Herziene Statenvertaling (HSV)
6

Jezus in Nazareth veracht

61En

6:1
Matt. 13:53
Luk. 4:16
Hij ging vandaar weg en kwam in Zijn vaderstad en Zijn discipelen volgden Hem.

2En toen het sabbat geworden was, begon Hij in de synagoge te onderwijzen; en velen die luisterden, stonden er versteld van en zeiden: Waar heeft Deze die dingen vandaan en wat is dit voor wijsheid die Hem gegeven is, dat ook zulke krachten door Zijn handen gebeuren?

3

6:3
Joh. 6:42
Is Dit niet de timmerman, de Zoon van Maria en de Broer van Jakobus en Joses en van Judas en Simon? En zijn Zijn zusters niet hier bij ons? En zij namen aanstoot aan Hem.

4En Jezus zei tegen hen:

6:4
Matt. 13:57
Luk. 4:24
Joh. 4:44
Een profeet is niet ongeëerd, behalve in zijn vaderstad en bij zijn familie en in zijn huis.

5

6:5
Matt. 13:58
En Hij kon daar geen kracht doen, maar Hij legde slechts enkele zieken de handen op en genas hen.

6En Hij verwonderde Zich over hun ongeloof. En Hij

6:6
Matt. 9:35
Luk. 13:22
trok de dorpen in de omgeving rond en gaf er onderwijs.

De uitzending van de twaalf

7

6:7
Matt. 10:1
Luk. 6:13
9:1
En Hij riep de twaalf bij Zich en begon hen twee aan twee uit te zenden en gaf hun macht over de onreine geesten.

8En Hij gebood hun dat zij niets mee zouden nemen voor onderweg dan alleen een staf: geen reiszak, geen brood, geen geld in de gordel;

9

6:9
Hand. 12:8
maar dat zij wel sandalen zouden aanbinden en niet met twee stel onderkleren gekleed zouden zijn.

10En Hij zei tegen hen: Waar u een huis zult binnengaan, blijf daar totdat u uit die plaats vertrekt.

11

6:11
Matt. 10:14
Luk. 9:5
En als er zullen zijn die u niet ontvangen en niet naar u luisteren,
6:11
Hand. 13:51
18:6
schud dan, als u vandaar weggaat, het stof af dat onder uw voeten zit, tot een getuigenis tegen hen.
6:11
Matt. 10:15
Luk. 10:12
Voorwaar zeg Ik u: Het zal voor Sodom of Gomorra verdraaglijker zijn in de dag van het oordeel dan voor die stad.

12En toen zij weggegaan waren, predikten zij dat men zich moest bekeren.

13En zij dreven veel demonen uit

6:13
Jak. 5:14
en zalfden veel zieken met olie en maakten hen gezond.

De dood van Johannes de Doper

14

6:14
Matt. 14:1
Luk. 9:7
En koning Herodes hoorde het (want Zijn Naam was bekend geworden) en zei: Johannes die doopte, is uit de doden opgewekt en daarom zijn die krachten werkzaam in Hem.

15Anderen zeiden: Hij is Elia; en weer anderen zeiden: Hij is een profeet, of Hij is als een van de profeten.

16Maar toen Herodes het hoorde, zei hij: Dit is Johannes die ik onthoofd heb; die is uit de doden opgewekt.

17

6:17
Matt. 14:3
Luk. 3:19
9:9
Want Herodes had zelf enigen eropuit gestuurd en Johannes gevangengenomen en hem geboeid in de gevangenis gezet, vanwege Herodias, de vrouw van zijn broer Filippus, omdat hij haar getrouwd had;

18want Johannes had tegen Herodes gezegd:

6:18
Lev. 18:16
20:21
Het is u niet geoorloofd de vrouw van uw broer te hebben.

19En Herodias had het op hem gemunt en wilde hem doden, maar zij kon dat niet,

20want Herodes was bevreesd voor Johannes, omdat hij wist dat deze een

6:20
Matt. 14:5
21:26
rechtvaardig en heilig man was, en hij beschermde hem; en als hij hem aangehoord had, ondernam hij vele dingen, en hij luisterde graag naar hem.

