Herziene Statenvertaling (HSV)
1

Telling van de weerbare mannen

11De HEERE sprak tot Mozes in de woestijn Sinaï, in de tent van ontmoeting, op de eerste dag van de tweede maand, in het tweede jaar nadat zij uit het land Egypte waren vertrokken:

2

1:2
Ex. 30:12
Neem het aantal op van heel de gemeenschap van de Israëlieten, ingedeeld naar hun geslachten en naar hun families, overeenkomstig het aantal namen, al wie mannelijk is, hoofd voor hoofd.

3Het gaat om ieder in Israël die met het leger uittrekt, van twintig jaar oud en daarboven. Die moet u tellen, ingedeeld naar hun legers, u en Aäron.

4Van elke stam moet er een man bij u zijn die hoofd van zijn familie is.

5Dit zijn de namen van de mannen die bij u moeten staan: van Ruben Elizur, de zoon van Sedeür,

6van Simeon Selumiël, de zoon van Zurisaddai,

7van Juda Nahesson, de zoon van Amminadab,

8van Issaschar Nethaneël, de zoon van Zuar,

9van Zebulon Eliab, de zoon van Helon.

10Van de nakomelingen van Jozef: van Efraïm Elisama, de zoon van Ammihud, van Manasse Gamaliël, de zoon van Pedazur.

11Van Benjamin Abidan, de zoon van Gideoni,

12van Dan Ahiëzer, de zoon van Ammisaddai,

13van Aser Pagiël, de zoon van Ochran,

14van Gad Eljasaf, de zoon van Dehuel,

15van Naftali Ahira, de zoon van Enan.

16Dat waren afgevaardigden van de gemeenschap, leiders van de stammen van hun vaderen; zij waren de hoofden van de duizenden van Israël.

17Toen namen Mozes en Aäron deze mannen, die met hun namen aangewezen waren,

18en zij riepen heel de gemeenschap bijeen, op de eerste dag van de tweede maand. En hoofd voor hoofd lieten zij die twintig jaar oud of daarboven waren, zich naar hun afkomst inschrijven, naar hun geslachten en naar hun families, overeenkomstig het aantal namen.

19Zoals de HEERE Mozes geboden had, telde hij hen in de woestijn Sinaï.

20De zonen van Ruben, de eerstgeborene van Israël, hun afstammelingen, waren er, ingedeeld naar hun geslachten en naar hun families, overeenkomstig het aantal namen, hoofd voor hoofd, al wie mannelijk was, van twintig jaar oud en daarboven, allen die met het leger uittrokken,

21zij die geteld waren uit de stam Ruben: zesenveertigduizend vijfhonderd.

22Van de zonen van Simeon, hun afstammelingen, ingedeeld naar hun geslachten en naar hun families, degenen van hen die geteld waren overeenkomstig het aantal namen, hoofd voor hoofd, al wie mannelijk was, van twintig jaar oud en daarboven, allen die met het leger uittrokken,

23zij die geteld waren uit de stam Simeon: negenenvijftigduizend driehonderd.

24Van de zonen van Gad, hun afstammelingen, ingedeeld naar hun geslachten en naar hun families, overeenkomstig het aantal namen, van twintig jaar oud en daarboven, allen die met het leger uittrokken,

25zij die geteld waren uit de stam Gad: vijfenveertigduizend zeshonderdvijftig.

26Van de zonen van Juda, hun afstammelingen, ingedeeld naar hun geslachten en naar hun families, overeenkomstig het aantal namen, van twintig jaar oud en daarboven, allen die met het leger uittrokken,

27zij die geteld waren uit de stam Juda: vierenzeventigduizend zeshonderd.

28Van de zonen van Issaschar, hun afstammelingen, ingedeeld naar hun geslachten en naar hun families, overeenkomstig het aantal namen, van twintig jaar oud en daarboven, allen die met het leger uittrokken,

29zij die geteld waren uit de stam Issaschar: vierenvijftigduizend vierhonderd.

30Van de zonen van Zebulon, hun afstammelingen, ingedeeld naar hun geslachten en naar hun families, overeenkomstig het aantal namen, van twintig jaar oud en daarboven, allen die met het leger uittrokken,

31zij die geteld waren uit de stam Zebulon: zevenenvijftigduizend vierhonderd.

32Van de zonen van Jozef: de zonen van Efraïm, hun afstammelingen, ingedeeld naar hun geslachten en naar hun families, overeenkomstig het aantal namen, van twintig jaar oud en daarboven, allen die met het leger uittrokken,

33zij die geteld waren uit de stam Efraïm: veertigduizend vijfhonderd.

