Herziene Statenvertaling (HSV)
10

Over de echtscheiding

101En

10:1
Matt. 19:1
toen Hij opgestaan was, ging Hij vandaar naar het gebied van Judea, door het Overjordaanse; en de menigten kwamen opnieuw bij Hem samen, en zoals Hij gewoon was, onderwees Hij hun opnieuw.

2En de Farizeeën kwamen naar Hem toe en vroegen Hem, om Hem te verzoeken, of het een man geoorloofd is zijn vrouw te verstoten.

3Maar Hij antwoordde en zei tegen hen: Wat heeft Mozes u geboden?

4En zij zeiden:

10:4
Deut. 24:1
Jer. 3:1
Matt. 5:31
Mozes heeft toegestaan een echtscheidingsbrief te schrijven en haar te verstoten.

5En Jezus antwoordde hun: Vanwege de hardheid van uw hart heeft hij dat gebod voor u geschreven.

6

10:6
Gen. 1:27
Matt. 19:4
Maar vanaf het begin van de schepping heeft God hen mannelijk en vrouwelijk gemaakt.

7

10:7
Gen. 2:24
1 Kor. 6:16
Efez. 5:31
Daarom zal een man zijn vader en zijn moeder verlaten en zich aan zijn vrouw hechten;

8en die twee zullen tot één vlees zijn, zodat zij niet meer twee zijn, maar één vlees.

9

10:9
1 Kor. 7:10
Dus, wat God samengevoegd heeft, laat de mens dat niet scheiden.

10En thuis stelden Zijn discipelen Hem hierover opnieuw vragen.

11

10:11
Matt. 5:32
19:9
Luk. 16:18
1 Kor. 7:10
En Hij zei tegen hen: Wie zijn vrouw verstoot en met een andere trouwt, pleegt overspel tegen haar.

12En als een vrouw haar man verstoot en met een andere trouwt, pleegt zij ook overspel.

Jezus zegent de kinderen

13

10:13
Matt. 19:13
Luk. 18:15
En ze brachten kinderen bij Hem, opdat Hij hen zou aanraken, maar de discipelen bestraften degenen die hen bij Hem brachten.

14Maar toen Jezus dat zag, nam Hij het hun zeer kwalijk en zei tegen hen: Laat de kinderen bij Mij komen en verhinder hen niet,

10:14
Matt. 18:3
19:14
1 Kor. 14:20
1 Petr. 2:2
want voor zodanigen is het Koninkrijk van God.

15Voorwaar, Ik zeg u: wie het Koninkrijk van God niet ontvangt als een kind, zal het beslist niet binnengaan.

16

10:16
Matt. 19:15
Mark. 9:36
En Hij omarmde hen, legde de handen op hen en zegende hen.

De rijke jongeman

17

10:17
Matt. 19:16
Luk. 18:18
En toen Hij naar buiten ging om op weg te gaan, snelde er iemand naar Hem toe, viel voor Hem op de knieën en vroeg Hem: Goede Meester, wat moet ik doen om het eeuwige leven te beërven?

18En Jezus zei tegen hem: Waarom noemt u Mij goed? Niemand is goed behalve Eén, namelijk God.

19U kent de geboden:

10:19
Ex. 20:13
21:12
Deut. 5:17
Rom. 13:9
U zult geen overspel plegen; u zult niet doden; u zult niet stelen; u zult geen vals getuigenis afleggen; u zult niemand benadelen; eer uw vader en uw moeder.

20Maar hij antwoordde Hem: Meester, al deze dingen heb ik in acht genomen van mijn jeugd af.

21En Jezus keek hem aan en had hem lief, en Hij zei tegen hem:

10:21
Matt. 6:19
Luk. 12:33
1 Tim. 6:17
Eén ding ontbreekt u: ga heen, verkoop alles wat u hebt en geef het aan de armen en u zult een schat hebben in de hemel; en kom dan, neem het kruis op en volg Mij.

22Maar hij werd treurig over dat woord en ging bedroefd weg, want hij had veel bezittingen.

23En terwijl Hij rondkeek, zei Jezus tegen Zijn discipelen:

10:23
Spr. 11:28
Matt. 19:23
Luk. 18:24
Hoe moeilijk kunnen zij die rijkdommen bezitten, het Koninkrijk van God binnengaan!

