Herziene Statenvertaling (HSV)
12

De gelijkenis van de slechte landbouwers

121En

12:1
Matt. 21:33
Luk. 20:9
Hij begon tot hen te spreken in gelijkenissen: Iemand
12:1
Ps. 80:9
Jes. 5:1
Jer. 2:21
12:10
plantte een wijngaard, zette er een omheining omheen, groef een wijnpersbak en bouwde een toren, en hij verhuurde hem aan landbouwers en ging naar het buitenland.

2En toen het de tijd was, stuurde hij een dienaar naar de landbouwers om van de landbouwers zijn deel van de opbrengst van de wijngaard te ontvangen.

3Maar zij grepen en sloegen hem, en stuurden hem met lege handen weg.

4En hij stuurde weer een andere dienaar naar hen toe, en die stenigden zij en zij verwondden hem aan het hoofd en stuurden hem weg, nadat hij schandelijk behandeld was.

5En weer stuurde hij een andere en die doodden zij; en vele anderen, van wie zij sommigen sloegen en sommigen doodden.

6Toen hij dan nog één zoon had, die hem lief was, heeft hij ook die, als laatste, naar hen toe gestuurd en hij zei: Voor mijn zoon zullen zij ontzag hebben.

7Maar die landbouwers zeiden tegen elkaar:

12:7
Ps. 2:8
Dit is de erfgenaam.
12:7
Gen. 37:18
Matt. 26:3
Joh. 11:53
Kom, laten wij hem doden en de erfenis zal van ons zijn.

8En zij grepen en doodden hem, en wierpen hem weg, buiten de wijngaard.

9Wat zal dan de heer van de wijngaard doen? Hij zal zelf komen, de landbouwers ombrengen en de wijngaard aan anderen geven.

10Hebt u ook dit Schriftwoord niet gelezen: De

12:10
Ps. 118:22
Jes. 28:16
Matt. 21:42
Luk. 20:17
Hand. 4:11
Rom. 9:33
1 Petr. 2:6
steen die de bouwers verworpen hadden, die is tot een hoeksteen geworden.

11Dit is door de Heere geschied, en het is wonderlijk in onze ogen?

12En zij probeerden Hem te grijpen, maar zij waren bevreesd voor de menigte; want zij begrepen dat Hij die gelijkenis met het oog op hen gesproken had, en zij verlieten Hem en gingen weg.

Het betalen van belasting

13

12:13
Matt. 22:15
Luk. 20:20
En zij stuurden enigen van de Farizeeën en van de Herodianen naar Hem toe om Hem op een woord te vangen.

14Dezen nu kwamen en zeiden tegen Hem: Meester, wij weten dat U waarachtig bent en Zich door niemand laat beïnvloeden; want U ziet de persoon van de mensen niet aan, maar U onderwijst de weg van God in waarheid. Is het geoorloofd de keizer belasting te betalen of niet? Moeten wij betalen of niet betalen?

15Daar Hij echter hun huichelarij kende, zei Hij tegen hen: Waarom verzoekt u Mij? Breng Mij een penning,12:15 penning - Letterlijk: denarie, dat is het dagloon van een arbeider. opdat Ik hem bekijk.

16En zij brachten er een. En Hij zei tegen hen: Van wie is deze afbeelding en het opschrift? En zij zeiden tegen Hem: Van de keizer.

17Toen antwoordde Jezus hun:

12:17
Matt. 17:25
22:21
Rom. 13:7
Geef dan aan de keizer wat van de keizer is, en aan God wat van God is. En zij verwonderden zich over Hem.

De Sadduceeën en de opstanding

18

12:18
Matt. 22:23
Luk. 20:27
Hand. 23:8
Er kwamen ook Sadduceeën naar Hem toe, die zeggen dat er geen opstanding is, en zij vroegen Hem:

19

12:19
Deut. 25:5,6
Meester, Mozes heeft ons voorgeschreven: Als iemands broer sterft en een vrouw achterlaat en geen kinderen nalaat, dat dan zijn broer diens vrouw tot vrouw moet nemen en voor zijn broer nageslacht verwekken.

20Nu waren er zeven broers; en de eerste nam een vrouw en liet bij zijn sterven geen nageslacht na.

