten;

16van Ozni het geslacht van de Oznieten; van Heri het geslacht van de Herieten;

17van Arod het geslacht van de Arodieten; van Areli het geslacht van de Arelieten.

18Dit waren de geslachten van de nakomelingen van Gad, overeenkomstig het aantal van hen die geteld waren: veertigduizend vijfhonderd.

19De zonen van Juda waren Er en Onan,

26:19
Gen. 38:7,10
46:12
maar Er en Onan waren in het land Kanaän gestorven.

20En dit waren de nakomelingen van Juda, ingedeeld naar hun geslachten: van Sela het geslacht van de Selanieten; van Perez het geslacht van de Perezieten; van Zerah het geslacht van de Zerahieten.

21En de nakomelingen van

26:21
Gen. 46:12
Perez waren: van Hezron het geslacht van de Hezronieten; van Hamul het geslacht van de Hamulieten.

22Dit waren de geslachten van Juda, overeenkomstig het aantal van hen die geteld waren: zesenzeventigduizend vijfhonderd.

23De nakomelingen van Issaschar, ingedeeld naar hun geslachten, waren: van Tola het geslacht van de Tolaïeten; van Pua het geslacht van de Punieten;

24van Jasub het geslacht van de Jasubieten; van Simron het geslacht van de Simronieten.

25Dit waren de geslachten van Issaschar, overeenkomstig het aantal van hen die geteld waren: vierenzestigduizend driehonderd.

26De nakomelingen van Zebulon, ingedeeld naar hun geslachten, waren: van Sered het geslacht van de Seredieten; van Elon het geslacht van de Elonieten; van Jahleël het geslacht van de Jahleëlieten.

27Dit waren de geslachten van de Zebulonieten, overeenkomstig het aantal van hen die geteld waren: zestigduizend vijfhonderd.

28De zonen van Jozef, ingedeeld naar hun geslachten, waren Manasse en Efraïm.

29De nakomelingen van Manasse waren:

26:29
Joz. 17:1
van Machir het geslacht van de Machirieten; en Machir verwekte Gilead; van Gilead was het geslacht van de Gileadieten.

30Dit zijn de nakomelingen van Gilead: van Jezer het geslacht van de Jezerieten; van Helek het geslacht van de Helekieten;

31van Asriël het geslacht van de Asriëlieten; en van Sechem het geslacht van de Sechemieten;

32en van Semida het geslacht van de Semidaïeten; en van Hefer het geslacht van de Heferieten.

33

26:33
Num. 27:1
Zelafead, de zoon van Hefer, had echter geen zonen, alleen dochters. De namen van de dochters van Zelafead waren: Machla, Noa, Hogla, Milka en Tirza.

34Dit waren de geslachten van Manasse en het aantal van hen die geteld waren: tweeënvijftigduizend zevenhonderd.

35Dit zijn de nakomelingen van Efraïm, ingedeeld naar hun geslachten: van Sutelah het geslacht van de Sutelahieten; van Becher het geslacht van de Becherieten; van Tahan het geslacht van de Tahanieten.

36En dit zijn de nakomelingen van Sutelah: van Eran het geslacht van de Eranieten.

37Dit waren de geslachten van de nakomelingen van Efraïm, overeenkomstig het aantal van hen die geteld waren: tweeëndertigduizend vijfhonderd. Dit waren de nakomelingen van Jozef, naar hun geslachten.

38De nakomelingen van Benjamin, ingedeeld naar hun geslachten: van Bela het geslacht van de Belaïeten; van Asbel het geslacht van de Asbelieten; van Ahiram het geslacht van de Ahiramieten;

39van Sefufam het geslacht van de Sufamieten; van Hufam het geslacht van de Hufamieten.

40En de zonen van Bela waren Ard en Naäman; van Ard het geslacht van de Ardieten; van Naäman het geslacht van de Naämieten.

41Dit waren de nakomelingen van Benjamin, ingedeeld naar hun geslachten, en het aantal van hen die geteld waren: vijfenveertigduizend zeshonderd.

42Dit zijn de nakomelingen van Dan, ingedeeld naar hun geslachten: van Suham het geslacht van de Suhamieten; dat zijn de geslachten van Dan, ingedeeld naar hun geslachten.

