Herziene Statenvertaling (HSV)
22

Balak ontbiedt Bileam

221Daarna braken de Israëlieten op en sloegen hun kamp op in de vlakten van Moab, aan deze zijde van de Jordaan, ter hoogte van Jericho.

2Balak, de zoon van Zippor, zag alles wat Israël met de Amorieten gedaan had.

3Daarom was Moab zeer bevreesd voor dit volk, want het was talrijk. Moab verkeerde in angst voor de Israëlieten.

4Toen zei Moab tegen de oudsten van Midian: Nu zal deze menigte alles wat rondom ons is, afgrazen, zoals een rund het groen van het veld afgraast. Balak, de zoon van Zippor, was in die tijd koning van Moab.

5Hij stuurde boden naar

22:5
Joz. 24:9
Bileam, de zoon van Beor, in Pethor, aan de rivier de Eufraat, in het land van zijn volksgenoten, om hem bij zich te laten roepen: Zie, er is een volk uit Egypte getrokken; zie, het heeft het oppervlak van het land bedekt, en het blijft recht tegenover mij liggen.

6Nu dan, kom toch, vervloek dit volk voor mij, want het is machtiger dan ik. Misschien kan ik het verslaan en kan ik het uit het land verdrijven, want ik weet: wie u zegent, is gezegend, en wie u vervloekt, is vervloekt.

7Toen gingen de oudsten van Moab en de oudsten van Midian op weg, en zij hadden het waarzeggersloon in hun hand. En zij kwamen bij Bileam en spraken tot hem de woorden van Balak.

8Toen zei hij tegen hen: Overnacht hier deze nacht en ik zal verslag aan u uitbrengen zoals de HEERE tot mij spreken zal. Toen bleven de vorsten van Moab bij Bileam.

9En God kwam tot Bileam en zei: Wie zijn die mannen die bij u zijn?

10Toen zei Bileam tegen God: Balak, de zoon van Zippor, de koning van Moab, heeft hen naar mij toe gestuurd met het verzoek:

11Zie, het volk dat uit Egypte getrokken is, heeft het oppervlak van het land bedekt. Kom nu, vervloek het voor mij. Misschien kan ik ertegen strijden en het verdrijven.

12Toen zei God tegen Bileam: U mag niet met hen meegaan, u mag dat volk niet vervloeken, want het is gezegend.

13De volgende morgen stond Bileam op en zei tegen de vorsten van Balak: Ga naar uw land, want de HEERE weigert mij toe te laten met u mee te gaan.

14Toen stonden de vorsten van Moab op en kwamen terug bij Balak. En zij zeiden: Bileam heeft geweigerd met ons mee te gaan.

15Maar Balak ging door met het sturen van vorsten, meer en aanzienlijker dan de eerste.

16Die kwamen bij Bileam en zeiden tegen hem: Dit zegt Balak, de zoon van Zippor: Laat u er toch niet van weerhouden naar mij toe te komen.

17Ja, ik zal u met grote eer overladen, en alles wat u tegen mij zegt, zal ik doen. Maar kom toch, vervloek dit volk voor mij!

18Toen antwoordde Bileam en zei tegen de dienaren van Balak:

22:18
Num. 24:13
Al zou Balak mij zijn huis vol zilver en goud geven, ik ben niet in staat het bevel van de HEERE, mijn God, te overtreden om iets te doen, klein of groot.

19Nu dan, blijft u toch ook deze nacht hier, opdat ik weet wat de HEERE verder tot mij spreken zal.

20God kwam 's nachts tot Bileam en zei tegen hem: Kwamen die mannen soms om u te ontbieden? Sta op, ga met hen mee, maar u mag alleen dat doen, wat Ik tot u spreken zal.

21De volgende morgen stond Bileam op, zadelde zijn ezelin en ging met de vorsten van Moab mee.

22De toorn van God ontbrandde echter, omdat hij op weg ging, en een engel van de HEERE ging hem in de weg staan als zijn tegenstander. Bileam reed op zijn ezelin, en twee van zijn knechten waren bij hem.

23Toen de

22:23
2 Petr. 2:16
ezelin de engel van de HEERE op de weg zag staan, met het getrokken zwaard in zijn hand, week de ezelin van de weg af en ging het veld in. Toen sloeg Bileam de ezelin om haar weer naar de weg terug te drijven.