21Ook de tweede nam haar tot vrouw en stierf, en ook deze liet geen nageslacht na; en de derde evenzo.

22En alle zeven namen haar tot vrouw en lieten geen nageslacht na; als laatste van allen stierf ook de vrouw.

23In de opstanding, wanneer zij opgestaan zullen zijn, van wie van hen zal zij dan de vrouw zijn? Want alle zeven hebben haar als vrouw gehad.

24En Jezus antwoordde hun: Dwaalt u niet daardoor, dat u de Schriften niet kent en ook niet de kracht van God?

25Want wanneer ze uit de doden opgestaan zullen zijn, trouwen ze niet en worden ze niet ten huwelijk gegeven, maar zijn ze

12:25
Matt. 22:30
1 Joh. 3:2
als engelen in de hemelen.

26En wat betreft de doden, dat zij opgewekt zullen worden: hebt u niet gelezen in het boek van Mozes, hoe God in de doornstruik tot hem sprak:

12:26
Ex. 3:6
Matt. 22:31,32
Hand. 7:32
Hebr. 11:16
Ik ben de God van Abraham en de God van Izak en de God van Jakob?

27Hij is niet een God van doden, maar een God van levenden. U dwaalt dus erg.

Het grootste gebod

28

12:28
Matt. 22:34
Luk. 10:25
En een van de schriftgeleerden, die hen hoorde redetwisten en wist dat Hij hun goed geantwoord had, kwam naar Hem toe en vroeg Hem: Wat is het eerste van alle geboden?

29En Jezus antwoordde hem: Het eerste van alle geboden is:

12:29
Deut. 6:4
10:12
Luk. 10:27
Luister, Israël! De Heere, onze God, de Heere is één.

30En u zult de Heere, uw God, liefhebben met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw verstand en met heel uw kracht. Dit is het eerste gebod.

31En het tweede, hieraan gelijk, is dit:

12:31
Lev. 19:18
Matt. 22:39
Rom. 13:9
Gal. 5:14
Jak. 2:8
U zult uw naaste liefhebben als uzelf. Er is geen ander gebod groter dan deze.

32En de schriftgeleerde zei tegen Hem: Juist, Meester, U hebt naar waarheid gezegd dat God één is, en er is geen ander dan Hij.

33En Hem lief te hebben met heel het hart en met heel het verstand en met heel de ziel en met heel de kracht, en de naaste lief te hebben als zichzelf, is meer dan alle brandoffers en slachtoffers.

34En toen Jezus zag dat hij verstandig geantwoord had, zei Hij tegen hem: U bent niet ver van het Koninkrijk van God. En niemand durfde Hem meer iets te vragen.

Christus, Zoon van David

35

12:35
Matt. 22:41
Luk. 20:41
En Jezus antwoordde en zei, terwijl Hij onderwijs gaf in de tempel: Hoe kunnen de schriftgeleerden zeggen dat de Christus een Zoon van David is?

36Want

12:36
Ps. 110:1
Hand. 2:34
1 Kor. 15:25
Hebr. 1:13
10:13
David zelf heeft door de Heilige Geest gezegd: De Heere heeft gezegd tegen mijn Heere: Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden neergelegd heb als een voetbank voor Uw voeten.

37David noemt Hem dus zelf zijn Heere en hoe kan Hij dan zijn Zoon zijn? En de grote menigte hoorde Hem graag.

Waarschuwing tegen de schriftgeleerden

38

12:38
Matt. 23:5,6
Luk. 11:43
20:46
En Hij zei tegen hen in Zijn onderricht: Pas op voor de schriftgeleerden, die gesteld zijn op het rondlopen in lange gewaden, op begroetingen op de markten,

39op de voorste plaatsen in de synagogen en op de ereplaatsen tijdens de maaltijden.

40

12:40
Matt. 23:14
Luk. 20:47
2 Tim. 3:6
Tit. 1:11
Zij verslinden de huizen van de weduwen en voor de schijn bidden zij lang. Dezen zullen een zwaarder oordeel ontvangen.

De gift van de weduwe

41

12:41
Luk. 21:1
En toen Jezus was gaan zitten tegenover
12:41
2 Kon. 12:9
de schatkist, zag Hij hoe de menigte geld in de schatkist wierp; en veel rijken wierpen er veel in.