21En toen er een geschikte dag aangebroken was en Herodes

6:21
Gen. 40:20
Matt. 14:6
op zijn verjaardag een maaltijd had aangericht voor zijn rijksgroten en de oversten over duizend en de voornaamsten van Galilea,

22kwam de dochter van deze Herodias binnen en danste. En zij behaagde Herodes en degenen die mee aanlagen. Toen zei de koning tegen het meisje: Vraag van mij wat je maar wilt, en ik zal het je geven.

23

6:23
Richt. 11:30
En hij zwoer haar: Wat je van mij ook maar vraagt, ik zal het je geven, tot zelfs de helft van mijn koninkrijk.

24En zij ging weg en zei tegen haar moeder: Wat zal ik vragen? En die zei: Het hoofd van Johannes de Doper.

25En zij ging meteen naar binnen, liep haastig naar de koning toe en vroeg: Ik wil dat u mij ogenblikkelijk op een schotel het hoofd van Johannes de Doper geeft.

26En de koning werd zeer bedroefd, maar wilde haar omwille van de eden en omwille van hen die mee aanlagen, niet afwijzen.

27

6:27
Matt. 14:10
En de koning stuurde meteen een scherprechter en beval zijn hoofd te brengen. Deze nu ging heen en onthoofdde hem in de gevangenis,

28en hij bracht zijn hoofd op een schotel en gaf het aan het meisje, en het meisje gaf het aan haar moeder.

29En toen zijn discipelen dit hoorden, kwamen zij en namen zijn dode lichaam weg en legden het in een graf.

De wonderbare spijziging

30

6:30
Luk. 9:10
En de apostelen kwamen weer samen bij Jezus en berichtten Hem alles wat zij gedaan en wat zij onderwezen hadden.

31En Hij zei tegen hen: Komt u zelf mee naar een eenzame plaats, alleen, en rust wat uit; want er waren er velen die kwamen en die gingen,

6:31
Mark. 3:20
en zij hadden zelfs geen gelegenheid om te eten.

32

6:32
Matt. 14:13
Luk. 9:10
Joh. 6:1
En zij vertrokken in een schip naar een eenzame plaats, alleen.

33En de menigten zagen hen weggaan, en velen herkenden Hem en gingen uit alle steden gezamenlijk te voet daarnaartoe; en zij kwamen er vóór hen aan en gingen samen naar Hem toe.

34En toen Jezus uit het schip ging,

6:34
Matt. 9:36
14:4
zag Hij een grote menigte en was innerlijk met ontferming bewogen over hen,
6:34
Jer. 23:1
Ezech. 34:2
want zij waren als schapen die geen herder hebben;
6:34
Luk. 9:11
en Hij begon hun veel dingen te onderwijzen.

35

6:35
Matt. 14:15
Luk. 9:12
Joh. 6:5
En toen het al laat geworden was,6:35 het … was - Letterlijk: het uur veel geworden was. kwamen Zijn discipelen naar Hem toe en zeiden: Deze plaats is eenzaam en het is al laat;

36stuur hen weg, opdat zij naar de omliggende gehuchten en dorpen kunnen gaan en broden voor zichzelf kopen, want zij hebben niets te eten.

37Maar Hij antwoordde hun en zei: Geeft u hun te eten. En zij zeiden tegen Hem: Moeten wij voor tweehonderd penningen6:37 penningen - Letterlijk: denarie, dat is het dagloon van een arbeider. brood gaan kopen en hun te eten geven?

38En Hij zei tegen hen: Hoeveel broden hebt u? Ga eens kijken.

6:38
Matt. 14:17
Luk. 9:13
Joh. 6:9
En toen zij het te weten gekomen waren, zeiden zij: Vijf, en twee vissen.

39En Hij droeg hun op om allen in groepen te laten gaan zitten in het groene gras.

40En zij gingen zitten in groepen van honderd en van vijftig.