43Al de geslachten van de Suhamieten, overeenkomstig het aantal van hen die geteld waren, waren vierenzestigduizend vierhonderd man.

44De nakomelingen van Aser, ingedeeld naar hun geslachten, waren: van Imna het geslacht van de Imnaïeten; van Isvi het geslacht van de Isvieten; van Beria het geslacht van de Beriïeten.

45De nakomelingen van Beria waren: van Heber het geslacht van de Heberieten; van Malchiël het geslacht van de Malchiëlieten.

46De naam van de dochter van Aser was Serah.

47Dit waren de geslachten van de nakomelingen van Aser, overeenkomstig het aantal van hen die geteld waren: drieënvijftigduizend vierhonderd.

48De nakomelingen van Naftali, ingedeeld naar hun geslachten: van Jahzeël het geslacht van de Jahzeëlieten; van Guni het geslacht van de Gunieten;

49van Jezer het geslacht van de Jezerieten; van Sillem het geslacht van de Sillemieten.

50Dit waren de geslachten van Naftali, ingedeeld naar hun geslachten, en het aantal van hen die geteld waren: vijfenveertigduizend vierhonderd.

51Dit was het aantal van de nakomelingen van Israël die geteld waren: zeshonderdeenduizend zevenhonderddertig.

52En de HEERE sprak tot Mozes:

53Onder deze stammen moet het land als erfelijk bezit verdeeld worden, overeenkomstig het aantal namen.

54

26:54
Num. 33:54
Voor degenen die met velen zijn, moet u het erfelijk bezit groot maken en voor degenen die met weinigen zijn, moet u het erfelijk bezit minder groot maken; aan ieder moet zijn erfelijk bezit gegeven worden overeenkomstig degenen van hen die geteld zijn.

55Het land zal echter

26:55
Num. 33:54
Joz. 11:23
14:2
door het lot verdeeld worden; volgens de namen van de stammen van hun vaderen zullen zij het in erfelijk bezit nemen.

56Volgens het lot zal ieders erfelijk bezit tussen velen en weinigen in aantal verdeeld worden.

57

26:57
Ex. 6:16,17,18,19
Dit zijn degenen van Levi die geteld zijn, ingedeeld naar hun geslachten: van Gerson het geslacht van de Gersonieten; van Kahath het geslacht van de Kahathieten; van Merari het geslacht van de Merarieten.

58Dit zijn de geslachten van Levi: het geslacht van de Libnieten, het geslacht van de Hebronieten, het geslacht van de Mahelieten, het geslacht van de Musieten, het geslacht van de Korachieten. En Kahath verwekte Amram.

59

26:59
Ex. 2:1,2
6:19
En de naam van de vrouw van Amram was Jochebed, de dochter van Levi, die de vrouw van Levi baarde in Egypte. Jochebed baarde aan Amram Aäron, en Mozes, en Mirjam, hun zuster.

60En bij Aäron werden geboren Nadab en Abihu, Eleazar en Ithamar.

61

26:61
Lev. 10:2
Num. 3:4
1 Kron. 24:2
Maar Nadab en Abihu waren gestorven, toen zij vreemd vuur voor het aangezicht van de HEERE gebracht hadden.

62En het aantal van de Levieten die geteld waren, was drieëntwintigduizend, al wie mannelijk was, van een maand en daarboven. Dezen werden onder de Israëlieten niet meegeteld, omdat hun in het midden van de Israëlieten geen erfelijk bezit gegeven werd.

63Dit zijn zij die door Mozes en de priester Eleazar geteld waren, die de Israëlieten telden in de vlakten van Moab, aan de Jordaan, ter hoogte van Jericho.

64Onder hen was niemand meer van hen die door Mozes en de priester Aäron geteld waren, toen zij de Israëlieten telden in de woestijn Sinaï.

65

26:65
Num. 14:28,29,34,35
1 Kor. 10:5,6
Want de HEERE had tegen hen gezegd dat zij zeker in de woestijn zouden sterven; van hen was niemand overgebleven dan Kaleb, de zoon van Jefunne, en Jozua, de zoon van Nun.