42En er kwam één arme weduwe, die er twee kleine munten in wierp, dat is een quadrans.12:42 De quadrans was in die tijd de kleinste munteenheid van het Romeinse Rijk.

43En toen Hij Zijn discipelen bij Zich geroepen had, zei Hij tegen hen: Voorwaar, Ik zeg u dat

12:43
2 Kor. 8:12
deze arme weduwe er meer ingeworpen heeft dan allen die iets in de schatkist geworpen hebben.

44Want zij allen hebben van hun overvloed erin geworpen; maar deze heeft van haar armoede alles wat zij had, erin geworpen, heel haar levensonderhoud.

13

De verwoesting van Jeruzalem voorzegd

131En toen Hij

13:1
Matt. 24:1
Luk. 21:5
uit de tempel ging, zei een van Zijn discipelen tegen Hem: Meester, kijk, wat een stenen en wat een gebouwen!

2En Jezus antwoordde hem: Ziet u deze grote gebouwen?

13:2
1 Kon. 9:7,8
Micha 3:12
Luk. 19:44
Er zal niet één steen op de andere steen gelaten worden die niet afgebroken zal worden.

3

13:3
Matt. 24:3
Luk. 21:7
En toen Hij op de Olijfberg zat, tegenover de tempel, vroegen Petrus, Jakobus, Johannes en Andreas Hem toen zij alleen waren:

4

13:4
Hand. 1:6
Zeg ons, wanneer zullen deze dingen gebeuren? En wat is het teken wanneer al deze dingen in vervulling zullen gaan?

5En Jezus antwoordde hun en begon te zeggen:

13:5
Jer. 29:8
Efez. 5:6
2 Thess. 2:2,3
1 Joh. 4:1
Pas op dat niemand u misleidt.

6Want velen zullen komen

13:6
Jer. 14:14
23:21
onder Mijn Naam en zeggen: Ik ben de Christus; en zij zullen velen misleiden.

7En wanneer u hoort van oorlogen en geruchten van oorlogen, word dan niet verschrikt, want dit moet gebeuren, maar het is nog niet het einde.

8

13:8
Jes. 19:2
Want het ene volk zal tegen het andere volk opstaan en het ene koninkrijk tegen het andere koninkrijk; en er zullen aardbevingen zijn in verscheidene plaatsen en er zullen hongersnoden zijn en onlusten. Deze dingen zijn het begin van de weeën.

9

13:9
Matt. 10:17
24:9
Luk. 21:12
Joh. 15:19
16:2
Openb. 2:10
Past u op uzelf; want ze zullen u overleveren aan raadsvergaderingen, en in de synagogen zult u geslagen worden; en u zult voor stadhouders en koningen geplaatst worden omwille van Mij, tot een getuigenis voor hen.

10En het Evangelie moet eerst gepredikt worden aan alle volken.

11

13:11
Matt. 10:19
Luk. 12:11
21:14
En wanneer ze u zullen wegleiden om u over te leveren, wees dan van tevoren niet bezorgd wat u spreken moet, en bedenk het niet; maar wat u op dat moment gegeven zal worden, spreek dat, want u bent het niet die spreekt, maar de Heilige Geest.

12

13:12
Ezech. 38:21
Micha 7:6
En de ene broer zal de andere overleveren tot de dood en de vader het kind; en de kinderen zullen opstaan tegen de ouders en zullen hen doden.

13En u zult door allen gehaat worden omwille van Mijn Naam,

13:13
Matt. 10:22
24:13
Luk. 21:19
Openb. 2:7,10
maar wie volharden zal tot het einde, die zal zalig worden.

Over de grote verdrukking

14

13:14
Matt. 24:15
Luk. 21:20
Wanneer u dan de gruwel van de verwoesting, waarover door de profeet
13:14
Dan. 9:27
Daniël gesproken is, zult zien staan waar het niet behoort –
13:14
Luk. 21:21
laat hij die het leest, daarop letten! – laten dan zij die in Judea zijn, vluchten naar de bergen.

15En wie op het dak is, moet niet naar beneden gaan in het huis om iets uit zijn huis te halen,

16en wie op de akker is, moet niet terugkeren naar wat hij achterliet, om zijn bovenkleed te halen.

17Maar wee de zwangere en de zogende vrouwen in die dagen!