24Maar de engel van de HEERE ging nu op een nauw pad tussen de wijngaarden staan, met een muur aan de ene en een muur aan de andere kant.

25Toen de ezelin de engel van de HEERE zag, drukte ze zich tegen de muur aan en drukte Bileams voet tegen de muur; daarom ging hij door met haar te slaan.

26De engel van de HEERE ging nog verder en ging op een nauwe plaats staan, waar geen weg was om naar rechts of links af te wijken.

27Toen de ezelin de engel van de HEERE zag, ging ze liggen, onder Bileam. Toen ontstak Bileam in woede en hij sloeg de ezelin met een stok.

28Toen opende de

22:28
2 Petr. 2:16
HEERE de mond van de ezelin en ze zei tegen Bileam: Wat heb ik u misdaan, dat u mij nu driemaal geslagen hebt?

29Toen zei Bileam tegen de ezelin: Omdat jij de spot met me drijft. Had ik maar een zwaard in mijn hand, dan zou ik je nu doden!

30De ezelin zei tegen Bileam: Ben ik niet uw ezelin, waarop u gereden hebt sinds u mijn heer werd, tot op deze dag? Was ik ooit gewend u zo te behandelen? Hij zei: Nee!

31Toen ontsloot de HEERE de ogen van Bileam, zodat hij de engel van de HEERE zag staan op de weg, met zijn uitgetrokken zwaard in zijn hand. En hij knielde en boog zich neer met zijn gezicht ter aarde.

32De engel van de HEERE zei tegen hem: Waarom hebt u uw ezelin nu driemaal geslagen? Zie, ik ben zelf uitgegaan als uw tegenstander,

22:32
2 Petr. 2:15
want deze weg wijkt van mij af.

33Maar de ezelin heeft mij gezien en driemaal is ze voor mij uitgeweken. Als ze niet voor mij was uitgeweken, zou ik u nu zeker hebben gedood, maar haar zou ik hebben laten leven.

34Toen zei Bileam tegen de engel van de HEERE: Ik heb gezondigd, want ik wist niet dat u hier stond om mij onderweg te ontmoeten; nu dan, als het slecht is in uw ogen, zal ik wel terugkeren.

35En de engel van de HEERE zei tegen Bileam: Ga met deze mannen mee, maar alleen het woord dat ik tot u spreken zal, mag u spreken. Daarop ging Bileam met de vorsten van Balak mee.

36Toen Balak hoorde dat Bileam kwam, ging hij hem tegemoet, tot aan de stad van Moab die in het gebied van de Arnon ligt, en wel aan de uiterste rand van het gebied.

37Balak zei tegen Bileam: Heb ik niet dringend boden naar u toe gestuurd om u te roepen? Waarom bent u niet naar mij toe gekomen? Ben ik werkelijk niet in staat u te eren?

38Toen zei Bileam tegen Balak: Zie, ik ben nu naar u toe gekomen; zal ik nu echter ook maar iets kunnen spreken? Het woord dat God mij in de mond legt, zal ik spreken.

39Bileam ging met Balak mee, en zij kwamen in Kirjath-Huzoth.

40Toen slachtte Balak runderen en schapen, en hij stuurde ervan naar Bileam en naar de vorsten die bij hem waren.

41De volgende morgen gebeurde het dat Balak Bileam meenam en hem op de Baälhoogten liet klimmen, zodat hij vandaar het uiterste deel van het volk kon zien.

23

Bileam zegent Israël

231Bileam zei tegen Balak: Bouw hier voor mij zeven altaren en bereid hier voor mij zeven jonge stieren en zeven rammen.

2Balak deed zoals Bileam gesproken had, en Balak en Bileam offerden een jonge stier en een ram, op elk altaar.

3Toen zei Bileam tegen Balak: Ga bij uw brandoffer staan. Ik zal weggaan, misschien zal de HEERE mij tegemoetkomen, en wat Hij mij tonen zal, zal ik u bekendmaken. Toen ging hij naar een kale hoogte.

4God ontmoette Bileam en die zei tegen Hem: Zeven altaren heb ik opgesteld en ik heb op elk altaar een jonge stier en een ram geofferd.

5Toen legde de HEERE het woord in de mond van Bileam, en zei: Keer terug naar Balak, en aldus moet u spreken.

6En hij keerde naar hem terug en zie, hij stond bij zijn brandoffer, hij en al de vorsten van Moab.

