Herziene Statenvertaling (HSV)
2

Jezus geneest een verlamde

21En

2:1
Matt. 9:1
Luk. 5:17
na enkele dagen kwam Hij opnieuw in Kapernaüm; en men hoorde dat Hij thuis was.

2En meteen verzamelden zich daar velen, zodat zelfs de ruimte bij de deur hen niet meer kon bevatten; en Hij sprak het Woord tot hen.

3

2:3
Matt. 9:1
Luk. 5:18
Er kwamen ook enigen naar Hem toe die een verlamde brachten, door vier mannen gedragen.

4En omdat zij niet bij Hem konden komen vanwege de menigte, verwijderden zij de dakbedekking boven de plaats waar Hij was; en nadat zij het dak opengebroken hadden, lieten zij de ligmat waarop de verlamde lag, neer.

5En toen Jezus hun geloof zag, zei Hij tegen de verlamde: Zoon, uw zonden zijn u vergeven.

6En er zaten daar enigen van de schriftgeleerden, en die overlegden in hun hart:

7Waarom spreekt Deze op die manier godslasteringen?

2:7
Ps. 32:5
51:3
Jes. 43:25
Wie kan zonden vergeven dan God alleen?

8En Jezus, Die meteen in Zijn geest onderkende dat zij zo bij zichzelf overlegden, zei tegen hen: Waarom overlegt u deze dingen in uw hart?

9Wat is gemakkelijker, tegen de verlamde te zeggen: De zonden zijn u vergeven, of te zeggen: Sta op, neem uw ligmat op en ga lopen?

10Maar opdat u zult weten dat de Zoon des mensen macht heeft op de aarde zonden te vergeven (zei Hij tegen de verlamde):

11Ik zeg u: Sta op, neem uw ligmat op en ga naar uw huis.

12En hij stond meteen op, en nadat hij de ligmat opgenomen had, ging hij voor het oog van allen naar buiten, zodat zij allen buiten zichzelf waren en God verheerlijkten en zeiden: Wij hebben nog nooit zoiets gezien!

13

2:13
Matt. 9:9
Luk. 5:27
En Hij vertrok weer naar de zee; en heel de menigte kwam naar Hem toe, en Hij onderwees hen.

De roeping van Levi

14En Hij ging verder en zag Levi, de zoon van Alfeüs, in het tolhuis zitten en zei tegen hem: Volg Mij! En hij stond op en volgde Hem.

15En het gebeurde, toen Hij in diens huis aanlag, dat ook veel tollenaars en zondaars met Jezus en Zijn discipelen aanlagen; want zij waren met velen en waren Hem gevolgd.

16En toen de schriftgeleerden en de Farizeeën Hem zagen eten met de tollenaars en zondaars, zeiden zij tegen Zijn discipelen: Waarom eet en drinkt Hij met de tollenaars en zondaars?

17En toen Jezus dat hoorde, zei Hij tegen hen: Wie gezond zijn, hebben geen dokter nodig, maar wie ziek zijn.

2:17
Matt. 9:13
21:31
Luk. 5:32
19:10
1 Tim. 1:15
Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen tot bekering te roepen, maar zondaars.

Het vasten

18

2:18
Matt. 9:14
Luk. 5:33
En de discipelen van Johannes en van de Farizeeën vastten; en zij kwamen en zeiden tegen Hem: Waarom vasten de discipelen van Johannes en van de Farizeeën wel en waarom vasten Uw discipelen niet?

19En Jezus zei tegen hen:

2:19
Jes. 62:5
2 Kor. 11:2
De bruiloftsgasten kunnen toch niet vasten terwijl de Bruidegom bij hen is? Zolang zij de Bruidegom bij zich hebben, kunnen zij niet vasten,

20maar de dagen zullen komen dat de Bruidegom van hen weggenomen zal zijn, en dan, in die dagen, zullen zij vasten.

21En niemand naait een lap niet-gekrompen stof op een oud bovenkleed; anders scheurt de nieuwe aangenaaide lap iets af van het oude bovenkleed en ontstaat er een ergere scheur.

22

2:22
Matt. 9:17
Ook doet niemand nieuwe wijn in oude leren zakken; anders doet de nieuwe wijn de zakken barsten en stroomt de wijn eruit en gaan de zakken verloren; maar nieuwe wijn moet men in nieuwe zakken doen.

Jezus en de sabbat

23

2:23
Deut. 23:25
Matt. 12:1
Luk. 6:1
En het gebeurde dat Hij op een sabbat door de korenvelden ging; en Zijn discipelen begonnen onder het lopen aren te plukken.