18En bid dat uw vlucht niet zal plaatsvinden in de winter.

19Want die dagen zullen dagen van zo'n verdrukking zijn als er niet geweest is vanaf het begin van de schepping, die God geschapen heeft, tot nu toe, en er ook nooit meer zijn zal.

20En als de Heere die dagen niet ingekort had, zou er geen vlees behouden worden; maar ter wille van de uitverkorenen, die Hij heeft uitverkoren, heeft Hij die dagen ingekort.

21

13:21
Matt. 24:23
Luk. 21:8
En als dan iemand tegen u zal zeggen: Zie, hier is de Christus; of zie, Hij is daar; geloof het niet.

22

13:22
Deut. 13:1
2 Thess. 2:11
Want er zullen valse christussen en valse profeten opstaan en zij zullen tekenen en wonderen doen om – als het mogelijk zou zijn – ook de uitverkorenen te misleiden.

23Maar past u op; zie, Ik heb u alles van tevoren gezegd!

Over de wederkomst

24

13:24
Jes. 13:10
Ezech. 32:7
Joël 2:31
3:15
Matt. 24:29
Luk. 21:25
Openb. 6:12
Maar in die dagen, na die verdrukking, zal de zon verduisterd worden en de maan zal zijn schijnsel niet geven.

25En de sterren van de hemel zullen daaruit vallen en de krachten in de hemelen zullen heftig bewogen worden.

26

13:26
Dan. 7:10
Matt. 16:27
24:30
Mark. 14:62
Luk. 21:27
Hand. 1:11
1 Thess. 4:16
2 Thess. 1:10
Openb. 1:7
En dan zullen ze de Zoon des mensen zien komen in de wolken, met grote kracht en heerlijkheid.

27En dan zal Hij Zijn engelen uitzenden en Zijn uitverkorenen bijeenbrengen uit de vier windstreken, van het uiterste van de aarde tot het uiterste van de hemel.

28

13:28
Matt. 24:32
Luk. 21:29
En leer van de vijgenboom deze gelijkenis: wanneer zijn tak al zacht wordt en de bladeren uitspruiten, dan weet u dat de zomer nabij is.

29Zo ook u, wanneer u deze dingen zult zien gebeuren, weet dan dat het nabij is, voor de deur.

30Voorwaar, Ik zeg u dat dit geslacht zeker niet voorbij zal gaan totdat al deze dingen gebeurd zijn.

31

13:31
Ps. 102:27
Jes. 40:8
51:6
Hebr. 1:11
De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar Mijn woorden zullen zeker niet voorbijgaan.

32

13:32
Matt. 24:36
Hand. 1:7
Maar die dag en dat moment is aan niemand bekend, ook aan de engelen in de hemel niet, ook aan de Zoon niet, maar alleen aan de Vader.

Aansporing tot waakzaamheid

33

13:33
Matt. 24:42
25:13
Luk. 12:40
21:36
1 Thess. 5:6
Let op: waak en bid, want u weet niet wanneer het de tijd is.

34Het zal zijn als bij iemand die naar het buitenland ging: hij verliet zijn huis, gaf zijn dienaren volmacht, en gaf aan ieder zijn werk, en gebood de deurwachter waakzaam te zijn.

35Wees dus waakzaam! Want u weet niet wanneer de heer des huizes komt, 's avonds laat of te middernacht of met het hanengekraai of 's morgens vroeg,

36opdat hij u niet, als hij plotseling komt, slapend aantreft.

37En wat Ik tegen u zeg, zeg Ik tegen allen: Wees waakzaam!

14

De zalving in Bethanië

141En na twee dagen was

14:1
Matt. 26:2
Luk. 22:1
Joh. 11:55
13:1
het Pascha en het Feest van de ongezuurde broden. En de overpriesters en de schriftgeleerden zochten naar een manier om Hem door een list te grijpen en te doden.

2Maar zij zeiden: Niet tijdens het feest, opdat er niet misschien opschudding onder het volk ontstaat.

3

14:3
Matt. 26:6
Luk. 7:37
Joh. 11:2
12:3
En toen Hij in Bethanië was, in het huis van Simon de melaatse, kwam er, toen Hij aanlag, een vrouw met een albasten fles met zuivere, kostbare narduszalf en nadat zij de albasten fles gebroken had, goot zij hem uit op Zijn hoofd.