34Van de zonen van Manasse, hun afstammelingen, ingedeeld naar hun geslachten en naar hun families, overeenkomstig het aantal namen, van twintig jaar oud en daarboven, allen die met het leger uittrokken,

35zij die geteld waren uit de stam Manasse: tweeëndertigduizend tweehonderd.

36Van de zonen van Benjamin, hun afstammelingen, ingedeeld naar hun geslachten en naar hun families, overeenkomstig het aantal namen, van twintig jaar oud en daarboven, allen die met het leger uittrokken,

37zij die geteld waren uit de stam Benjamin: vijfendertigduizend vierhonderd.

38Van de zonen van Dan, hun afstammelingen, ingedeeld naar hun geslachten en naar hun families, overeenkomstig het aantal namen, van twintig jaar oud en daarboven, allen die met het leger uittrokken,

39zij die geteld waren uit de stam Dan: tweeënzestigduizend zevenhonderd.

40Van de zonen van Aser, hun afstammelingen, ingedeeld naar hun geslachten en naar hun families, overeenkomstig het aantal namen, van twintig jaar oud en daarboven, allen die met het leger uittrokken,

41zij die geteld waren uit de stam Aser: eenenveertigduizend vijfhonderd.

42Van de zonen van Naftali, hun afstammelingen, ingedeeld naar hun geslachten en naar hun families, overeenkomstig het aantal namen, van twintig jaar oud en daarboven, allen die met het leger uittrokken,

43zij die geteld waren uit de stam Naftali: drieënvijftigduizend vierhonderd.

44Dit waren degenen die Mozes telde, samen met Aäron en de leiders van Israël, twaalf mannen waren er, één man namens zijn familie.

45Allen van de Israëlieten die geteld waren, allen die met het leger uittrokken in Israël, naar hun familie, van twintig jaar oud en daarboven;

46allen die geteld waren, waren

1:46
Ex. 38:26
zeshonderddrieduizend vijfhonderdvijftig man.

De Levieten vrijgesteld

47Maar de Levieten uit de stam van hun vaderen werden onder hen niet meegeteld,

48want de HEERE had tot Mozes gesproken:

49Alleen de stam Levi mag u niet meetellen en hun aantal mag u niet onder de Israëlieten opnemen.

50Wat u betreft, stel de Levieten aan over de tabernakel van de getuigenis en over alle bijbehorende voorwerpen, ja, over alles wat erbij hoort. Zíj moeten de tabernakel en alle bijbehorende voorwerpen dragen. Zíj moeten dienen, en zij moeten hun kamp rondom de tabernakel opslaan.

51En wanneer de tabernakel moet opbreken, dienen de Levieten hem uit elkaar te nemen, en wanneer de tabernakel halt moet houden, dienen de Levieten hem weer op te bouwen. En de onbevoegde die te dichtbij komt, moet ter dood gebracht worden.

52De Israëlieten moeten hun kamp opslaan, ieder bij zijn eigen kamp en ieder bij zijn eigen vaandel, ingedeeld overeenkomstig hun legers,

53maar de Levieten moeten hun kamp opslaan rondom de tabernakel van de getuigenis; dan zal er geen grote toorn op de gemeenschap van de Israëlieten komen. Zo moeten de Levieten de voorschriften met betrekking tot de tabernakel van de getuigenis in acht nemen.

54De Israëlieten deden het. Overeenkomstig alles wat de HEERE Mozes geboden had, zo deden zij.

2

De opstelling van de stammen

21De HEERE sprak tot Mozes en tot Aäron:

2De Israëlieten moeten hun kamp opslaan, ieder bij zijn vaandel, bij de herkenningstekens die behoren bij hun familie; zij moeten op enige afstand hun kamp opslaan rondom de tent van ontmoeting.

3Zij dan die hun kamp opslaan in oostelijke richting, waar de zon opkomt, vallen onder het vaandel van het kamp van Juda, ingedeeld naar hun legers. De leider nu van de nakomelingen van Juda was Nahesson, de zoon van Amminadab.

4En zijn leger, namelijk zij die getelden waren, bestond uit vierenzeventigduizend zeshonderd man.

5En de stam Issaschar moet naast hem zijn kamp opslaan. De leider nu van de nakomelingen van Issaschar was Nethaneël, de zoon van Zuar.

6En zijn leger, namelijk zij die getelden waren, bestond uit vierenvijftigduizend vierhonderd man.

