Herziene Statenvertaling (HSV)
5

De geboorte van de Messias en Zijn Koninkrijk

51En u,

5:1
Matt. 2:6
Joh. 7:42
Bethlehem-Efratha,

al bent u klein om te zijn onder de duizenden van Juda,

uit u zal Mij voortkomen

Die een Heerser zal zijn in Israël.

Zijn oorsprongen zijn van oudsher,

van eeuwige dagen af.

2Daarom zal Hij hen overgeven

tot de tijd dat zij die baren zal, gebaard heeft.

Dan zal de rest van Zijn broeders zich bekeren,

met de Israëlieten.

3Hij zal staan en hen weiden in de kracht van de HEERE,

in de majesteit van de Naam van de HEERE, Zijn God.

Zij zullen veilig wonen, want nu zal Hij groot zijn

tot aan de einden van de aarde.

4Hij zal Vrede zijn.

Wanneer Assur in ons land zal komen

en wanneer hij onze paleizen zal betreden,

zullen wij tegen hem zeven herders doen opstaan

en acht vorsten uit de mensen.

5Zij zullen het land van Assur weiden met het zwaard,

het land van Nimrod met getrokken zwaarden.

Zo zal Hij ons redden van Assur,

wanneer die in ons land zal komen

en wanneer die ons gebied zal betreden.

6Het overblijfsel van Jakob zal zijn

te midden van vele volken

als dauw van de HEERE,

als regendruppels op het gewas,

dat niet uitziet naar iemand

en niet hoopt op mensenkinderen.

7Ja, het overblijfsel van Jakob zal onder de heidenvolken zijn,

te midden van veel volken,

als een leeuw onder de dieren van het woud,

als een jonge leeuw onder de schaapskudden,

die, wanneer hij erdoorheen trekt, vertrapt en verscheurt,

en er is niemand die redt.

8Uw hand zal verhoogd zijn boven uw tegenstanders

en al uw vijanden zullen uitgeroeid worden.

9Op die dag zal het gebeuren, spreekt de HEERE,

dat Ik uw

5:9
Hos. 14:4
paarden uit uw midden zal uitroeien

en dat Ik uw wagens zal doen vergaan.

10Ik zal de steden van uw land uitroeien

en Ik zal al uw vestingen afbreken.

11Ik zal de toverijen uit uw hand uitroeien

en u zult geen wolkenduiders meer hebben.

12Ik zal uw afgodsbeelden en uw gewijde stenen uit uw midden uitroeien,

zodat u zich niet meer zult neerbuigen voor het werk van uw handen.

13Ik zal uw gewijde palen uit uw midden wegrukken

en uw steden wegvagen.

14Ik zal in toorn en in grimmigheid wraak doen

aan de heidenvolken die niet willen luisteren.

6

De rechtszaak van God tegen Zijn volk

61Luister toch naar wat de HEERE zegt:

Sta op, roep de bergen ter verantwoording,

laat de heuvels uw stem horen.

2Luister, bergen, naar de rechtszaak van de HEERE,

ook u, vaste fundamenten van de aarde.

De

6:2
Hos. 4:1
HEERE heeft immers een rechtszaak met Zijn volk,

Hij voert een rechtszaak tegen Israël.

3Mijn volk, wat heb Ik u aangedaan?

Waarmee heb Ik u vermoeid?

Getuig tegen Mij!

4Ik heb u immers uit het land

6:4
Ex. 12:51
14:30
Egypte geleid,

u verlost uit het slavenhuis.

Ik heb Mozes, Aäron en Mirjam

vóór u uit gezonden.

5Mijn volk, denk toch aan wat

6:5
Num. 22:5
23:7
Balak, de koning van Moab, beraamde,

en wat Bileam, de zoon van Beor, hem antwoordde,

aan wat er gebeurd is van

6:5
Num. 25
Sittim tot
6:5
Joz. 5
Gilgal,

opdat u de gerechtigheid van de HEERE kent.

6Waarmee zal ik de HEERE tegemoet gaan

en mij buigen voor de hoge God?

Zal ik Hem tegemoet gaan met brandoffers,

met eenjarige kalveren?

7Zou de HEERE behagen scheppen in duizenden rammen,

in tienduizenden oliebeken?

Zal ik mijn eerstgeborene geven voor mijn overtreding,

de vrucht van mijn moederschoot voor de zonde van mijn ziel?

8Hij heeft u, mens, bekendgemaakt wat goed is.

En wat

6:8
Deut. 10:12
vraagt de HEERE van u

anders dan recht te doen, goedertierenheid lief te hebben

en ootmoedig te wandelen met uw God.

De zonde van Jeruzalem en het oordeel van God

9De stem van de HEERE roept tot de stad:

– Uw Naam ziet uit naar wat wezenlijk is6:9 Uw Naam … is - Of: Wijsheid ziet Uw Naam.

Hoor de roede en Wie hem voor u bestemd heeft.

10Zijn er in het huis van de goddeloze

nog schatten door goddeloosheid verkregen

en een krappe efa,6:10 Een efa is een korenmaat van vermoedelijk tussen de 20 en 45 liter. wat te verfoeien is?

11Zou Ik rein zijn met een goddeloze

6:11
Hos. 12:8
weegschaal

en met een zak valse weegstenen?

12Omdat haar rijken er vol geweld zijn,

haar inwoners er leugens spreken,

hun tong

6:12
Jer. 9:8
bedrieglijk is in hun mond,

13zal Ik u ook ziek maken, door u te treffen

en te verwoesten vanwege uw zonden.