4En er waren er sommigen die verontwaardigd waren bij zichzelf en zeiden: Waartoe diende deze verkwisting van de zalf?

5Want die had voor meer dan driehonderd penningen14:5 penningen - Letterlijk: denarie, dat is het dagloon van een arbeider. verkocht en aan de armen gegeven kunnen worden; en zij vielen scherp tegen haar uit.

6Maar Jezus zei: Laat haar met rust. Waarom valt u haar lastig? Zij heeft een goed werk aan Mij verricht.

7

14:7
Deut. 15:11
Want de armen hebt u altijd bij u en wanneer u wilt, kunt u hun weldoen, maar Mij hebt u niet altijd.

8Zij heeft gedaan wat zij kon; zij heeft van tevoren Mijn lichaam gezalfd voor de begrafenis.

9Voorwaar, Ik zeg u: Overal waar dit Evangelie gepredikt zal worden in heel de wereld, zal ook tot haar gedachtenis gesproken worden over wat zij gedaan heeft.

10

14:10
Matt. 26:14
Luk. 22:4
En Judas Iskariot, een van de twaalf, ging weg naar de overpriesters om Hem aan hen over te leveren.

11En toen zij dat hoorden, verblijdden zij zich en beloofden zij hem geld te geven. En hij zocht naar een geschikte manier om Hem over te leveren.

De paastijd

12

14:12
Matt. 26:17
Luk. 22:7
En op de eerste dag van
14:12
Ex. 12:17
de ongezuurde broden, wanneer ze het Pascha slachtten, zeiden Zijn discipelen tegen Hem: Waar wilt U dat wij heengaan en voorbereidingen treffen, zodat U het Pascha kunt eten?

13En Hij stuurde twee van Zijn discipelen eropuit en zei tegen hen: Ga de stad in en iemand zal u tegemoetkomen die een kruik water draagt; volg hem,

14en waar hij ook naar binnen gaat, zeg daar tegen de heer des huizes: De Meester zegt: Waar is de eetzaal waar Ik het Pascha met Mijn discipelen eten zal?

15En hij zal u een grote bovenzaal wijzen, volledig ingericht en klaar; maak het daar voor ons gereed.

16En Zijn discipelen vertrokken en kwamen in de stad en zij vonden het zoals Hij hun gezegd had, en zij maakten het Pascha gereed.

De ontmaskering van Judas

17

14:17
Matt. 26:20
Luk. 22:14
En toen het avond geworden was, kwam Hij met de twaalf.

18En toen zij aanlagen en aten, zei Jezus: Voorwaar, Ik zeg u

14:18
Ps. 41:10
Hand. 1:17
dat een van u, die met Mij eet, Mij verraden zal.

19En zij begonnen bedroefd te worden en de een na de ander tegen Hem te zeggen: Ik ben het toch niet? En weer een ander: Ik ben het toch niet?

20Maar Hij antwoordde hun: Het is een van de twaalf, die met Mij in de schotel indoopt.

21De Zoon des mensen gaat wel heen, zoals over Hem geschreven staat, maar wee de mens door wie de Zoon des mensen verraden wordt! Het zou goed voor die mens zijn, als hij niet geboren was.

De instelling van het Heilig Avondmaal

22

14:22
Matt. 26:26
Luk. 22:19
1 Kor. 11:23
En terwijl zij aten, nam Jezus brood en toen Hij het gezegend had, brak Hij het en gaf het hun en zei: Neem, eet, dit is Mijn lichaam.

23En Hij nam de drinkbeker en nadat Hij gedankt had, gaf Hij hun die en zij dronken er allen uit.

24En Hij zei tegen hen: Dit is Mijn bloed, het bloed van het nieuwe testament,14:24 testament - Het Griekse woord betekent hier zowel testament als verbond. dat voor velen vergoten wordt.

25Voorwaar, Ik zeg u dat Ik niet meer zal drinken van de vrucht van de wijnstok tot op de dag wanneer Ik die nieuw zal drinken in het Koninkrijk van God.

26En toen zij de lofzang gezongen hadden, vertrokken zij naar de Olijfberg.