24En de discipelen verbaasden zich over Zijn woorden. Maar Jezus antwoordde opnieuw en zei tegen hen: Kinderen, hoe moeilijk is het dat zij die op rijkdommen vertrouwen, het Koninkrijk van God binnengaan!

25Het is gemakkelijker dat een kameel door het oog van een naald gaat, dan dat een rijke het Koninkrijk van God binnengaat.

26En zij stonden nog meer versteld en zeiden tegen elkaar: Wie kan dan zalig worden?

27Maar Jezus keek hen aan en zei: Bij de mensen is het onmogelijk, maar niet bij God,

10:27
Job 42:2
Jer. 32:17
Zach. 8:6
Luk. 1:37
want bij God zijn alle dingen mogelijk.

28

10:28
Matt. 4:20
19:27
Luk. 5:11
18:28
En Petrus begon tegen Hem te zeggen: Zie, wij hebben alles verlaten en zijn U gevolgd.

29En Jezus antwoordde: Voorwaar, Ik zeg u: er is niemand die huis of broers of zusters of vader of moeder of vrouw of kinderen of akkers verlaten heeft omwille van Mij en om het Evangelie,

30of hij ontvangt honderdvoudig, nu in deze tijd, huizen en broeders en zusters en moeders en kinderen en akkers, met vervolgingen, en in de wereld die komt, het eeuwige leven.

31

10:31
Matt. 19:30
20:16
Luk. 13:30
Maar veel eersten zullen de laatsten zijn, en veel laatsten de eersten.

De derde aankondiging van het lijden

32

10:32
Matt. 16:21
17:22
20:18
Mark. 8:31
9:31
Luk. 9:22
18:31
24:7
En zij waren onderweg en gingen naar Jeruzalem en Jezus ging hen voor; en zij waren verbaasd en terwijl zij Hem volgden, waren zij bevreesd. En toen Hij de twaalf opnieuw bij Zich genomen had, begon Hij tegen hen te zeggen wat Hem overkomen zou:

33Zie, wij gaan op naar Jeruzalem en de Zoon des mensen zal aan de overpriesters en de schriftgeleerden overgeleverd worden, en zij zullen Hem ter dood veroordelen en Hem aan de heidenen overleveren.

34En zij zullen Hem bespotten en Hem geselen en Hem bespuwen en Hem doden; en op de derde dag zal Hij weer opstaan.

De zonen van Zebedeüs

35

10:35
Matt. 20:20
En Jakobus en Johannes, de zonen van Zebedeüs, kwamen naar Hem toe en zeiden: Meester, wij zouden willen dat U voor ons doet wat wij ook maar vragen.

36En Hij zei tegen hen: Wat wilt u dat Ik voor u doe?

37En zij zeiden tegen Hem: Geef ons dat wij mogen zitten, de één aan Uw rechter- en de ander aan Uw linkerhand, in Uw heerlijkheid.

38Maar Jezus zei tegen hen: U weet niet wat u vraagt. Kunt u de drinkbeker drinken die Ik drink, en met de doop gedoopt worden

10:38
Matt. 20:22
Luk. 12:50
waarmee Ik gedoopt word?

39En zij zeiden tegen Hem: Dat kunnen wij. Maar Jezus zei tegen hen: De drinkbeker die Ik drink, zult u wel drinken, en met de doop waarmee Ik gedoopt word, zult u gedoopt worden,

40maar het zitten aan Mijn rechter- en aan Mijn linkerhand is niet aan Mij om te geven; maar het zal gegeven worden

10:40
Matt. 25:34
aan hen voor wie het bestemd is.

41

10:41
Matt. 20:24
En toen de tien anderen dit hoorden, begonnen zij het Jakobus en Johannes zeer kwalijk te nemen.

42Maar Jezus riep hen bij Zich en zei tegen hen: U weet

10:42
Matt. 20:25
Luk. 22:25
dat zij die geacht worden leiders te zijn van de volken, heerschappij over hen voeren, en dat hun groten macht over hen uitoefenen.

43

10:43
1 Petr. 5:3
Maar zo zal het onder u niet zijn; maar wie onder u belangrijk wil worden, die moet uw dienaar zijn.

44En wie van u de eerste zal willen worden, die moet dienaar van allen zijn.