7Toen hief hij zijn spreuk aan en zei:

Uit Syrië heeft Balak, de koning van Moab, mij laten halen,

vanuit het bergland van het oosten:

Kom, vervloek mij Jakob,

kom, verwens Israël!

8Hoe kan ik vervloeken

wie God niet vervloekt,

hoe kan ik verwensen

wie de HEERE niet verwenst?

9Want vanaf de top van de rotsen zie ik hem,

vanaf de heuvels neem ik hem waar;

zie,

23:9
Deut. 33:28
dat volk woont afgezonderd,

onder de heidenvolken rekent het zich niet.

10Wie heeft het stof van Jakob geteld,

en het aantal, het vierde deel van Israël?

Moge mijn ziel de dood van de oprechten sterven

en mijn einde zijn als dat van hem.

11Toen zei Balak tegen Bileam: Wat doet u mij nu aan? Ik heb u hierheen laten halen om mijn vijanden te vervloeken, maar zie, u hebt hen juist gezegend!

12Hij antwoordde en zei: Zou ik dat wat de HEERE mij in de mond legt, niet nauwlettend uitspreken?

13Toen zei Balak tegen hem: Kom toch met mij mee naar een andere plaats, vanwaar u het volk kunt zien; slechts de uitlopers ervan kunt u zien, u kunt het niet helemaal zien. Vervloek het mij daarvandaan!

14Hij nam hem mee naar de vlakte van Zofim, naar de top van de Pisga. En hij bouwde zeven altaren, en hij offerde op elk altaar een jonge stier en een ram.

15Toen zei hij tegen Balak: Ga hier bij uw brandoffer staan, en ikzelf zal verderop God ontmoeten.

16De HEERE ontmoette Bileam

23:16
Num. 22:35
en legde hem een woord in zijn mond. En Hij zei: Keer naar Balak terug, en aldus moet u spreken.

17Hij kwam bij hem, en zie, hij stond bij zijn brandoffer, met de vorsten van Moab bij hem. En Balak zei tegen hem: Wat heeft de HEERE gesproken?

18Toen hief hij zijn spreuk aan en zei:

Sta op, Balak, luister;

hoor mij aan, zoon van Zippor.

19

23:19
1 Sam. 15:29
Jak. 1:17
God is geen man, dat Hij liegen zou,

of een mensenkind, dat Hij ergens berouw over hebben zou.

Zou Híj iets zeggen en het dan niet doen?

Zou Híj spreken en het niet gestand doen?

20Zie, ik kreeg opdracht om te zegenen:

als Hij zegent, kan ik het niet keren.

21Hij

23:21
Ps. 32:1,2
51:11
Jer. 50:20
Rom. 4:7
aanschouwt geen onrecht in Jakob;

ook ziet Hij geen kwaad in Israël aan.

De HEERE, zijn God, is met hem,

en de jubelklank van de Koning is bij hem.

22God heeft hen uit Egypte geleid;

23:22
Num. 24:8
Hij is hem als de hoorns van een wilde os.

23Want er bestaat geen bezwering tegen Jakob

of waarzeggerij tegen Israël.

Er wordt in deze tijd over Jakob gezegd,

en over Israël, wat God gedaan heeft.

24Zie, een volk, het staat op als een leeuwin,

als een leeuw richt het zichzelf op;

het gaat niet liggen, voordat het zijn prooi opgegeten heeft

en het bloed van zijn slachtoffers gedronken heeft.

25Toen zei Balak tegen Bileam: Als u het volk beslist niet wilt vervloeken, zegen het dan in ieder geval ook niet.

26Bileam antwoordde en zei tegen Balak: Heb ik niet tot u gesproken: Alles wat de HEERE zal spreken, dat zal ik doen?

27Daarop zei Balak tegen Bileam: Kom toch, ik zal u naar een andere plaats meenemen. Misschien is het goed in de ogen van die God dat u het daarvandaan voor mij vervloekt.

28Toen nam Balak Bileam mee naar de top van de Peor, die uitzicht heeft over de wildernis.

29En Bileam zei tegen Balak: Bouw hier voor mij zeven altaren en bereid hier voor mij zeven jonge stieren en zeven rammen.

30Balak deed wat Bileam gezegd had. Hij offerde op elk altaar een jonge stier en een ram.

24

Bileam zegent Israël nogmaals

241Toen Bileam zag dat het in de ogen van de HEERE goed was dat hij Israël zegende, ging hij niet, zoals de andere keren,24:1 zoals de andere keren - Letterlijk: zoals keer op keer. over op bezweringen, maar richtte hij zijn gezicht naar de woestijn.