24En de Farizeeën zeiden tegen Hem: Zie, waarom doen zij op de sabbat iets

2:24
Ex. 20:10
wat niet geoorloofd is?

25En Hij zei tegen hen: Hebt u nooit gelezen wat

2:25
1 Sam. 21:6
David deed toen hij in nood verkeerde, en hij honger had, en zij die bij hem waren?

26Hoe hij het huis van God binnengegaan is ten tijde van Abjathar, de hogepriester, en de toonbroden gegeten heeft, die niemand mag eten

2:26
Lev. 24:9
behalve de priesters, en ze ook gegeven heeft aan hen die bij hem waren?

27En Hij zei tegen hen: De sabbat is gemaakt ter wille van de mens, niet de mens ter wille van de sabbat.

28

2:28
Matt. 12:8
Luk. 6:5
Daarom, de Zoon des mensen is Heere, óók van de sabbat.

3

Jezus geneest een verschrompelde hand

31En

3:1
Matt. 12:9
Luk. 6:6
Hij kwam opnieuw in de synagoge; en er was daar iemand die een verschrompelde hand had.

2En ze letten scherp op Hem om te zien of Hij hem op de sabbat genezen zou, opdat zij Hem zouden kunnen beschuldigen.

3En Hij zei tegen de man die de verschrompelde hand had: Sta op en ga in het midden staan.

4En Hij zei tegen hen: Is het geoorloofd op sabbatdagen goed te doen of kwaad te doen, een mens3:4 mens - Letterlijk: ziel. te behouden of te doden? En zij zwegen.

5En nadat Hij hen rondom toornig aangekeken had, tegelijk bedroefd over de verharding van hun hart, zei Hij tegen de man: Steek uw hand uit. En hij stak hem uit,

3:5
1 Kon. 13:6
en zijn hand werd hersteld, gezond als de andere.

6

3:6
Matt. 12:14
Joh. 10:39
11:53
En toen de Farizeeën weggegaan waren, beraadslaagden zij meteen met de Herodianen tegen Hem hoe zij Hem om zouden kunnen brengen.

Twaalf apostelen uitgekozen

7En Jezus vertrok met Zijn discipelen naar de zee;

3:7
Matt. 4:25
Luk. 6:17
en Hem volgde een grote menigte uit Galilea en uit Judea,

8en uit Jeruzalem en uit Idumea en van over de Jordaan; ook een grote menigte uit de omgeving van Tyrus en Sidon, die gehoord had wat voor grote dingen Hij deed, kwam naar Hem toe.

9En Hij zei tegen Zijn discipelen dat er steeds een scheepje bij Hem moest blijven vanwege de menigte, opdat ze Hem niet verdringen zouden.

10Want Hij had er velen genezen, zodat allen die aandoeningen hadden, op Hem aandrongen om Hem te kunnen aanraken.

11En telkens wanneer de onreine geesten Hem zagen, vielen zij voor Hem neer en riepen: U bent de Zoon van God!

12En Hij gebood hun streng en met klem dat zij niet bekend zouden maken wie Hij was.

13

3:13
Matt. 10:1
Mark. 6:7
Luk. 6:13
9:1
En Hij klom de berg op en riep bij Zich wie Hij wilde; en zij kwamen naar Hem toe.

14En Hij stelde er twaalf aan om bij Hem te zijn, en om hen uit te zenden om te prediken,

15en macht te hebben om de ziekten te genezen en de demonen uit te drijven.

16En Simon gaf Hij de naam Petrus,

17en verder Jakobus, de zoon van Zebedeüs, en Johannes, de broer van Jakobus – aan hen gaf Hij de naam Boanerges, wat ‘zonen van de donder’ betekent –

18en Andreas en Filippus en Bartholomeüs en Mattheüs en Thomas en Jakobus, de zoon van Alfeüs, en Thaddeüs en Simon Kananites,

19en Judas Iskariot, die Hem ook verraden heeft.

De godslastering van de schriftgeleerden

20En zij kwamen thuis; en er kwam opnieuw een menigte bijeen, zodat zij zelfs

3:20
Mark. 6:31
geen brood konden eten.

21En toen Zijn verwanten dat hoorden, gingen zij eropuit om Hem tegen te houden, want zij zeiden: Hij is buiten Zichzelf.

22En de schriftgeleerden die uit Jeruzalem gekomen waren, zeiden:

3:22
Matt. 9:34
12:24
Luk. 11:15
Joh. 8:48
Hij heeft Beëlzebul, en: Door de aanvoerder van de demonen drijft Hij de demonen uit.