45Want ook de Zoon des mensen is niet gekomen

10:45
Joh. 13:14
Filipp. 2:7
om gediend te worden, maar om te dienen, en
10:45
Efez. 1:7
Kol. 1:14
1 Tim. 2:6
Tit. 2:14
Zijn ziel te geven als losprijs voor velen.

De blinde in Jericho

46

10:46
Matt. 20:29
Luk. 18:35
En zij kwamen in Jericho. En toen Hij en Zijn discipelen en een grote menigte Jericho uitgingen, zat de zoon van Timeüs, Bartimeüs, de blinde, aan de weg te bedelen.

47En toen hij hoorde dat het Jezus de Nazarener was, begon hij te roepen en te zeggen: Jezus, Zoon van David, ontferm U over mij!

48En velen bestraften hem opdat hij zwijgen zou; maar hij riep des te meer: Zoon van David, ontferm U over mij!

49En Jezus stond stil en zei dat men hem roepen moest. Toen riepen ze de blinde en zeiden tegen hem: Heb goede moed, sta op, Hij roept u.

50En hij wierp zijn bovenkleed af, stond op en kwam bij Jezus.

51En Jezus antwoordde hem en zei: Wat wilt u dat Ik voor u doen zal? En de blinde zei tegen Hem: Rabboni, dat ik ziende mag worden.

52En Jezus zei tegen hem: Ga heen,

10:52
Matt. 9:22
Mark. 5:34
uw geloof heeft u behouden. En meteen werd hij ziende en volgde Jezus op de weg.

11

De intocht in Jeruzalem

111En

11:1
Matt. 21:1
Luk. 19:29
toen zij Jeruzalem naderden, bij Bethfagé en Bethanië, dicht bij de Olijfberg, zond Hij twee van Zijn discipelen uit,

2en zei tegen hen: Ga naar het dorp dat voor u ligt, en zodra u er binnenkomt, zult u een veulen vinden dat vastgebonden is, waarop geen mens gezeten heeft; maak het los en breng het hier.

3En als iemand tegen u zegt: Waarom doet u dat? zeg dan: De Heere heeft het nodig; en hij zal het meteen hierheen sturen.

4En zij vertrokken en vonden het veulen vastgebonden bij de deur, buiten aan de straat, en zij maakten het los.

5En sommigen van hen die daar stonden, zeiden tegen hen: Wat doet u, dat u het veulen losmaakt?

6Maar zij spraken tot hen zoals Jezus bevolen had; en men liet hen gaan.

7En zij brachten

11:7
Joh. 12:14
het veulen bij Jezus en wierpen
11:7
2 Kon. 9:13
hun kleren erop; en Hij ging erop zitten.

8Ook spreidden velen hun kleren op de weg uit en anderen hakten twijgen van de bomen en spreidden ze op de weg uit.

9En zij die vooropliepen en zij die volgden, riepen: Hosanna!

11:9
Ps. 118:26
Gezegend Hij Die komt in de Naam van de Heere!

10Gezegend het Koninkrijk van onze vader David, dat komt in de Naam van de Heere! Hosanna in de hoogste hemelen!

11

11:11
Matt. 21:12,14
Luk. 19:45
Joh. 2:14
En Jezus kwam Jeruzalem binnen en ging de tempel in; en nadat Hij alles rondom bekeken had en toen het al avond11:11 avond - Letterlijk: avondtijd. was, ging Hij met de twaalf de stad uit naar Bethanië.

De vijgenboom verdord en de tempel gereinigd

12

11:12
Matt. 21:18
En de volgende dag, toen zij uit Bethanië gingen, kreeg Hij honger.

13En toen Hij in de verte een vijgenboom zag die bladeren had, ging Hij erheen om te zien of Hij er ook iets aan zou vinden; en erbij gekomen, vond Hij niets dan bladeren, want het was niet de tijd voor vijgen.

14En Jezus antwoordde en zei tegen hem: Laat niemand meer vrucht van u eten in eeuwigheid! En Zijn discipelen hoorden het.

15En zij kwamen in Jeruzalem;

11:15
Matt. 21:12
Luk. 19:45
Joh. 2:14
en toen Jezus de tempel binnengegaan was, begon Hij hen die in de tempel verkochten en kochten, naar buiten te drijven; en de tafels van de wisselaars en de stoelen van hen die de duiven verkochten, keerde Hij om,

16en Hij liet niet toe dat iemand enig voorwerp door de tempel droeg.