41En toen Hij de vijf broden en de twee vissen genomen had,

6:41
Joh. 17:1
keek Hij op naar de hemel,
6:41
1 Sam. 9:13
zegende en brak de broden en gaf ze aan Zijn discipelen, opdat zij die aan hen zouden voorzetten, en de twee vissen verdeelde Hij onder allen.

42En zij aten allen en werden verzadigd.

43En zij raapten twaalf manden vol met stukken brood op, en wat over was van de vissen.

44En die de broden gegeten hadden, waren ongeveer vijfduizend mannen.

Jezus loopt op de zee

45

6:45
Matt. 14:22
Joh. 6:17
En meteen dwong Hij Zijn discipelen in het schip te gaan en vooruit te varen naar de overkant, naar Bethsaïda, terwijl Hijzelf de menigte weg zou sturen.

46

6:46
Matt. 14:23
Luk. 6:12
En toen Hij afscheid van hen genomen had, ging Hij naar de berg om te bidden.

47

6:47
Matt. 14:23
Joh. 6:16
En toen het avond was geworden, was het schip midden op de zee en Hijzelf was alleen op het land.

48En Hij zag dat zij veel moeite moesten doen om het schip vooruit te krijgen, want zij hadden de wind tegen; en omstreeks de vierde nachtwake kwam Hij, lopend op de zee, naar hen toe en wilde hun voorbijgaan.

49En toen zij Hem zagen lopen op de zee, dachten zij dat het een spook was en schreeuwden luid,

50want allen zagen Hem en raakten in verwarring; en meteen sprak Hij met hen en zei tegen hen: Heb goede moed, Ik ben het; wees niet bevreesd.

51En Hij klom bij hen in het schip en de wind ging liggen; en zij waren innerlijk volkomen buiten zichzelf en zij verwonderden zich,

52want zij hadden bij het wonder van de broden niets begrepen, omdat hun hart verhard was.

53

6:53
Matt. 14:34
En toen zij overgevaren waren, kwamen zij in het land Gennesaret en legden daar aan.

54En toen zij uit het schip gegaan waren, herkende men Hem meteen.

55En men liep heel die streek door en begon op ligmatten hen die er slecht aan toe waren met zich mee te dragen naar de plaats waarvan ze hoorden dat Hij daar was.

56En waar Hij ook kwam, in dorpen of steden of in gehuchten, daar legden ze de zieken op de markten en smeekten Hem of zij al was het maar de zoom van Zijn bovenkleed mochten aanraken; en allen die Hem aanraakten, werden gezond.

7

De Farizeeën en de overlevering

71En

7:1
Matt. 15:1
bij Hem verzamelden zich de Farizeeën en sommigen van de schriftgeleerden, die uit Jeruzalem gekomen waren.

2En toen zij zagen dat sommigen van Zijn discipelen met onreine, dat is met ongewassen handen brood aten, berispten zij hen.

3Want de Farizeeën en alle Joden eten niet, als zij niet eerst grondig de handen gewassen hebben, omdat zij zich houden aan de overlevering van de ouden.

4En als zij van de markt komen, eten zij niet, als zij zich niet eerst gewassen hebben. En vele andere dingen zijn er die zij aangenomen hebben om zich eraan te houden, zoals het wassen van de drinkbekers en kannen en het koperen vaatwerk en bedden.

5Daarna vroegen de Farizeeën en de schriftgeleerden Hem: Waarom wandelen Uw discipelen niet volgens de overlevering van de ouden, maar eten zij het brood met ongewassen handen?

6Maar Hij antwoordde hun: Terecht heeft Jesaja over u, huichelaars, geprofeteerd zoals er geschreven staat:

7:6
Jes. 29:13
Ezech. 33:31
Dit volk eert Mij met de lippen, maar hun hart houdt zich ver bij Mij vandaan.

7

7:7
Matt. 15:9
Kol. 2:18,20
Tit. 1:14
Maar tevergeefs eren zij Mij door leringen te onderwijzen die geboden van mensen zijn.

8Want terwijl u het gebod van God nalaat, houdt u zich aan de overlevering van de mensen, zoals het wassen van kannen en bekers; en veel andere dergelijke dingen doet u.