7Dan de stam Zebulon. De leider nu van de nakomelingen van Zebulon was Eliab, de zoon van Helon.

8En zijn leger, namelijk zij die getelden waren, bestond uit zevenenvijftigduizend vierhonderd man.

9Allen die geteld waren van het kamp van Juda waren honderdzesentachtigduizend vierhonderd man, ingedeeld naar hun legers. Zij moeten als eerste opbreken.

10Het vaandel van het kamp van Ruben zal, ingedeeld naar hun legers, aan de zuidkant zijn. De leider nu van de nakomelingen van Ruben was Elizur, de zoon van Sedeür.

11En zijn leger, namelijk zij die getelden waren, bestond uit zesenveertigduizend vijfhonderd man.

12En de stam Simeon moet naast hem zijn kamp opslaan. De leider nu van de nakomelingen van Simeon was Selumiël, de zoon van Zurisaddai.

13En zijn leger, namelijk zij die getelden waren, bestond uit negenenvijftigduizend driehonderd man.

14Dan de stam Gad. De leider nu van de nakomelingen van Gad was Eljasaf, de zoon van Rehuel.

15En zijn leger, namelijk zij die getelden waren, bestond uit vijfenveertigduizend zeshonderdvijftig man.

16Allen die geteld waren van het kamp van Ruben waren honderdeenenvijftigduizend vierhonderdvijftig man, ingedeeld naar hun legers. Zij moeten als tweede opbreken.

17Daarna moet de tent van ontmoeting opbreken, met het kamp van de Levieten, in het midden van de andere kampen. Zoals zij hun kamp opslaan, zo moeten zij opbreken, ieder op zijn eigen plaats, bij hun vaandels.

18Het vaandel van het kamp van Efraïm moet, ingedeeld naar hun legers, aan de westkant het kamp opslaan. De leider nu van de nakomelingen van Efraïm was Elisama, de zoon van Ammihud.

19En zijn leger, namelijk zij die getelden waren, bestond uit veertigduizend vijfhonderd man.

20En de stam Manasse moet naast hem zijn kamp opslaan. De leider nu van de nakomelingen van Manasse was Gamaliël, de zoon van Pedazur.

21En zijn leger, namelijk zij die getelden waren, bestond uit tweeëndertigduizend tweehonderd man.

22Dan de stam Benjamin. De leider nu van de nakomelingen van Benjamin was Abidan, de zoon van Gideoni.

23En zijn leger, namelijk zij die getelden waren, bestond uit vijfendertigduizend vierhonderd man.

24Allen die geteld waren van het kamp van Efraïm waren honderdachtduizend en honderd man, ingedeeld naar hun legers. Zij moeten als derde opbreken.

25Het vaandel van het kamp van Dan moet, ingedeeld naar hun legers, aan de noordkant zijn kamp opslaan. De leider nu van de nakomelingen van Dan was Ahiëzer, de zoon van Ammisaddai.

26En zijn leger, namelijk zij die getelden waren, bestond uit tweeënzestigduizend zevenhonderd man.

27En de stam Aser moet naast hem zijn kamp opslaan. De leider nu van de nakomelingen van Aser was Pagiël, de zoon van Ochran.

28En zijn leger, namelijk zij die getelden waren, bestond uit eenenveertigduizend vijfhonderd man.

29Dan de stam Naftali. De leider nu van de nakomelingen van Naftali was Ahira, de zoon van Enan.

30En zijn leger, namelijk zij die getelden waren, bestond uit drieënvijftigduizend vierhonderd man.

31Alle getelden van het kamp van Dan waren honderdzevenenvijftigduizend zeshonderd man. Zij moeten als laatste opbreken, bij hun vaandels.

32Dit waren de getelden van de Israëlieten, ingedeeld naar hun familie; alle getelden van de kampen, ingedeeld naar hun legers, waren

2:32
Ex. 38:26
Num. 1:46
zeshonderddrieduizend vijfhonderdvijftig man.

33Maar de Levieten werden onder de Israëlieten niet meegeteld,

2:33
Num. 1:48,49
zoals de HEERE Mozes geboden had.

34De Israëlieten deden overeenkomstig alles wat de HEERE Mozes geboden had; zo sloegen zij hun kamp op bij hun vaandels, en zo braken zij op, ieder ingedeeld naar zijn geslachten en naar zijn familie.

3

Telling van de Levieten

31Dit nu zijn de afstammelingen van Aäron en Mozes op de dag dat de HEERE met Mozes sprak op de berg Sinaï.