17

11:17
Matt. 21:13
Luk. 19:46
En Hij gaf onderwijs en zei tegen hen: Staat er niet geschreven:
11:17
1 Kon. 8:29
Jes. 56:7
Mijn huis zal een huis van gebed genoemd worden voor alle volken?
11:17
Jer. 7:11
Maar u hebt er een rovershol van gemaakt.

18En de schriftgeleerden en de overpriesters hoorden het en

11:18
Joh. 7:19
zochten naar een manier om Hem om te brengen, want zij waren bevreesd voor Hem, omdat heel de menigte versteld stond over Zijn onderricht.

19En toen het laat geworden was, ging Hij naar buiten, de stad uit.

20En toen zij er 's morgens vroeg voorbijgingen, zagen zij dat de vijgenboom verdord was, van de wortels af.

21En Petrus, die het zich herinnerde, zei tegen Hem: Rabbi, kijk, de vijgenboom die U vervloekt hebt, is verdord.

22En Jezus antwoordde en zei tegen hen: Heb geloof in God.

23

11:23
Matt. 17:20
21:21
Luk. 17:6
Want, voorwaar, Ik zeg u: wie tegen deze berg zal zeggen: Word opgeheven en in de zee geworpen, en niet zal twijfelen in zijn hart, maar zal geloven dat wat hij zegt, gebeuren zal, het zal hem gebeuren wat hij zegt.

24Daarom zeg Ik u:

11:24
Jer. 29:12
Matt. 7:7
Luk. 11:9
Joh. 14:13
15:7
16:24
Jak. 1:5,6
1 Joh. 3:22
5:14
alles wat u biddend begeert, geloof dat u het ontvangen zult, en het zal u ten deel vallen.

25En wanneer u staat te bidden,

11:25
Matt. 6:14
Kol. 3:13
vergeef als u tegen iemand iets hebt, opdat ook uw Vader, Die in de hemelen is, u uw overtredingen vergeeft.

26

11:26
Matt. 18:35
Maar als u niet vergeeft, zal uw Vader, Die in de hemelen is, ook uw misdaden niet vergeven.

Over de doop van Johannes

27

11:27
Matt. 21:23
Luk. 20:1
En zij kwamen weer in Jeruzalem. En toen Hij in de tempel rondliep, kwamen de overpriesters en de schriftgeleerden en de oudsten naar Hem toe

28en zeiden tegen Hem:

11:28
Ex. 2:14
Hand. 4:7
7:27
Met welke bevoegdheid doet U deze dingen? En wie heeft U deze bevoegdheid gegeven om deze dingen te doen?

29Maar Jezus antwoordde en zei tegen hen: Ik zal u ook één vraag stellen; antwoord Mij ook, en dan zal Ik u zeggen met welke bevoegdheid Ik deze dingen doe:

30De doop van Johannes, was die uit de hemel of uit de mensen? Antwoord Mij.

31En zij overlegden met elkaar en zeiden: Als wij zeggen: Uit de hemel, dan zal Hij zeggen: Waarom hebt u hem dan niet geloofd?

32Maar als wij zeggen: Uit de mensen, dan hebben wij bevreesd te zijn voor het volk;

11:32
Matt. 14:5
Mark. 6:20
want allen hielden het ervoor dat Johannes werkelijk een profeet was.

33En zij antwoordden en zeiden tegen Jezus: Wij weten het niet. En Jezus antwoordde hun: Dan zeg Ik u ook niet met welke bevoegdheid Ik deze dingen doe.

12

De gelijkenis van de slechte landbouwers

121En

12:1
Matt. 21:33
Luk. 20:9
Hij begon tot hen te spreken in gelijkenissen: Iemand
12:1
Ps. 80:9
Jes. 5:1
Jer. 2:21
12:10
plantte een wijngaard, zette er een omheining omheen, groef een wijnpersbak en bouwde een toren, en hij verhuurde hem aan landbouwers en ging naar het buitenland.

2En toen het de tijd was, stuurde hij een dienaar naar de landbouwers om van de landbouwers zijn deel van de opbrengst van de wijngaard te ontvangen.