2Toen Bileam zijn ogen opsloeg en Israël zag, gelegerd volgens zijn stammen, kwam de Geest van God over hem.

3Hij hief zijn spreuk aan en zei:

Bileam, de zoon van Beor, spreekt,

de man van wie de ogen geopend zijn, spreekt,

4hij die de woorden van God hoort, spreekt;

die het visioen van de Almachtige ziet,

terwijl hij neervalt met ontsloten ogen.

5Hoe goed zijn uw tenten, Jakob!

uw woningen, Israël!

6Als beekdalen strekken ze zich uit,

als tuinen aan een rivier;

de HEERE plantte ze als aloë's,

als ceders aan het water.

7Water stroomt uit zijn emmers,

zijn zaad krijgt veel water;

zijn koning wordt boven Agag verheven

en zijn koningschap verheft zich.

8God heeft hem uit Egypte geleid;

Hij is hem als de hoorns

24:8
Num. 23:22
van een wilde os.

Hij zal heidenvolken, zijn tegenstanders, verslinden;

hun beenderen zal hij breken,

en met zijn pijlen doorboren.

9

24:9
Gen. 49:9
Num. 23:24
Hij kromt zich, hij legt zich neer

als een leeuw, als een leeuwin; wie zal hem doen opstaan?

Wie u zegent, is gezegend,

wie u vervloekt, is vervloekt!

10Toen ontstak Balak in woede tegen Bileam, en hij sloeg zich in de handen. En Balak zei tegen Bileam: Ik heb u geroepen om mijn vijanden te vervloeken, maar zie, u hebt hen deze drie keer juist gezegend!

11Nu dan, maak dat u wegkomt, naar uw woonplaats! Ik had gezegd dat ik u met eer zou overladen, maar zie, de HEERE heeft de eer aan u onthouden.

12Toen zei Bileam tegen Balak: Heb ik zelfs niet tot uw boden, die u naar mij toe stuurde, gesproken:

13

24:13
Num. 22:18
Al zou Balak mij zijn huis vol zilver en goud geven, ik zal het bevel van de HEERE niet kunnen overtreden door uit eigen hart goed of kwaad te doen; wat de HEERE spreken zal, dat zal ik spreken.

14Nu dan, zie, ik ga terug naar mijn volk. Kom, ik zal u raad geven, en zeggen wat dit volk in later tijd24:14 in later tijd - Letterlijk: aan het einde van de dagen. uw volk zal aandoen.

15Toen hief hij zijn spreuk aan, en zei:

Bileam, de zoon van Beor, spreekt,

de man van wie de ogen geopend zijn, spreekt,

16hij die de woorden van God hoort, spreekt

en die de kennis van de Allerhoogste weet;

die het visioen van de Almachtige ziet,

terwijl hij neervalt met ontsloten ogen.

17Ik zal hem zien, maar niet nu;

ik zal hem aanschouwen, maar niet van nabij.

Er zal een ster uit Jakob voortkomen,

er zal een scepter uit Israël opkomen;

hij zal de flanken van Moab verbrijzelen

en alle zonen van Seth vernietigen.

18Edom zal bezit zijn

en Seïr zal bezit van zijn vijanden zijn,

maar Israël zal kracht uitoefenen.

19

24:19
2 Sam. 8:14
Uit Jakob zal hij heersen;

wie ontkomt uit de stad, zal hij ombrengen.

20Toen Bileam Amalek zag, hief hij zijn spreuk aan, en zei:

Amalek is de voornaamste van de heidenvolken,

maar zijn einde is dat hij ten onder gaat.

21Toen hij de Kenieten zag, hief hij zijn spreuk aan, en zei:

Uw woongebied staat vast,

uw nest is in de rots vastgezet.

22Toch zal Kaïn weggevaagd worden,

doordat Assur u als gevangenen wegvoert.

23En hij hief zijn spreuk aan, en zei:

Och, wie zal leven, als God dit doet!

24Van de kust van de Kittiërs komen schepen;

zij zullen Assur onderdrukken, ook Heber zullen zij onderdrukken,

maar ook zij zullen ten onder gaan.

25Toen stond Bileam op, ging op weg en keerde terug naar zijn woonplaats. Ook Balak ging zijns weegs.