Petrus gewaarschuwd

27

14:27
Matt. 26:31
Joh. 16:32
En Jezus zei tegen hen: U zult in deze nacht allen aanstoot aan Mij nemen, want er is geschreven:
14:27
Zach. 13:7
Ik zal de Herder slaan en de schapen zullen uiteengedreven worden.

28

14:28
Matt. 26:32
28:10
Mark. 16:7
Maar nadat Ik opgewekt zal zijn, zal Ik u voorgaan naar Galilea.

29En Petrus zei tegen Hem: Ook al zullen allen aanstoot aan U nemen, ik echter niet.

30

14:30
Matt. 26:34
Luk. 22:34
Joh. 13:38
En Jezus zei tegen hem: Voorwaar, Ik zeg u dat u vandaag, in deze nacht, voordat de haan twee keer gekraaid zal hebben, Mij driemaal zult verloochenen.

31

14:31
Joh. 13:37
Maar hij zei nog krachtiger: Al moest ik met U sterven, ik zal U beslist niet verloochenen! En evenzo spraken zij ook allen.

Gethsémané

32

14:32
Matt. 26:36
Luk. 22:39
Joh. 18:1
En zij kwamen op een plaats waarvan de naam Gethsémané was, en Hij zei tegen Zijn discipelen: Ga hier zitten totdat Ik gebeden zal hebben.

33En Hij nam Petrus, Jakobus en Johannes met Zich mee en begon ontdaan en zeer angstig te worden;

34en Hij zei tegen hen:

14:34
Joh. 12:27
Mijn ziel is zeer bedroefd, tot de dood toe; blijf hier en waak.

35

14:35
Luk. 22:41
En toen Hij iets verder gegaan was, wierp Hij Zich ter aarde en bad dat, als het mogelijk was, dat uur aan Hem voorbij zou gaan.

36En Hij zei: Abba, Vader, alle dingen zijn mogelijk voor U; neem deze drinkbeker van Mij weg,

14:36
Joh. 6:38
maar niet wat Ik wil, maar wat U wilt.

37

14:37
Matt. 26:40
Luk. 22:45
En Hij kwam en trof hen slapend aan en Hij zei tegen Petrus: Simon, slaapt u? Was u niet in staat één uur te waken?

38Waak allen en bid, opdat u niet in verzoeking komt;

14:38
Gal. 5:17
de geest is wel gewillig, maar het vlees is zwak.

39En toen Hij weer weggegaan was, bad Hij en sprak dezelfde woorden.

40En toen Hij terugkwam, trof Hij hen opnieuw slapend aan, want hun ogen waren zwaar geworden; en zij wisten niet wat zij Hem moesten antwoorden.

41En Hij kwam voor de derde keer en zei tegen hen: Slaap nu maar verder en rust; het is genoeg, het uur is gekomen; zie, de Zoon des mensen wordt overgeleverd in de handen van de zondaars.

42Sta op, laten wij gaan; zie, hij die Mij verraadt, is dichtbij.

De gevangenneming van Jezus

43

14:43
Matt. 26:47
Luk. 22:47
Joh. 18:3
En meteen, terwijl Hij nog sprak, kwam Judas eraan, die een van de twaalf was, en met hem een grote menigte met zwaarden en stokken, gestuurd door de overpriesters, de schriftgeleerden en de oudsten.

44En hij die Hem verraadde, had met hen een teken afgesproken en gezegd: Die ik kussen zal, Die is het; grijp Hem, en leid Hem zorgvuldig bewaakt weg.

45En toen hij daar gekomen was, ging hij meteen naar Hem toe en zei: Rabbi, Rabbi, en

14:45
2 Sam. 20:9
hij kuste Hem.

46En zij sloegen de handen aan Hem en grepen Hem.

47Maar een van degenen die daarbij stonden, trok het zwaard, en hij trof de dienaar van de hogepriester en sloeg hem het oor af.

48En Jezus antwoordde en zei tegen hen: Bent u er met zwaarden en stokken opuit gegaan, als tegen een misdadiger, om Mij gevangen te nemen?

49Dagelijks was Ik bij u in de tempel onderwijs aan het geven en u hebt Mij niet gegrepen, maar dit gebeurt

14:49
Ps. 22:7
69:10
Luk. 24:25
opdat de Schriften vervuld worden.

