Herziene Statenvertaling (HSV)
4

Samaritanen proberen de bouw te beletten

41Het gebeurde, toen Sanballat gehoord had dat wij de muur herbouwden, dat hij in woede ontstak en zeer geërgerd was. Hij bespotte de Joden

2en zei in tegenwoordigheid van zijn broeders en het leger van Samaria: Wat doen die zwakke Joden? Zal men hen hun gang laten gaan? Gaan ze offers brengen? Willen ze het vandaag nog klaarkrijgen? Willen ze de stenen uit de puinhopen weer tot leven wekken, hoewel die verbrand zijn?

3En Tobia, de Ammoniet, stond naast hem en zei: Ook al bouwen ze, als er slechts een vos op klimt, maakt hij een bres in hun stenen muur.

4Hoor, onze God, dat wij een voorwerp van verachting zijn en doe hun smaad terugkeren op hun eigen hoofd: geef hen over als buit in een land van gevangenschap.

5Bedek hun ongerechtigheid niet en laat hun zonde niet uitgewist worden van voor Uw aangezicht, want zij hebben U getergd tegenover de bouwers.

6Maar wij bouwden de muur, zodat heel de muur tot de helft ervan aaneengevoegd werd, want het hart van het volk was erop gericht om te werken.

7Het gebeurde, toen Sanballat, Tobia, de Arabieren, de Ammonieten en de inwoners van Asdod hoorden dat het herstel van de muren van Jeruzalem vorderde en dat de bressen gedicht begonnen te worden, dat ze in hevige woede ontstaken.

8Zij spanden allemaal samen om tegen Jeruzalem te gaan strijden en verwarring te stichten.

9Maar wij baden tot onze God en plaatsten een wacht tegen hen, dag en nacht, vanwege hen.

10Toen zei Juda: De kracht van de lastdragers schiet tekort en er is veel puin; wij zijn daarom niet in staat de muur te herbouwen.

11Onze tegenstanders zeiden: Zij zullen het niet te weten komen en het niet zien tot wij in hun midden gekomen zijn en hen doodgeslagen hebben; zo zullen we het werk laten ophouden.

12Het gebeurde, toen de Joden die bij hen woonden, ons wel tienmaal vanuit alle plaatsen kwamen zeggen: Jullie moeten naar ons terugkeren,

13dat ik mannen opstelde op de laagste plaatsen achter de muur bij de open plekken. Ik stelde het volk op, ingedeeld naar hun geslachten, met hun zwaarden, hun speren en hun bogen.

14Ik zag erop toe en stond op en zei tegen de edelen, de machthebbers en de rest van het volk:

4:14
Num. 14:9
Deut. 1:21
20:3
Wees niet bevreesd voor hen. Denk aan de grote en ontzagwekkende Heere, en strijd voor uw broeders, uw zonen en uw dochters, uw vrouwen en uw huizen.

15Daarna gebeurde het, toen onze vijanden hoorden dat hun plan ons bekend was geworden en God hun plan verijdeld had, dat wij allen terugkeerden naar de muur, ieder naar zijn werk.

16Vanaf die dag was het zo dat de ene helft van mijn knechten met het werk meedeed en de andere helft van hen de speren, de schilden, de bogen en de harnassen vasthield, terwijl de vorsten opgesteld stonden achter heel het huis van Juda.

17Zij die aan de muur bouwden, zij die de lasten droegen en zij die ze oplaadden, deden met één hand het werk, en de andere hand hield de werpspies vast.

18De bouwers hadden elk zijn zwaard aan zijn heup gegord terwijl zij aan het bouwen waren, maar de bazuinblazer bleef bij mij.

19Ik zei tegen de edelen, de machthebbers en het overige volk: Het werk is veel en uitgebreid. Wij staan verspreid over de muur, de een ver van de ander.

20Op de plaats waar u het bazuingeschal hoort, daar moet u zich bij ons voegen.

4:20
Ex. 14:25
Deut. 1:30
28:7
Onze God zal voor ons strijden.

21Zo deden wij het werk. De helft van hen hield de speren vast, van het aanbreken van de dageraad tot het opkomen van de sterren.

22Ook zei ik in die tijd tegen het volk: Ieder moet met zijn knecht binnen Jeruzalem overnachten, zodat zij voor ons 's nachts wacht en overdag werkploeg zijn.

