Herziene Statenvertaling (HSV)
19

De verbrande rode koe en het reinigingswater

191De HEERE sprak tot Mozes en tot Aäron:

2Dit is de wetsverordening die de HEERE geboden heeft: Spreek tot de Israëlieten en zeg dat zij een rode koe zonder enig gebrek bij u moeten brengen, waaraan geen onvolkomenheid is, waarop nog geen juk gekomen is.

3U moet die aan de priester Eleazar geven, en men moet haar buiten brengen,

19:3
Hebr. 13:11,12
tot buiten het kamp, en haar voor zijn ogen slachten.

4En de priester Eleazar moet met zijn vinger een deel van haar

19:4
Hebr. 9:13
bloed nemen, en hij moet een deel van haar bloed zeven keer in de richting van de voorkant van de tent van ontmoeting sprenkelen.

5Men moet de koe voor zijn ogen verbranden.

19:5
Ex. 29:14
Lev. 4:11,12
Haar huid, haar vlees en haar bloed, met haar mest, moet men verbranden.

6De priester moet cederhout, hysop en karmozijn nemen, en moet dat midden in de brandende koe werpen.

7Dan moet de priester zijn kleding wassen, en zijn lichaam met water wassen, en daarna het kamp in gaan, en de priester is tot de avond onrein.

8Ook hij die haar verbrand heeft, moet zijn kleren met water wassen en zijn lichaam met water wassen, en hij is tot de avond onrein.

9En iemand die rein is, moet de as van de koe verzamelen en buiten het kamp op een reine plaats wegleggen. Die as is voor de gemeenschap van de Israëlieten om te bewaren, bestemd voor reinigingswater. Het is een middel tot ontzondiging.

10Hij die de as van de koe verzameld heeft, moet zijn kleren wassen, en hij is tot de avond onrein. Dit is voor de Israëlieten, en voor de vreemdeling die in hun midden verblijft, tot een eeuwige verordening.

11

19:11
Num. 31:19
Haggaï 2:14
Wie een dode, welk dood lichaam van een mens ook, aanraakt, die is zeven dagen onrein.

12Op de derde dag moet hij zichzelf met water ontzondigen, dan is hij op de zevende dag rein. Als hij zich echter op de derde dag niet ontzondigt, is hij op de zevende dag niet rein.

13Ieder die een dode, het dode lichaam van een mens die gestorven is, aanraakt, en zich niet ontzondigd heeft, die verontreinigt de tabernakel van de HEERE. Daarom moet die persoon uit Israël uitgeroeid worden. Omdat het reinigingswater niet op hem gesprenkeld is, is hij onrein en zijn onreinheid is nog in hem.

14Dit is de wet die geldt wanneer een mens in een tent gestorven is: ieder die deze tent in gaat en ieder die in deze tent aanwezig is, is zeven dagen onrein.

15Ook elk open vat, waaraan geen bedekking met een koord is vastgemaakt, is onrein.

16En ieder die in het open veld iemand die door het zwaard gevallen is, een dode, de beenderen van een mens of een graf aanraakt, is zeven dagen onrein.

17Voor zo'n onreine moet men wat van de as van het dier dat voor de ontzondiging verbrand is, nemen, en daarop in een vat bronwater19:17 bronwater - Letterlijk: levend water. gieten.

18En iemand die rein is, moet

19:18
Ps. 51:9
hysop nemen en die in dat water dopen, en dat moet hij op de tent sprenkelen, en op al de voorwerpen, en op de personen die daar aanwezig waren, ook op hem die de beenderen, de vermoorde, de dode of het graf aangeraakt heeft.

19Degene die rein is, moet degene die onrein is, op de derde dag en op de zevende dag besprenkelen, en op de zevende dag moet hij hem ontzondigen. Dan moet hij zijn kleren wassen en zich met water wassen en is hij 's avonds rein.

20Wie daarentegen onrein is en zich niet ontzondigt, die persoon moet uit het midden van de gemeente uitgeroeid worden, want hij heeft het heiligdom van de HEERE verontreinigd, het reinigingswater is niet op hem gesprenkeld: hij is onrein.

21Het is voor hen een eeuwige verordening. Hij die het reinigingswater sprenkelt, moet zijn kleren wassen. Ook hij die het reinigingswater aanraakt, is tot de avond onrein.