2Dit nu zijn de namen van de zonen van Aäron: Nadab,

3:2
Ex. 6:22
de eerstgeborene; verder Abihu, Eleazar en Ithamar.

3Dit zijn de namen van de zonen van Aäron, de gezalfde priesters, die gewijd zijn3:3 die gewijd zijn - Letterlijk: van wie hun handen gevuld zijn. om als priester te dienen.

4

3:4
Lev. 10:1,2Num. 26:61
1 Kron. 24:2
Nadab en Abihu waren voor het aangezicht van de HEERE gestorven, toen zij in de woestijn Sinaï vreemd vuur voor het aangezicht van de HEERE gebracht hadden. En zij hadden geen zonen, zodat Eleazar en Ithamar als priester dienden tijdens het leven van hun vader Aäron.

5De HEERE sprak tot Mozes:

6

3:6
Num. 16:9
18:2
Laat de stam Levi naderbij komen en plaats hem vóór de priester Aäron om hem te dienen.

7Zij moeten zijn taak en de taak van heel de gemeenschap vervullen, vóór de tent van ontmoeting, om de dienst van de tabernakel te verrichten.

8En zij moeten zorg dragen voor al de voorwerpen van de tent van ontmoeting, en de taak van de Israëlieten vervullen door de dienst van de tabernakel te verrichten.

9U moet de Levieten aan Aäron en zijn zonen geven. Zij zijn hem volledig gegeven uit de Israëlieten.

10Maar Aäron en zijn zonen moet u opdragen dat zij hun priesterambt waarnemen. En de onbevoegde die te dichtbij komt, moet ter dood gebracht worden.

11De HEERE sprak tot Mozes:

12En Ik, zie, Ik neem de Levieten uit het midden van de Israëlieten, in plaats van elke eerstgeborene onder de Israëlieten,

3:12
Ex. 13:2
die de baarmoeder opent. De Levieten zullen Mij toebehoren,

13want alle eerstgeborenen behoren Mij toe. Op de dag dat Ik alle eerstgeborenen in het land Egypte trof,

3:13
Ex. 13:2
22:29
34:19
Lev. 27:26
Num. 8:16
Luk. 2:23
heb Ik alle eerstgeborenen in Israël, van de mensen tot het vee, voor Mijzelf geheiligd. Zij behoren Mij toe. Ik ben de HEERE.

14De HEERE sprak tot Mozes in de woestijn Sinaï:

15Tel de nakomelingen van Levi, ingedeeld naar hun families en naar hun geslachten; al wie mannelijk is, van één maand oud en daarboven, moet u tellen.

16En Mozes telde hen op bevel van de HEERE, zoals geboden was.

17

3:17
Ex. 6:15,16,17
Num. 26:57
1 Kron. 6:1
23:6
Dit waren de zonen van Levi met hun namen: Gerson, Kahath en Merari.

18Dit zijn de namen van de zonen van Gerson, ingedeeld naar hun geslachten: Libni en Simeï.

19En de zonen van Kahath, ingedeeld naar hun geslachten: Amram, Jizhar, Hebron en Uzziël.

20En de zonen van Merari, ingedeeld naar hun geslachten: Maheli en Musi. Dit zijn de geslachten van de Levieten, naar hun families.

21Van Gerson stamde het geslacht van de Libnieten en het geslacht van de Simeïeten af. Dit zijn de geslachten van de Gersonieten.

22Het aantal van hen die geteld waren, betrof al wie mannelijk waren van één maand oud en daarboven. Het aantal van hen die geteld waren, was zevenduizend vijfhonderd.

23De geslachten van de Gersonieten moeten hun kamp opslaan achter de tabernakel, aan de westkant.

24De leider nu van de familie van de Gersonieten was Eljasaf, de zoon van Laël.

25En de taak van de nakomelingen van Gerson in de tent van ontmoeting was de zorg voor de tabernakel en de tent, de dekkleden ervan, het gordijn voor de ingang van de tent van ontmoeting,

26en de kleden van de voorhof en het gordijn voor de ingang van de voorhof, die rondom de tabernakel en het altaar zijn, met de bijbehorende touwen, ja, voor heel de dienst ervan.

27Van Kahath stammen af het geslacht van de Amramieten, het geslacht van de Jizharieten, het geslacht van de Hebronieten en het geslacht van de Uzziëlieten. Dit zijn de geslachten van de Kahathieten.