9En Hij zei tegen hen: U stelt Gods gebod op een mooie manier terzijde om u aan uw overlevering te houden!

10Want Mozes heeft gezegd:

7:10
Ex. 20:12
Deut. 5:16
Efez. 6:2
Eer uw vader en uw moeder; en:
7:10
Ex. 21:17
Lev. 20:9
Deut. 27:16
Spr. 20:20
Wie vader of moeder vervloekt, die moet zeker sterven;

11maar u zegt: Als iemand tegen zijn vader of zijn moeder zegt: Het is korban (dat wil zeggen: een gave) wat u van mij had kunnen krijgen, is het met hem in orde.

12En u laat hem niet meer toe iets voor zijn vader of zijn moeder te doen,

13

7:13
Matt. 15:6
1 Tim. 4:3
2 Tim. 3:2
en zo maakt u Gods Woord krachteloos door uw overlevering die u overgeleverd hebt; en veel van dergelijke dingen doet u.

14

7:14
Matt. 15:10
En toen Hij heel de menigte bij Zich geroepen had, zei Hij tegen hen: Luister allen naar Mij en begrijp het goed:

15

7:15
Hand. 10:15
Rom. 14:17,20
Tit. 1:15
Er is niets dat van buitenaf de mens binnengaat, dat hem kan verontreinigen; maar de dingen die van hem uitgaan, die zijn het die de mens verontreinigen.

16Als iemand oren heeft om te horen, laat hij dan horen.

17

7:17
Matt. 15:15
En toen Hij bij de menigte vandaan thuisgekomen was, vroegen Zijn discipelen Hem naar de gelijkenis.

18En Hij zei tegen hen: Bent ook u zo onwetend? Ziet u niet in dat alles wat van buitenaf de mens binnengaat, hem niet kan verontreinigen?

19Want het komt niet in zijn hart maar in zijn buik en gaat in de afzondering naar buiten. Zo wordt al het voedsel gereinigd.

20En Hij zei: Wat uit de mens naar buiten komt, dat verontreinigt de mens.

21

7:21
Gen. 6:5
8:21
Spr. 6:14
Jer. 17:9
Want van binnenuit, uit het hart van de mensen, komen voort kwade overwegingen, alle overspel, ontucht, moord,

22diefstal, hebzucht, allerlei kwaadaardigheid, bedrog, losbandigheid, afgunst,7:22 afgunst - Letterlijk: een boos oog. lastering, hoogmoed, dwaasheid;

23al deze slechte dingen komen van binnenuit en verontreinigen de mens.

De Syro-Fenicische vrouw

24

7:24
Matt. 15:21
En Hij stond op en vertrok vandaar naar het gebied van Tyrus en Sidon; en toen Hij een huis binnengegaan was, wilde Hij niet dat iemand het wist, maar Hij kon niet verborgen blijven.

25Want een vrouw van wie het dochtertje een onreine geest had, hoorde van Hem, kwam en viel neer aan Zijn voeten.

26Deze vrouw nu was een Griekse, afkomstig uit Syro-Fenicië; en zij vroeg Hem de demon uit haar dochter uit te drijven.

27Maar Jezus zei tegen haar: Laat eerst de kinderen verzadigd worden, want het is niet behoorlijk het brood van de kinderen te nemen en naar de hondjes te werpen.

28Maar zij antwoordde en zei tegen Hem: Ja, Heere, maar de hondjes eten toch ook onder de tafel van de kruimels van de kinderen.

29En Hij zei tegen haar: Omwille van dit woord ga heen, de demon is uit uw dochter uitgegaan.

30En toen zij in haar huis kwam, merkte zij dat de demon uitgegaan was en dat haar dochter op bed lag.

De genezing van een dove

31

7:31
Matt. 15:29
En toen Hij weer weggegaan was uit het gebied van Tyrus en Sidon, kwam Hij bij de zee van Galilea, midden door het gebied van Dekapolis.