23En Hij riep hen bij Zich

3:23
Matt. 12:25
en zei tegen hen in gelijkenissen: Hoe kan de satan de satan uitdrijven?

24En als een koninkrijk tegen zichzelf verdeeld is, kan dat koninkrijk niet standhouden.

25En als een huis tegen zichzelf verdeeld is, kan dat huis niet standhouden.

26En als de satan tegen zichzelf opstaat en verdeeld is, kan hij niet standhouden, maar is dat zijn einde.3:26 is dat zijn einde - Letterlijk: heeft hij een einde.

27

3:27
Matt. 12:29
Niemand kan het huis van een sterke binnengaan en zijn huisraad roven,
3:27
Kol. 2:15
als hij niet eerst de sterke bindt; en dan kan hij zijn huis leegroven.

28Voorwaar, Ik zeg u

3:28
1 Sam. 2:25
Matt. 12:31
Luk. 12:10
1 Joh. 5:16
dat alle zonden de mensenkinderen vergeven zullen worden, en de lasteringen die zij ook maar uitgesproken zullen hebben;

29

3:29
1 Joh. 5:16
maar wie gelasterd zal hebben tegen de Heilige Geest, die heeft geen vergeving in eeuwigheid, maar is schuldig en verdient het eeuwige oordeel.

30Want zij zeiden: Hij heeft een onreine geest.

31

3:31
Matt. 12:46
Luk. 8:19
Nu kwamen dan Zijn broers en Zijn moeder; en terwijl zij buiten stonden, stuurden zij iemand naar Hem toe om Hem te roepen.

32En de menigte zat om Hem heen; en ze zeiden tegen Hem: Zie, Uw moeder en Uw broers daarbuiten zoeken U.

33En Hij antwoordde hun en zei: Wie is Mijn moeder, of wie zijn Mijn broers?

34En terwijl Hij rondom Zich keek naar hen die om Hem heen zaten, zei Hij: Zie, Mijn moeder en Mijn broeders;

35

3:35
Joh. 15:14
2 Kor. 5:16,17
want wie de wil van God doet, die is Mijn broeder en Mijn zuster en Mijn moeder.

4

De gelijkenis van de zaaier

41En

4:1
Matt. 13:1
Luk. 8:4
Hij begon weer onderwijs te geven bij de zee; en er verzamelde zich een grote menigte bij Hem, zodat Hij in een schip ging zitten, op zee; en heel de menigte was op het land aan de zee.

2En Hij onderwees hun veel dingen door gelijkenissen en zei in Zijn onderricht tegen hen:

3Luister! Zie, een zaaier ging eropuit om te zaaien.

4En het gebeurde bij het zaaien dat het ene deel van het zaad langs de weg viel; en de vogels in de lucht kwamen en aten het op.

5En een ander deel viel op steenachtige grond, waar het niet veel aarde had, en het kwam meteen op, doordat het geen diepte van aarde had.

6Maar toen de zon opgegaan was, verschroeide het, en doordat het geen wortel had, verdorde het.

7En een ander deel viel in de dorens, en de dorens kwamen op en verstikten het, en het gaf geen vrucht.

8En nog een ander deel viel in de goede aarde en gaf vrucht; het kwam op en groeide, en het ene droeg dertig-, en het andere zestig-, en het andere honderdvoudig.

9En Hij zei tegen hen: Wie oren heeft om te horen, laat hij horen.

10

4:10
Matt. 13:10
Luk. 8:9
En toen Hij alleen was, vroegen zij die om Hem heen waren, met de twaalf, Hem naar de gelijkenis.

11En Hij zei tegen hen:

4:11
Matt. 11:25
2 Kor. 2:14
Het is u gegeven het geheimenis van het Koninkrijk van God te kennen;
4:11
2 Kor. 3:14
maar tot degenen die buiten zijn, komt alles door gelijkenissen,

12

4:12
Jes. 6:9
Matt. 13:14
Luk. 8:10
Joh. 12:40
Hand. 28:26
Rom. 11:8
opdat zij ziende zien en niet doorzien, en horende horen en niet begrijpen; opdat zij zich niet op enig moment bekeren en de zonden hun vergeven worden.

13En Hij zei tegen hen: Begrijpt u deze gelijkenis niet? En hoe zult u dan alle gelijkenissen verstaan?

14

4:14
Matt. 13:19
Luk. 8:11
De zaaier is hij die het Woord zaait.

15En dit zijn zij bij wie langs de weg gezaaid is: in wie het Woord gezaaid wordt, en als zij het gehoord hebben, komt de satan meteen en neemt het Woord weg dat in hun hart gezaaid was.