28Het aantal van al degenen die mannelijk waren van één maand oud en daarboven, was achtduizend zeshonderd; zij vervulden de taak ten behoeve van het heiligdom.

29De geslachten van de nakomelingen van Kahath moeten hun kamp opslaan terzijde van de tabernakel, aan de zuidkant.

30De leider nu van de familie van de geslachten van de Kahathieten was Elizafan, de zoon van Uzziël.

31En hun taak was de zorg voor de ark, de tafel, de kandelaar, de altaren en de voorwerpen van het heiligdom, waarmee ze de dienst verrichtten, en het gordijn, ja, voor heel de dienst ervan.

32De leider die boven de leiders van Levi stond was Eleazar, de zoon van de priester Aäron. Hij had het opzicht over hen die de taak ten behoeve van het heiligdom vervulden.

33Van Merari stammen af het geslacht van de Mahelieten en het geslacht van de Musieten. Dit zijn de geslachten van Merari.

34Het aantal van degenen van hen die geteld waren van al wie mannelijk waren, van één maand oud en daarboven, was zesduizend tweehonderd.

35De leider nu van de familie van de geslachten van Merari was Zuriël, de zoon van Abichaïl; zij moeten hun kamp opslaan terzijde van de tabernakel, aan de noordkant.

36En de opgedragen taak van de nakomelingen van Merari was de zorg voor de planken van de tabernakel, met zijn dwarsbalken, zijn pilaren, zijn voetstukken, en al zijn voorwerpen, ja, voor heel de dienst ervan.

37Eveneens voor de pilaren rond de voorhof, de bijbehorende voetstukken, de bijbehorende pinnen met de bijbehorende touwen.

38Zij nu die hun kamp vóór de tabernakel, aan de oostkant, moeten opslaan, dus vóór de tent van ontmoeting, waar de zon opkomt, zijn Mozes, en Aäron met zijn zonen, die de taak ten behoeve van het heiligdom vervullen, in naam van de Israëlieten.3:38 in naam van de Israëlieten - Letterlijk: voor de taak van de Israëlieten.

3:38
Vers
De onbevoegde die te dichtbij komt, moet ter dood gebracht worden.

39Al degenen van de Levieten die geteld waren, die Mozes en Aäron, op bevel van de HEERE, ingedeeld naar hun geslachten telden, al wie mannelijk waren van één maand oud en daarboven, waren tweeëntwintigduizend.

40De HEERE zei tegen Mozes: Tel alle mannelijke eerstgeborenen onder de Israëlieten, van één maand oud en daarboven; en neem het aantal van hun namen op.

41En neem voor Mij de Levieten – Ik ben de HEERE – in plaats van alle eerstgeborenen onder de Israëlieten, en het vee van de Levieten in plaats van alle eerstgeborenen onder het vee van de Israëlieten.

42Mozes telde, zoals de HEERE hem geboden had, alle eerstgeborenen onder de Israëlieten.

43Het aantal namen van alle mannelijke eerstgeborenen van één maand oud en daarboven, overeenkomstig degenen van hen die geteld waren, was tweeëntwintigduizend tweehonderddrieënzeventig.

44De HEERE sprak tot Mozes:

45Neem de Levieten in plaats van alle eerstgeborenen onder de Israëlieten, en het vee van de Levieten in plaats van hun vee; de Levieten zullen Mij toebehoren. Ik ben de HEERE.

46Wat betreft de tweehonderddrieënzeventig eerstgeborenen van de Israëlieten die vrijgekocht moeten worden, die het getal van de Levieten te boven gaan,

47moet u per hoofd vijf sikkel innen. U moet die innen, gerekend volgens de sikkel van het heiligdom.

3:47
Ex. 30:13
Lev. 27:25
Num. 18:16
Ezech. 45:12
Die sikkel3:47 Een sikkel is 10 tot 13 gram; zie ook vers 50. is twintig gera waard.

48En dat geld moet u aan Aäron en aan zijn zonen geven, als losgeld voor degenen die vrijgekocht moeten worden van hen die het getal van de Levieten te boven gaan.

49Toen inde Mozes dat losgeld voor hen die het getal te boven gingen, van degenen die door de Levieten vrijgekocht waren.

50Voor de eerstgeborenen van de Israëlieten inde hij dat geld: duizend driehonderdvijfenzestig sikkel, gerekend volgens de sikkel van het heiligdom.

51En Mozes gaf dat losgeld aan Aäron en aan zijn zonen, op bevel van de HEERE, zoals de HEERE Mozes geboden had.