3Maar zij grepen en sloegen hem, en stuurden hem met lege handen weg.

4En hij stuurde weer een andere dienaar naar hen toe, en die stenigden zij en zij verwondden hem aan het hoofd en stuurden hem weg, nadat hij schandelijk behandeld was.

5En weer stuurde hij een andere en die doodden zij; en vele anderen, van wie zij sommigen sloegen en sommigen doodden.

6Toen hij dan nog één zoon had, die hem lief was, heeft hij ook die, als laatste, naar hen toe gestuurd en hij zei: Voor mijn zoon zullen zij ontzag hebben.

7Maar die landbouwers zeiden tegen elkaar:

12:7
Ps. 2:8
Dit is de erfgenaam.
12:7
Gen. 37:18
Matt. 26:3
Joh. 11:53
Kom, laten wij hem doden en de erfenis zal van ons zijn.

8En zij grepen en doodden hem, en wierpen hem weg, buiten de wijngaard.

9Wat zal dan de heer van de wijngaard doen? Hij zal zelf komen, de landbouwers ombrengen en de wijngaard aan anderen geven.

10Hebt u ook dit Schriftwoord niet gelezen: De

12:10
Ps. 118:22
Jes. 28:16
Matt. 21:42
Luk. 20:17
Hand. 4:11
Rom. 9:33
1 Petr. 2:6
steen die de bouwers verworpen hadden, die is tot een hoeksteen geworden.

11Dit is door de Heere geschied, en het is wonderlijk in onze ogen?

12En zij probeerden Hem te grijpen, maar zij waren bevreesd voor de menigte; want zij begrepen dat Hij die gelijkenis met het oog op hen gesproken had, en zij verlieten Hem en gingen weg.

Het betalen van belasting

13

12:13
Matt. 22:15
Luk. 20:20
En zij stuurden enigen van de Farizeeën en van de Herodianen naar Hem toe om Hem op een woord te vangen.

14Dezen nu kwamen en zeiden tegen Hem: Meester, wij weten dat U waarachtig bent en Zich door niemand laat beïnvloeden; want U ziet de persoon van de mensen niet aan, maar U onderwijst de weg van God in waarheid. Is het geoorloofd de keizer belasting te betalen of niet? Moeten wij betalen of niet betalen?

15Daar Hij echter hun huichelarij kende, zei Hij tegen hen: Waarom verzoekt u Mij? Breng Mij een penning,12:15 penning - Letterlijk: denarie, dat is het dagloon van een arbeider. opdat Ik hem bekijk.

16En zij brachten er een. En Hij zei tegen hen: Van wie is deze afbeelding en het opschrift? En zij zeiden tegen Hem: Van de keizer.

17Toen antwoordde Jezus hun:

12:17
Matt. 17:25
22:21
Rom. 13:7
Geef dan aan de keizer wat van de keizer is, en aan God wat van God is. En zij verwonderden zich over Hem.

De Sadduceeën en de opstanding

18

12:18
Matt. 22:23
Luk. 20:27
Hand. 23:8
Er kwamen ook Sadduceeën naar Hem toe, die zeggen dat er geen opstanding is, en zij vroegen Hem:

19

12:19
Deut. 25:5,6
Meester, Mozes heeft ons voorgeschreven: Als iemands broer sterft en een vrouw achterlaat en geen kinderen nalaat, dat dan zijn broer diens vrouw tot vrouw moet nemen en voor zijn broer nageslacht verwekken.

20Nu waren er zeven broers; en de eerste nam een vrouw en liet bij zijn sterven geen nageslacht na.

21Ook de tweede nam haar tot vrouw en stierf, en ook deze liet geen nageslacht na; en de derde evenzo.

22En alle zeven namen haar tot vrouw en lieten geen nageslacht na; als laatste van allen stierf ook de vrouw.

23In de opstanding, wanneer zij opgestaan zullen zijn, van wie van hen zal zij dan de vrouw zijn? Want alle zeven hebben haar als vrouw gehad.

24En Jezus antwoordde hun: Dwaalt u niet daardoor, dat u de Schriften niet kent en ook niet de kracht van God?