16En evenzo zijn dit degenen in wie op de steenachtige grond gezaaid wordt: die, als zij het Woord gehoord hebben, het meteen met vreugde ontvangen,

17en geen wortel in zichzelf hebben, maar zij zijn mensen van het ogenblik; als er later verdrukking of vervolging komt omwille van het Woord, struikelen zij meteen.

18En dit zijn zij bij wie in de dorens gezaaid wordt: zij horen het Woord,

19

4:19
Matt. 19:23
Mark. 10:23
Luk. 18:24
1 Tim. 6:9
maar de zorgen van deze wereld en de verleiding van de rijkdom en de begeerten naar al het andere komen erbij en verstikken het Woord, en het wordt onvruchtbaar.

20En dit zijn zij bij wie in de goede aarde gezaaid wordt: zij horen het Woord en nemen het aan en dragen vrucht, de één dertig-, en de ander zestig-, en de ander honderdvoudig.

De gelijkenis van de lamp

21

4:21
Matt. 5:15
Luk. 8:16
11:33
Hij zei ook tegen hen: De lamp wordt toch niet binnengebracht om onder de korenmaat of onder het bed gezet te worden? Is het niet om op de standaard gezet te worden?

22

4:22
Job 12:22
Matt. 10:26
Luk. 8:17
12:2
Want er is niets verborgen wat niet geopenbaard zal worden; en er is niets gebeurd om verborgen te blijven, maar opdat het in het openbaar zou komen.

23Als iemand oren heeft om te horen, laat hij horen.

24En Hij zei tegen hen: Let op wat u hoort.

4:24
Matt. 7:2
Luk. 6:38
Met de maat waarmee u meet, zal er bij u gemeten worden, en aan u die hoort, zal er meer bij gegeven worden.

25

4:25
Matt. 13:12
25:29
Luk. 8:18
19:26
Want wie heeft, aan hem zal gegeven worden; en wie niet heeft, van hem zal afgenomen worden zelfs wat hij heeft.

De gelijkenis van het zaad

26Ook zei Hij: Zo is het Koninkrijk van God: als wanneer iemand het zaad in de aarde werpt

27en slaapt en opstaat, nacht en dag; en het zaad ontkiemt en komt op, zonder dat hij zelf weet hoe.

28Want de aarde brengt vanzelf vrucht voort: eerst de halm, daarna de aar, daarna het volle koren in de aar.

29En als de vrucht het toelaat, zendt hij meteen de sikkel erin, omdat de oogsttijd aangebroken is.

De gelijkenis van het mosterdzaad

30

4:30
Matt. 13:31
Luk. 13:18
En Hij zei: Waarmee zullen wij het Koninkrijk van God vergelijken, of door welke gelijkenis zullen wij het voorstellen?

31Door een mosterdzaad dat, als het in de aarde gezaaid wordt, het kleinste is van alle zaden die er op de aarde zijn.

32En wanneer het gezaaid is, komt het op en wordt het grootste van alle tuingewassen, en maakt grote takken, zodat de vogels in de lucht een nest kunnen maken in zijn schaduw.

33

4:33
Matt. 13:34
En door veel van zulke gelijkenissen sprak Hij het Woord tot hen, voor zover zij het horen konden,

34en zonder gelijkenis sprak Hij tot hen niet, maar Hij verklaarde alles aan Zijn discipelen als zij alleen waren.

Jezus stilt de storm

35

4:35
Matt. 8:23
Luk. 8:22
En op die dag, toen het avond geworden was, zei Hij tegen hen: Laten wij overvaren naar de overkant.

36En zij lieten de menigte achter en namen Hem, Die al in het schip was, mee; en er waren nog andere scheepjes bij Hem.

37En er stak een harde stormwind op en de golven sloegen over in het schip, zodat het al volliep.

38En Hij lag in het achterschip te slapen op een hoofdkussen; en zij wekten Hem en zeiden tegen Hem: Meester, bekommert U Zich er niet om dat wij vergaan?

39En Hij, wakker geworden,

4:39
Job 26:12
Ps. 107:29
Jes. 51:10
bestrafte de wind en zei tegen de zee: Zwijg, wees stil! En de wind ging liggen en er kwam een grote stilte.

40En Hij zei tegen hen: Waarom bent u zo angstig? Hebt u dan geen geloof?

41En zij vreesden met grote vrees en zeiden tegen elkaar: Wie is Deze toch, dat zelfs de wind en de zee Hem gehoorzaam zijn?

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]