14Zelf zult u

6:14
Hos. 4:10
eten, maar niet verzadigd worden,

uw gevoel van leegte zal in uw binnenste blijven.

U zult iets wegleggen, maar het niet in veiligheid brengen,

en wat u in veiligheid zult brengen, zal Ik overgeven aan het zwaard.

15Zelf zult u

6:15
Deut. 28:38
Haggaï 1:6
zaaien, maar niet maaien,

zelf zult u olijven treden, maar u niet met olie zalven,

en nieuwe wijn oogsten, maar geen wijn drinken.

16Want men houdt zich aan de verordeningen van

6:16
1 Kon. 16:25,26
Omri

en aan alles wat het huis van

6:16
1 Kon. 16:30
Achab gedaan heeft.

U gaat voort in hun opvattingen,

zodat Ik u overgeef aan de verwoesting,

en haar inwoners maak tot een aanfluiting.

Zo zult u de smaad van Mijn volk dragen.

7

Weinig vromen

71Wee mij,

want het is mij vergaan als na de inzameling van de zomervruchten,

als na de nalezing van de wijnoogst:

er is geen tros om te eten.

Mijn ziel verlangt naar vroege vijgen.

2Een

7:2
Ps. 12:2
Hos. 4:1
goedertieren mens is verdwenen uit het land

en een oprechte onder de mensen is er niet.

Zij loeren allen op bloed,

zij jagen op elkaar met een net.

3Om kwaad te doen staan hun handen goed:

de vorst eist,

de rechter doet uitspraak

7:3
Micha 3:11
tegen betaling,

wie groot is,

7:3
Micha 2:1
beslist naar eigen begeerte

en zo verdraaien zij de zaak.

4De beste van hen is als een doornstruik,

de oprechtste erger dan een doornhaag.

De dag van uw wachters is gekomen, de dag van uw vergelding.

Nu zal er bij hen ontreddering zijn.

5Geloof een vriend niet,

vertrouw niet op een huisvriend,

bewaak de deuren van uw mond

voor haar die in uw schoot ligt.

6Want de

7:6
Ezech. 22:7
Matt. 10:21,35,36
Luk. 12:53
zoon maakt de vader te schande,

de dochter staat op tegen haar moeder,

de schoondochter tegen haar schoonmoeder:

iemands vijanden zijn zijn eigen huisgenoten.

7Zelf zal ik echter uitzien naar de HEERE,

ik zal wachten op de God van mijn heil.

Mijn God zal mij horen.

De verlossing van Sion

8Verblijd u niet over mij, mijn vijandin,

want als ik gevallen ben, zal ik weer opstaan,

als ik in duisternis zit,

is de HEERE mij een licht.

9Ik zal de toorn van de HEERE dragen

– want ik heb tegen Hem gezondigd –

totdat Hij mijn rechtszaak

7:9
Jer. 50:34
voert en mij recht verschaft.

Hij zal mij uitleiden naar het licht,

ik zal Zijn gerechtigheid zien.

10Mijn vijandin zal dat zien. Schaamte zal haar bedekken

die tegen mij

7:10
Ps. 79:10
115:2
Joël 2:17
zei:

Waar is de HEERE, uw God?

Mijn ogen zullen op haar neerzien.

Nu zal zij worden vertrapt als slijk op straat.

11Op de dag waarop Hij uw muren zal

7:11
Amos 9:11
herbouwen,

op die dag zal het besluit zich ver verspreiden.

12Het is een dag waarop men naar u toe komt

vanaf Assyrië tot aan de steden van Egypte,

en vanaf Egypte tot aan de rivier,

van zee tot zee, van berg tot berg.

13Maar de aarde7:13 de aarde - Of: het land. zal worden tot een woestenij, om zijn bewoners,

vanwege de

7:13
Jer. 21:14
vrucht van hun daden.

Gebed, verhoring en lofprijzing

14

7:14
Micha 5:3
Weid Uw volk met Uw staf,

de kudde van Uw eigendom,

die alleen in een woud woont,

te midden van een vruchtbaar land.

Laat hen weiden in Basan en Gilead,

als in de dagen van oude tijden af.

15Als in de dagen toen u uit het land Egypte trok,

zal Ik het

7:15
Joël 2:26,30
wonderen doen zien.

16De heidenvolken zullen het zien en beschaamd worden,

ondanks al hun macht.

Zij zullen de hand op de mond leggen,

hun oren zullen doof worden.

17Zij zullen

7:17
Ps. 72:9
Jes. 49:23
stof likken als de slang;

als kruipende dieren van de aarde

zullen zij sidderend uit hun burchten komen,

naar de HEERE, onze God, zullen zij in angst komen,

en zij zullen voor U bevreesd zijn.

18Wie is een God als U,

Die de ongerechtigheid

7:18
Ex. 34:6,7
vergeeft,

Die voorbijgaat aan de overtreding

van het overblijfsel van Zijn eigendom?

Hij zal niet voor eeuwig vasthouden aan Zijn toorn,

want Hij vindt vreugde in goedertierenheid.

19Hij zal Zich weer over ons ontfermen,

Hij zal onze ongerechtigheden vertrappen,

ja, U zult al hun zonden werpen in de diepten van de zee.

20U zult Jakob de trouw bewijzen

en Abraham de goedertierenheid,

die U aan onze vaderen gezworen hebt vanaf de dagen van weleer.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]