23Noch ik, noch mijn broers, noch mijn knechten, noch de mannen van de wacht die achter mij kwamen, trokken in die tijd onze kleren uit; ieder had zijn werpspies en water.

5

Nehemia verlicht de schuldenlast van de armen

51Er ontstond een luid geroep van het volk en van hun vrouwen tegen hun broeders, de Joden.

2Er waren er die zeiden: Onze zonen, onze dochters en wijzelf zijn met velen. Dus moeten we aan graan zien te komen, zodat wij kunnen eten en in leven blijven.

3Ook waren er die zeiden: Wij staan op het punt onze velden, onze wijngaarden en onze huizen tot onderpand te geven, zodat wij aan graan kunnen komen tegen de honger.

4Verder waren er die zeiden: Wij hebben geld geleend voor de belasting aan de koning, op onze velden en onze wijngaarden.

5Welnu, zoals het vlees van onze broeders is ook ons vlees; zoals hun zonen zijn ook onze zonen. En zie: wij staan op het punt onze zonen en onze dochters aan de slavernij te onderwerpen en er zijn er van onze dochters die al aan de slavernij zijn onderworpen, en dat buiten onze macht,5:5 buiten onze macht - Letterlijk: en er is niet aan de macht van onze hand. en onze velden en onze wijngaarden behoren aan anderen toe.

6Ik ontstak in hevige woede toen ik hun geroep en deze dingen hoorde.

7Ik ging bij mijzelf te rade5:7 Ik ging bij mijzelf te rade - Letterlijk: Mijn hart overwoog in mij. en ik riep de edelen en de machthebbers ter verantwoording en zei tegen hen: U leent geld uit tegen rente,5:7 rente - Overeenkomstig het Hebreeuws; SV: last. ieder aan zijn broeder! Vervolgens belegde ik een grote vergadering tegen hen.

8Ik zei tegen hen: Wíj hebben onze broeders, de Joden, die aan de heidenvolken verkocht waren, teruggekocht zoveel als in ons vermogen lag; gaat ú nu weer uw broeders verkopen zodat ze weer aan ons zouden worden verkocht? Toen zwegen zij en vonden geen antwoord.

9En ik zei: Wat u doet, is niet goed. Moet u niet wandelen in de vreze van onze God vanwege de smaad van de heidenvolken, onze vijanden?

10Lenen ook ik, mijn broers en mijn knechten geld en graan aan hen tegen rente? Laten we toch deze rente achterwege laten.

11Geef hun toch vandaag nog hun velden, hun wijngaarden, hun olijfbomen en hun huizen terug, en ook het honderdste deel van het geld en het graan, de nieuwe wijn en olie, die u hun leent.

12Toen zeiden ze: Wij zullen het teruggeven en wij zullen niets meer van hen eisen. Zo zullen we doen, zoals u het zegt. Toen riep ik de priesters en ik liet hen zweren om dienovereenkomstig te handelen.

13Ook schudde ik de plooi van mijn mantel uit en ik zei: Zo moge God elke man die dit woord niet gestand zal doen, uitschudden uit zijn huis en uit zijn arbeid, en zo moge hij uitgeschud en leeg zijn. En de hele gemeente zei: Amen! En zij prezen de HEERE en het volk handelde dienovereenkomstig.

De inzet van Nehemia

14Overigens, vanaf de dag waarop de koning mij de opdracht heeft gegeven om landvoogd te zijn in het land Juda, vanaf het twintigste jaar tot het tweeëndertigste jaar van koning Arthahsasta, twaalf jaar, hebben ik en mijn broers het brood, bestemd voor de landvoogd, niet gegeten.

15Maar de eerdere landvoogden, die er vóór mij waren, hadden het zwaar gemaakt voor het volk en zij hadden brood en wijn van hen genomen, en daarna nog veertig sikkel5:15 Een sikkel is 10 tot 13 gram. zilver. Ook heersten hun knechten over het volk. Maar ík heb zo niet gehandeld, omdat ik God vreesde.

16Ook voor het werk aan deze muur heb ik mij sterk gemaakt en wij hebben geen grondbezit verworven en al mijn knechten waren daar bij elkaar voor het werk.

17De Joden en de machthebbers, honderdvijftig man, en zij die naar ons toe waren gekomen uit de heidenvolken die zich rondom ons bevinden, aten aan mijn tafel.