25Want wanneer ze uit de doden opgestaan zullen zijn, trouwen ze niet en worden ze niet ten huwelijk gegeven, maar zijn ze

12:25
Matt. 22:30
1 Joh. 3:2
als engelen in de hemelen.

26En wat betreft de doden, dat zij opgewekt zullen worden: hebt u niet gelezen in het boek van Mozes, hoe God in de doornstruik tot hem sprak:

12:26
Ex. 3:6
Matt. 22:31,32
Hand. 7:32
Hebr. 11:16
Ik ben de God van Abraham en de God van Izak en de God van Jakob?

27Hij is niet een God van doden, maar een God van levenden. U dwaalt dus erg.

Het grootste gebod

28

12:28
Matt. 22:34
Luk. 10:25
En een van de schriftgeleerden, die hen hoorde redetwisten en wist dat Hij hun goed geantwoord had, kwam naar Hem toe en vroeg Hem: Wat is het eerste van alle geboden?

29En Jezus antwoordde hem: Het eerste van alle geboden is:

12:29
Deut. 6:4
10:12
Luk. 10:27
Luister, Israël! De Heere, onze God, de Heere is één.

30En u zult de Heere, uw God, liefhebben met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw verstand en met heel uw kracht. Dit is het eerste gebod.

31En het tweede, hieraan gelijk, is dit:

12:31
Lev. 19:18
Matt. 22:39
Rom. 13:9
Gal. 5:14
Jak. 2:8
U zult uw naaste liefhebben als uzelf. Er is geen ander gebod groter dan deze.

32En de schriftgeleerde zei tegen Hem: Juist, Meester, U hebt naar waarheid gezegd dat God één is, en er is geen ander dan Hij.

33En Hem lief te hebben met heel het hart en met heel het verstand en met heel de ziel en met heel de kracht, en de naaste lief te hebben als zichzelf, is meer dan alle brandoffers en slachtoffers.

34En toen Jezus zag dat hij verstandig geantwoord had, zei Hij tegen hem: U bent niet ver van het Koninkrijk van God. En niemand durfde Hem meer iets te vragen.

Christus, Zoon van David

35

12:35
Matt. 22:41
Luk. 20:41
En Jezus antwoordde en zei, terwijl Hij onderwijs gaf in de tempel: Hoe kunnen de schriftgeleerden zeggen dat de Christus een Zoon van David is?

36Want

12:36
Ps. 110:1
Hand. 2:34
1 Kor. 15:25
Hebr. 1:13
10:13
David zelf heeft door de Heilige Geest gezegd: De Heere heeft gezegd tegen mijn Heere: Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden neergelegd heb als een voetbank voor Uw voeten.

37David noemt Hem dus zelf zijn Heere en hoe kan Hij dan zijn Zoon zijn? En de grote menigte hoorde Hem graag.

Waarschuwing tegen de schriftgeleerden

38

12:38
Matt. 23:5,6
Luk. 11:43
20:46
En Hij zei tegen hen in Zijn onderricht: Pas op voor de schriftgeleerden, die gesteld zijn op het rondlopen in lange gewaden, op begroetingen op de markten,

39op de voorste plaatsen in de synagogen en op de ereplaatsen tijdens de maaltijden.

40

12:40
Matt. 23:14
Luk. 20:47
2 Tim. 3:6
Tit. 1:11
Zij verslinden de huizen van de weduwen en voor de schijn bidden zij lang. Dezen zullen een zwaarder oordeel ontvangen.

De gift van de weduwe

41

12:41
Luk. 21:1
En toen Jezus was gaan zitten tegenover
12:41
2 Kon. 12:9
de schatkist, zag Hij hoe de menigte geld in de schatkist wierp; en veel rijken wierpen er veel in.

42En er kwam één arme weduwe, die er twee kleine munten in wierp, dat is een quadrans.12:42 De quadrans was in die tijd de kleinste munteenheid van het Romeinse Rijk.

43En toen Hij Zijn discipelen bij Zich geroepen had, zei Hij tegen hen: Voorwaar, Ik zeg u dat

12:43
2 Kor. 8:12
deze arme weduwe er meer ingeworpen heeft dan allen die iets in de schatkist geworpen hebben.

44Want zij allen hebben van hun overvloed erin geworpen; maar deze heeft van haar armoede alles wat zij had, erin geworpen, heel haar levensonderhoud.