22Ja, alles wat een onreine aanraakt, is onrein. Ook de persoon die dat aanraakt, is tot de avond onrein.

20

Mirjam sterft

201De Israëlieten kwamen in de woestijn Zin, heel de gemeenschap, in de eerste maand, en het volk bleef in Kades. Daar stierf Mirjam, en zij werd er begraven.

Het water van Meriba

2Maar er was voor de gemeenschap geen water. Toen kwamen zij bijeen tegen Mozes en tegen Aäron.

3En het volk kreeg onenigheid met Mozes. Zij zeiden: Hadden wij maar de geest gegeven, toen

20:3
Num. 16:32,49
onze broeders voor het aangezicht van de HEERE de geest gaven!

4En waarom hebt u de gemeente van de HEERE in deze woestijn gebracht? Om hier te sterven, wij en ons vee?

5En waarom hebt u ons uit Egypte laten vertrekken? Om ons op deze ellendige plaats te brengen? Het is geen plaats voor zaaigoed, evenmin voor vijgenbomen, wijnstokken en granaatappels. Ook is er geen water om te drinken.

6Toen gingen Mozes en Aäron van de gemeente weg naar de ingang van de tent van ontmoeting, en zij wierpen zich met hun gezicht ter aarde. En de heerlijkheid van de HEERE verscheen hun.

7De HEERE sprak tot Mozes:

8Neem de staf en roep de gemeenschap bijeen, u en Aäron, uw broer, en spreek voor hun ogen tot de rots, en die zal zijn water geven.

20:8
Neh. 9:15
Ps. 78:15,16
105:41
114:8
Zo zult u water voor hen voortbrengen uit de rots, en u zult de gemeenschap en hun vee laten drinken.

9Toen nam Mozes de staf van voor het aangezicht van de HEERE, zoals Hij hem geboden had.

10En Mozes en Aäron riepen de gemeente voor de rots bijeen,

20:10
Ps. 106:32,33
en hij zei tegen hen: Luister toch, ongehoorzamen,
20:10
Deut. 32:51
zullen wij voor u uit deze rots water voortbrengen?

11Toen hief Mozes zijn hand op en hij sloeg de rots twee keer met zijn staf,

20:11
Ps. 78:15
105:41
Jes. 48:21
1 Kor. 10:4
en er kwam veel water uit,
20:11
Jes. 43:20
zodat de gemeenschap en hun vee konden drinken.

12Maar de HEERE zei tegen Mozes en tegen Aäron:

20:12
Num. 27:14
Deut. 1:37
Omdat u niet in Mij geloofd hebt, en Mij voor de ogen van de Israëlieten niet geheiligd hebt, zult u deze gemeente niet in het land brengen dat Ik hun gegeven heb.

13Dit is het water van Meriba, waar de Israëlieten de HEERE ter verantwoording riepen, en waar Hij onder hen geheiligd werd.

De Edomieten weigeren Mozes de doortocht

14En Mozes stuurde uit Kades boden naar de koning van Edom, met de boodschap:

20:14
Deut. 23:7
Dit zegt uw broeder Israël: U weet zelf van al de moeite die ons getroffen heeft,

15dat onze vaderen naar Egypte vertrokken zijn, en dat wij vele dagen in Egypte gewoond hebben, en dat de Egyptenaren ons en onze vaderen kwaad gedaan hebben.

16Toen

20:16
Ex. 2:23
riepen wij tot de HEERE. Hij hoorde onze stem, en Hij
20:16
Ex. 14:19
zond een Engel, en Hij leidde ons uit Egypte. En zie, wij zijn in Kades, een stad aan het uiterste van uw grens.

17Laat ons toch door uw land trekken. Wij zullen niet door akkers of wijngaarden trekken, en wij zullen geen water uit een put drinken. Wij zullen de koninklijke weg nemen, wij zullen niet naar rechts of naar links afwijken, totdat wij door uw gebied getrokken zijn.

18Maar Edom zei tegen hem: U mag niet door mijn land trekken, anders ga ik u met het zwaard tegemoet!

19Toen zeiden de Israëlieten tegen hem: Wij zullen langs de hoofdweg trekken, en als wij van uw water drinken, ik en mijn vee, dan zal ik daarvoor de prijs betalen. Ik wil alleen maar te voet doortrekken, meer niet.