18Wat klaargemaakt werd voor één dag: Voor mij werden klaargemaakt één rund, zes uitgelezen stuks kleinvee en vogels en, met een tussenpoos van tien dagen, zeer veel van allerlei soorten wijn. En bovendien eiste ik niet het brood, bestemd voor de landvoogd, want de dienstbaarheid drukte zwaar op dit volk.

19

5:19
Neh. 13:22
Denk toch aan mij, mijn God, ten goede, om alles wat ik heb gedaan voor dit volk.

6

Aanvallen op Nehemia

61Het gebeurde, toen Sanballat, Tobia en Gesem, de Arabier, en onze overige vijanden ter ore kwam dat ik de muur herbouwd had en dat daarin geen bres was overgebleven – tot die tijd had ik evenwel nog geen deuren in de poorten geplaatst –

2dat Sanballat en Gesem boden naar mij stuurden om te zeggen: Kom, laten we elkaar ontmoeten in Kefirim, in het dal Ono. Zij dachten mij echter kwaad te doen.

3Toen stuurde ik boden naar hen toe om te zeggen: Ik ben met een groot werk bezig en kan niet komen. Waarom zou het werk stilliggen omdat ik het nalaat en naar u toe kom?

4Zij stuurden op deze wijze wel vier keer boden naar mij toe, maar ik antwoordde hun op dezelfde wijze.

5Toen stuurde Sanballat op dezelfde wijze voor de vijfde keer zijn knecht, met een geopende brief in zijn hand.

6Daarin stond geschreven: De volken is ter ore gekomen – en Gasmu zegt het ook – dat u en de Joden in opstand denken te komen. Daarom bent u de muur aan het bouwen. En volgens deze geruchten staat u op het punt hun koning te worden.

7Ook hebt u profeten aangesteld om in Jeruzalem over u uit te roepen: Er is een koning in Juda! Welnu, het zal de koning dienovereenkomstig ter ore komen. Welnu, kom, laten we samen overleg plegen.

8Ik stuurde echter een bode naar hem toe om te zeggen: Er is van zulke dingen, die u zegt, niets gebeurd. Nee, u bedenkt ze in uw eigen hart.

9Want zij allen wilden ons bevreesd maken. Ze zeiden bij zichzelf: Hun handen zullen het werk nalaten. Het zal niet afgemaakt worden. Welnu, maak mijn handen sterk!

10Toen ik in het huis van Semaja, de zoon van Delaja, de zoon van Mehetabeël, kwam (want hij had zichzelf opgesloten), zei hij: Laten wij elkaar ontmoeten in het huis van God, binnen in de tempel. Laten we de deuren van de tempel sluiten, want ze komen om u te doden, ja, vannacht komen ze om u te doden.

11Maar ik zei: Zou iemand zoals ik vluchten? En zou iemand zoals ik naar de tempel gaan en in leven blijven? Ik ga niet!

12Ik doorzag het immers: Zie, niet God had hem gezonden, maar hij sprak deze profetie over mij uit omdat Tobia en Sanballat hem hadden ingehuurd.

13Daarvoor was hij ingehuurd, zodat ik bevreesd zou worden en zo zou handelen, en zondigen, en zodat zij iets zouden hebben om mij een slechte naam te bezorgen, om mij te kunnen honen.

14Denk toch, mijn God, aan Tobia en Sanballat, en vergeld hun naar deze daden van hen, en ook aan de profetes Noadja en de overige profeten die mij bevreesd wilden maken.

15De muur werd op de vijfentwintigste van de maand Elul voltooid, na tweeënvijftig dagen.

16En het gebeurde, toen al onze vijanden het hoorden, dat alle heidenvolken rondom bevreesd voor ons werden en in hun eigen ogen zeer in achting daalden, want zij wisten dat dit werk van onze God uit gedaan was.

17Ook schreven de edelen van Juda die dagen vele brieven naar Tobia, en brieven van Tobia bereikten hen.

18Velen in Juda waren namelijk met een eed aan hem verplicht,6:18 met een eed aan hem verplicht - Letterlijk: bezitters van een eed aan hem. omdat hij een schoonzoon was van Sechanja, de zoon van Arach, en Johanan, zijn zoon, had de dochter van Mesullam, de zoon van Berechja, tot vrouw genomen.

19Ook spraken zij voortdurend tegen mij over zijn goede daden, en mijn woorden brachten zij naar buiten, naar hem toe. Tobia zond brieven om mij bevreesd te maken.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]