32

7:32
Matt. 9:32
Luk. 11:14
En ze brachten een dove bij Hem, die moeilijk sprak, en smeekten Hem dat Hij de hand op hem legde.

33En na hem uit de menigte apart genomen te hebben, stak Hij Zijn vingers in zijn oren, en na gespuwd te hebben, raakte Hij zijn tong aan.

34En terwijl Hij opkeek naar de hemel, zuchtte Hij en zei Hij tegen hem: Effatha! dat is: Word geopend!

35En meteen werden zijn oren geopend en de band van zijn tong werd los, en hij sprak goed.

36En Hij gebood hun dat zij het tegen niemand zouden zeggen; maar wat Hij hun ook gebood, zij verkondigden het des te meer.

37En zij stonden bovenmate versteld en zeiden:

7:37
Gen. 1:31
Hij heeft alles goedgemaakt; ook de doven doet Hij horen en Hij maakt dat zij die niet kunnen spreken, kunnen spreken.

8

De tweede wonderbare spijziging

81In

8:1
Matt. 15:32
die dagen, toen er een heel grote menigte bijeen was en zij niets te eten hadden, riep Jezus Zijn discipelen bij Zich en zei tegen hen:

2Ik ben innerlijk met ontferming bewogen over de menigte, want zij blijven al drie dagen bij Mij en hebben niets wat zij kunnen eten.

3En als Ik hen nuchter naar hun huis stuur, zullen zij onderweg bezwijken, want sommigen van hen komen van ver.

4En Zijn discipelen antwoordden Hem: Waar haalt iemand hier in deze afgelegen plaats zoveel broden vandaan, dat hij deze mensen kan verzadigen?

5En Hij vroeg hun: Hoeveel broden hebt u? En zij zeiden: Zeven.

6En Hij gebood de menigte op de grond te gaan zitten. En Hij nam de zeven broden en nadat Hij gedankt had, brak Hij ze en gaf ze aan Zijn discipelen om ze hun voor te zetten; en zij zetten ze de menigte voor.

7En zij hadden enkele visjes; en toen Hij ze gezegend had, zei Hij dat zij ook die moesten voorzetten.

8En zij aten en werden verzadigd. En zij raapten het overschot van de stukken brood op, zeven manden.

9Het waren er ongeveer vierduizend, die gegeten hadden; en Hij stuurde hen weg.

Waarschuwing tegen het zuurdeeg van de Farizeeën en van Herodes

10

8:10
Matt. 15:39
En toen Hij meteen in het schip gegaan was met Zijn discipelen, kwam Hij in de streken van Dalmanutha.

11En de Farizeeën liepen uit en begonnen met Hem te redetwisten

8:11
Matt. 12:38
16:1
Luk. 11:29
Joh. 6:30
en verlangden van Hem een teken uit de hemel om Hem te verzoeken.

12En Hij zuchtte diep in Zijn geest en zei: Waarom verlangt dit geslacht een teken?

8:12
Matt. 16:4
Voorwaar, Ik zeg u: Eer aan dit geslacht een teken gegeven zal worden!

13En Hij verliet hen en nadat Hij opnieuw in het schip gegaan was, voer Hij weg naar de overkant.

14En Zijn discipelen hadden vergeten broden mee te nemen en zij hadden niet meer dan één brood bij zich in het schip.

15En Hij gebood hun en zei:

8:15
Matt. 16:6
Luk. 12:1
Kijk uit, pas op voor het zuurdeeg van de Farizeeën en voor het zuurdeeg van Herodes.

16En zij spraken er met elkaar over en zeiden: Dit zegt Hij, omdat wij geen broden hebben.

17En Jezus, Die dat wist, zei tegen hen: Waarom spreekt u erover met elkaar dat u geen broden hebt? Ziet u het nog niet in en begrijpt u het niet?

8:17
Mark. 6:52
Hebt u nog uw verharde hart?

18U hebt ogen, en u ziet niet? En u hebt oren, en u hoort niet?