50

14:50
Job 19:13
Ps. 88:9
En Zijn discipelen verlieten Hem en vluchtten allen.

51En een zekere jongeman, die een linnen kleed om het naakte lichaam geslagen had, volgde Hem, en de jongemannen grepen hem,

52maar hij liet het linnen kleed achter en vluchtte naakt van hen weg.

Jezus voor het Sanhedrin

53

14:53
Matt. 26:57
Luk. 22:54
Joh. 18:13,24
En ze leidden Jezus weg naar de hogepriester; en bij hem kwamen al de overpriesters, de oudsten en de schriftgeleerden bijeen.

54En Petrus volgde Hem op een afstand, tot binnen het paleis van de hogepriester, en hij zat er samen met de dienaars en warmde zich bij het vuur.

55

14:55
Matt. 26:59
Hand. 6:13
En de overpriesters en heel de Raad zochten een getuigenverklaring tegen Jezus om Hem te kunnen doden, maar vonden die niet.

56Want velen legden een vals getuigenis tegen Hem af, maar de getuigenissen waren niet eensluidend.

57Toen stonden er enigen op en legden een vals getuigenis tegen Hem af en zeiden:

58Wij hebben Hem horen zeggen:

14:58
Mark. 15:29
Joh. 2:19
Ik zal deze tempel, die met handen gemaakt is, afbreken en in drie dagen een andere, niet met handen gemaakt, bouwen.

59En ook zo was hun getuigenis niet eensluidend.

60

14:60
Matt. 26:62
En de hogepriester, die in het midden opstond, vroeg Jezus: Antwoordt U niets? Wat getuigen deze mensen tegen U?

61

14:61
Jes. 53:7
Hand. 8:32
Maar Hij zweeg en antwoordde niets. Opnieuw stelde de hogepriester Hem een vraag, en zei tegen Hem: Bent U de Christus, de Zoon van de Gezegende?

62En Jezus zei: Ik ben het.

14:62
Dan. 7:13
Matt. 16:27
24:30
25:31
Luk. 21:27
Hand. 1:11
1 Thess. 4:16
2 Thess. 1:10
Openb. 1:7
En u zult de Zoon des mensen zien zitten aan de rechterhand van de kracht van God en zien komen met de wolken van de hemel.

63Toen scheurde de hogepriester zijn kleren en zei: Waar hebben wij nog getuigen voor nodig?

64U hebt de godslastering gehoord. Wat is uw mening? En zij allen oordeelden over Hem dat Hij schuldig was en de dood verdiende.

65Toen begonnen sommigen Hem te bespuwen en Zijn gezicht te bedekken en

14:65
Job 16:10
Jes. 50:6
Joh. 19:3
Hem met vuisten te slaan en tegen Hem te zeggen: Profeteer! En de dienaars gaven Hem slagen in het gezicht.

De verloochening van Petrus

66

14:66
Matt. 26:58,69
Luk. 22:55
Joh. 18:16,17
En toen Petrus beneden op de binnenplaats was, kwam een van de dienstmeisjes van de hogepriester;

67en toen zij Petrus zich zag warmen, keek zij hem aan en zei: Ook u was bij Jezus de Nazarener.

68Maar hij ontkende het en zei: Ik ken Hem niet, en ik weet niet wat u zegt. En hij ging naar buiten, naar het voorportaal, en de haan kraaide.

69

14:69
Matt. 26:71
Luk. 22:58
Joh. 18:25
En toen het dienstmeisje hem opnieuw zag, begon zij te zeggen tegen hen die daarbij stonden: Hij is een van hen.

70Maar hij ontkende het opnieuw. En kort daarna zeiden zij die daarbij stonden, opnieuw tegen Petrus: Werkelijk, u bent een van hen, want u bent ook een Galileeër en uw spraak vertoont overeenkomst.

71En hij begon zichzelf te vervloeken en te zweren: Ik ken deze Mens niet over Wie u spreekt.

72En de haan kraaide voor de tweede keer; en Petrus herinnerde zich het woord dat Jezus tegen hem gezegd had:

14:72
Matt. 26:34,75
Luk. 22:61
Joh. 13:38
18:27
Voordat de haan twee keer gekraaid zal hebben, zult u Mij driemaal verloochenen. En toen dat tot hem doordrong, begon hij te huilen.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]