20Maar hij zei: U mag er niet doortrekken! En Edom trok eropuit, hem tegemoet, met een zwaar bewapend volk, en met sterke hand.

21Zo weigerde Edom toestemming aan Israël om door zijn gebied te trekken en daarom

20:21
Richt. 11:18
week Israël van hem af.

Aäron sterft

22Toen braken de Israëlieten van Kades op

20:22
Num. 33:37
en zij kwamen, heel de gemeenschap, bij de berg Hor.

23En de HEERE zei tegen Mozes en tegen Aäron, bij de berg Hor, aan de grens van het land van Edom:

24Aäron zal met zijn voorgeslacht verenigd worden, want hij zal niet in het land komen dat Ik aan de Israëlieten gegeven heb, omdat u bij het water van Meriba ongehoorzaam bent geweest aan Mijn bevel.

25

20:25
Num. 33:38
Deut. 32:50
Neem Aäron en Eleazar, zijn zoon, en laat hen de berg Hor opklimmen.

26En trek Aäron zijn kleding uit en trek ze Eleazar, zijn zoon, aan, want Aäron zal met zijn voorgeslacht verenigd worden en daar sterven.

27Mozes deed zoals de HEERE geboden had: zij klommen de berg Hor op, voor de ogen van heel de gemeenschap.

28En Mozes trok Aäron zijn kleding uit, en hij trok ze zijn zoon Eleazar aan.

20:28
Deut. 10:6
32:50
En Aäron stierf daar, op de top van de berg. Mozes daalde van de berg af, met Eleazar.

29Toen heel de gemeenschap zag dat Aäron de geest gegeven had, beweenden zij Aäron dertig dagen, heel het huis van Israël.

21

De koperen slang

211Toen de Kanaäniet, de koning van Harad, die in het Zuiderland woonde, hoorde dat Israël langs de weg van Atharim kwam, bond hij de strijd aan met Israël, en hij voerde enigen uit hen als gevangenen weg.

2Toen deed Israël de HEERE een gelofte en zei: Als U dit volk helemaal in mijn hand geeft, zal ik hun steden met de ban slaan.

3En de HEERE luisterde naar de stem van Israël en gaf de Kanaänieten in zijn hand. Hij sloeg hen en hun steden met de ban, en hij gaf die plaats de naam Horma.21:3 Horma betekent: ban.

4Toen trokken zij van de berg Hor in de richting van de Schelfzee. Ze moesten namelijk om het land van Edom heen trekken, maar onderweg kon de ziel van het volk het niet langer verdragen.21:4 kon … niet langer verdragen - Letterlijk: werd … verkort.

5Het volk sprak tot God en tot Mozes: Waarom hebt u ons uit Egypte laten vertrekken om te sterven in de woestijn? Want hier is geen brood, ook geen water, en

21:5
Num. 11:6
onze ziel heeft een afkeer van dit waardeloze brood.

6Toen zond

21:6
1 Kor. 10:9
de HEERE gifslangen onder het volk; die beten het volk, en er stierf veel volk uit Israël.

7En het volk kwam naar Mozes toe. Zij zeiden: Wij hebben gezondigd, want wij hebben tegen de HEERE en tegen u gesproken. Bid tot de HEERE dat Hij de slangen van ons wegneemt. Toen bad Mozes voor het volk.

8En de HEERE zei tegen Mozes: Maak u een gifslang en zet hem op een staak. Het zal gebeuren

21:8
Joh. 3:14
dat ieder die gebeten is, in leven zal blijven, als hij daarnaar kijkt.

9

21:9
2 Kon. 18:4
Joh. 3:14
Toen maakte Mozes een koperen slang en zette hem op de staak. En het gebeurde als de slang iemand beet dat hij naar de koperen slang keek en in leven bleef.

Verschillende tochten van het volk Israël

10

21:10
Num. 33:43
Toen braken de Israëlieten op en zij sloegen hun kamp op in Oboth.

11Daarna braken zij op vanuit Oboth en sloegen hun kamp op bij de ruïnes van Abarim, in de woestijn die ten oosten van Moab ligt, waar de zon opkomt.

12Vandaar braken zij op en sloegen hun kamp op in het beekdal van Zered.

13Vandaar braken zij op en sloegen hun kamp op aan deze kant van de Arnon, die in de woestijn stroomt en uit het gebied van de Amorieten komt,

21:13
Richt. 11:18
want de Arnon is de grens van Moab, tussen Moab en de Amorieten.