19En herinnert u zich niet,

8:19
Matt. 14:17,20
Mark. 6:38
Luk. 9:13
Joh. 6:9
toen Ik de vijf broden brak voor de vijfduizend mannen, hoeveel volle manden met stukken brood u opraapte? Zij zeiden tegen Hem: Twaalf.

20En

8:20
Matt. 15:36,37
toen Ik de zeven brak voor de vierduizend mannen, hoeveel volle manden met stukken brood u opraapte? En zij zeiden: Zeven.

21En Hij zei tegen hen: Waarom begrijpt u het dan niet?

Een blinde genezen in Bethsaïda

22En Hij kwam in Bethsaïda; en ze brachten een blinde bij Hem en smeekten Hem dat Hij hem aanraakte.

23En toen Hij de hand van de blinde genomen had, leidde Hij hem het dorp uit; en nadat Hij

8:23
Mark. 7:33
in zijn ogen gespuwd en
8:23
Mark. 7:32
de handen op hem gelegd had, vroeg Hij hem of hij iets zag.

24En hij keek op en zei: Ik zie de mensen, want ik zie hen, als bomen, rondlopen.

25Daarna legde Hij de handen opnieuw op zijn ogen en liet hem weer kijken. En hij was hersteld en zag allen heel duidelijk.

26En Hij stuurde hem naar zijn huis en zei: Ga niet het dorp in en zeg het tegen niemand in het dorp.

De belijdenis van Petrus

27

8:27
Matt. 16:13
Luk. 9:18
En Jezus vertrok met Zijn discipelen naar de dorpen van Caesarea Filippi. En onderweg stelde Hij Zijn discipelen een vraag; Hij zei tegen hen: Wie zeggen de mensen dat Ik ben?

28En zij antwoordden:

8:28
Matt. 14:2
Johannes de Doper; en anderen: Elia; en weer anderen: Een van de profeten.

29En Hij zei tegen hen: Maar u, wie zegt u dat Ik ben? En Petrus antwoordde en zei tegen Hem:

8:29
Matt. 16:16
Joh. 6:69
U bent de Christus.

30En Hij gebood hun streng dat zij met niemand over Hem zouden spreken.

De eerste aankondiging van het lijden

31

8:31
Matt. 16:21
17:22
20:18
Mark. 9:31
10:33
Luk. 9:22
18:31
24:7
En Hij begon hun te onderwijzen dat de Zoon des mensen veel moest lijden en verworpen worden door de oudsten en overpriesters en schriftgeleerden en gedood worden en na drie dagen opstaan.

32En dit woord sprak Hij vrijuit. En Petrus nam Hem apart en begon Hem te bestraffen,

33maar Hij keerde Zich om en terwijl Hij Zijn discipelen aankeek, bestrafte Hij Petrus en zei:

8:33
2 Sam. 19:22
Ga weg achter Mij, satan, want u bedenkt niet de dingen van God, maar die van de mensen.

34En toen Hij de menigte met Zijn discipelen bij Zich geroepen had, zei Hij tegen hen:

8:34
Matt. 10:38
16:24
Luk. 9:23
14:27
Laat wie achter Mij aan wil komen zichzelf verloochenen, zijn kruis opnemen en Mij volgen.

35

8:35
Matt. 10:39
16:25
Luk. 9:24
17:33
Joh. 12:25
Want wie zijn leven8:35 leven - Letterlijk: ziel. zal willen behouden, die zal het verliezen; maar wie zijn leven zal verliezen omwille van Mij en om het Evangelie, die zal het behouden.

36Want wat zal het een mens baten als hij heel de wereld wint en aan zijn ziel schade lijdt?

37Of wat zal een mens geven

8:37
Ps. 49:9
als losprijs voor zijn ziel?

38

8:38
Matt. 10:32
Luk. 9:26
12:8
2 Tim. 2:12
1 Joh. 2:23
Want wie zich voor Mij en Mijn woorden geschaamd zal hebben in dit overspelig en zondig geslacht, voor hem zal de Zoon des mensen Zich ook schamen wanneer Hij zal komen in de heerlijkheid van Zijn Vader, met de heilige engelen.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]