14Daarom wordt er gezegd in het boek van de oorlogen van de HEERE:

Waheb in Sufa, en de dalen van de Arnon,

15en de helling van de dalen,

die zich uitstrekt tot de nederzetting Ar

en aan het gebied van Moab grenst.

16Vandaar reisden zij naar Beër. Dat is de bron waarvan de HEERE tegen Mozes zei: Verzamel het volk en Ik zal hun water geven.

17Toen zong Israël dit lied:

Spring op, put,

zing ervan in beurtzang!

18Put, die de vorsten gegraven hebben,

die de edelen van het volk gedolven hebben,

met een scepter, met hun staven.

Van de woestijn reisden zij naar Mattana,

19van Mattana naar Nahaliël, van Nahaliël naar Bamoth,

20en van Bamoth naar het dal dat in het veld van Moab ligt, bij de top van de Pisga, en dat uitziet over de wildernis.

Israël verslaat Sihon en Og

21

21:21
Deut. 2:26
Richt. 11:19
Toen stuurde Israël boden naar Sihon, de koning van de Amorieten, met het verzoek:

22Laat mij door uw land trekken.

21:22
Num. 20:17
Wij zullen niet afwijken door akkers of wijngaarden. Wij zullen het water uit de putten niet drinken. Wij zullen langs de koninklijke weg gaan, totdat wij uw gebied doorgetrokken zijn.

23

21:23
Deut. 2:30
29:7
Joz. 24:8
Richt. 11:20
Sihon stond Israël echter niet toe door zijn gebied te trekken, maar Sihon verzamelde al zijn volk en trok uit, Israël tegemoet, naar de woestijn. Toen kwam hij in Jahza en bond de strijd aan met Israël.

24

21:24
Deut. 2:33
29:7
Joz. 12:2
24:8
Richt. 11:21
Maar Israël sloeg hem met de scherpte van het zwaard en
21:24
Ps. 135:11,12
136:19
Amos 2:9
nam zijn land in bezit, van de Arnon tot de Jabbok,
21:24
Deut. 2:37
tot aan het gebied van de Ammonieten, want het gebied van de Ammonieten was versterkt.

25

21:25
Deut. 2:34,35
Zo nam Israël al deze steden in, en Israël woonde in al de steden van de Amorieten, in Hesbon en in al de bijbehorende plaatsen.

26Want Hesbon was de hoofdstad van Sihon, de koning van de Amorieten. Hij had de strijd aangebonden met de vorige koning van Moab en had al zijn land uit zijn hand genomen, tot aan de Arnon.

27Daarom zeggen de dichters:

Kom naar Hesbon, bouw

en versterk de stad van Sihon.

28Want er is een vuur uitgegaan uit Hesbon,

een vlam uit de stad van Sihon;

het heeft Ar van Moab verteerd,

de bezitters van Arnons hoogten.

29Wee u, Moab,

u bent verloren, volk van

21:29
1 Kon. 11:7,33
Kamos!

Hij moest zijn zonen als vluchtelingen,

en zijn dochters in gevangenschap overgeven

aan Sihon, de koning van de Amorieten.

30Wij hebben hen neergeveld.

Verloren is Hesbon, tot aan Dibon toe;

wij hebben hen verwoest tot aan Nofat,

dat tot aan Medeba reikt.

31Zo woonde Israël in het land van de Amoriet.

32Daarna stuurde Mozes mannen om Jaëzer te verkennen. Zij namen de bijbehorende plaatsen in, en hij verdreef de Amorieten die er woonden.

33Toen keerden zij zich om en vertrokken in de richting van Basan.

21:33
Deut. 3:1
29:7
En Og, de koning van Basan, trok uit hun tegemoet, hij en al zijn volk, tot de strijd, in Edreï.

34Maar de HEERE zei tegen Mozes: Wees niet bevreesd voor hem, want Ik heb hem in uw hand gegeven, en al zijn volk, ook zijn land.

21:34
Ps. 136:20
U moet met hem doen zoals u gedaan hebt met Sihon, de koning van de Amorieten, die in Hesbon woonde.

35En zij versloegen

21:35
Ps. 136:20,21,22
hem, zijn zonen, en al zijn volk, zodat van hem niemand overbleef. En zij namen zijn land in bezit.