Herziene Statenvertaling (HSV)
4

Toekomstige heerlijkheid van Jeruzalem

41Het zal echter

4:1
Jes. 2:2
in het laatste der dagen geschieden

dat de berg van het huis van de HEERE

vast zal staan als de hoogste van de bergen,4:1 als de hoogste van de bergen - Letterlijk: in het hoofd van de bergen.

en dat hij verheven zal worden boven de heuvels,

en dat de volken ernaartoe zullen stromen.

2Vele heidenvolken zullen op weg gaan

en zeggen: Kom, laten wij opgaan naar de berg van de HEERE,

naar het huis van de God van Jakob;

dan zal Hij ons onderwijzen aangaande Zijn wegen,

en zullen wij Zijn paden bewandelen.

Want uit Sion zal de wet uitgaan

en het woord van de HEERE uit Jeruzalem.

3Hij zal oordelen tussen vele volken

en machtige heidenvolken vonnissen, tot ver weg.

Zij zullen hun zwaarden omsmeden tot ploegscharen

en hun speren tot snoeimessen.

Geen volk zal tegen een ander volk het zwaard opheffen.

Oorlog voeren zullen zij niet meer leren.

4Maar zij zullen zitten,

ieder onder zijn

4:4
1 Kon. 4:25
wijnstok en onder zijn vijgenboom,

niemand zal ze schrik aanjagen,

want de mond van de HEERE van de legermachten heeft het gesproken.

5Want alle volken gaan op weg,

elk in de naam van zijn god,

maar wij zullen op weg gaan

in de Naam van de HEERE, onze God,

voor eeuwig en altijd.

6Op die dag, spreekt de HEERE,

zal Ik

4:6
Deut. 30:3,4,5
verzamelen wie mank gaat,

bijeenbrengen wie verdreven is

en wie Ik kwaad aangedaan heb.

7Ik zal

4:7
Zef. 3:19
wie mank gaat, stellen tot een overblijfsel

en wie verdreven was tot een machtig volk,

en de HEERE zal over hen

4:7
Dan. 7:14
Luk. 1:33
Koning zijn op de berg Sion,

van nu aan tot in eeuwigheid.

8En u, Schaapstoren,

Ofel van de dochter van Sion, naar u zal gaan,

ja, naar u zal komen de heerschappij van vroeger,

het koningschap van de dochter van Jeruzalem.

9Nu, waarom slaat u zo'n luid alarm?

Is er geen

4:9
Jer. 8:19
Koning onder u?

Is uw Raadsman omgekomen,

dat smart u aangegrepen heeft als van een barende vrouw?

10Krimp ineen en schreeuw het uit,

dochter van Sion, als een barende vrouw,

want nu moet u de stad uit

en in het open veld wonen.

U zult tot in Babel komen.

Daar zult u gered worden,

daar zal de HEERE u verlossen

uit de hand van uw vijanden.

11Nu verzamelen zich tegen u

vele heidenvolken.

Zij zeggen: Laat haar ontheiligd worden,

en laten onze ogen Sion aanschouwen.

12Zíj echter kennen de gedachten van de HEERE niet.

Zij begrijpen Zijn raadsbesluit niet:

dat Hij hen bijeengebracht heeft als graanschoven op de

4:12
Jer. 51:33
dorsvloer.

13Sta op en dors, dochter van Sion,

want Ik zal uw hoorn van ijzer maken

en Ik zal uw hoeven van brons maken,

en u zult vele volken verpletteren

en Ik zal hun winstbejag met de ban slaan: het is voor de HEERE,

hun vermogen is voor de

4:13
Zach. 4:14
6:5
Heere van heel de aarde.

14Nu, groepeer u, dochter van de strijdbende!

Zij gaan een belegering tegen ons opzetten.

Zij zullen met een stok

de rechter van Israël op de kaak slaan.

5

De geboorte van de Messias en Zijn Koninkrijk

51En u,

5:1
Matt. 2:6
Joh. 7:42
Bethlehem-Efratha,

al bent u klein om te zijn onder de duizenden van Juda,

uit u zal Mij voortkomen

Die een Heerser zal zijn in Israël.

Zijn oorsprongen zijn van oudsher,

van eeuwige dagen af.

2Daarom zal Hij hen overgeven

tot de tijd dat zij die baren zal, gebaard heeft.

Dan zal de rest van Zijn broeders zich bekeren,

met de Israëlieten.

3Hij zal staan en hen weiden in de kracht van de HEERE,

in de majesteit van de Naam van de HEERE, Zijn God.

Zij zullen veilig wonen, want nu zal Hij groot zijn

tot aan de einden van de aarde.

4Hij zal Vrede zijn.

Wanneer Assur in ons land zal komen

en wanneer hij onze paleizen zal betreden,

zullen wij tegen hem zeven herders doen opstaan

en acht vorsten uit de mensen.

5Zij zullen het land van Assur weiden met het zwaard,

het land van Nimrod met getrokken zwaarden.

Zo zal Hij ons redden van Assur,

wanneer die in ons land zal komen

en wanneer die ons gebied zal betreden.

6Het overblijfsel van Jakob zal zijn

te midden van vele volken

als dauw van de HEERE,

als regendruppels op het gewas,

dat niet uitziet naar iemand

en niet hoopt op mensenkinderen.

7Ja, het overblijfsel van Jakob zal onder de heidenvolken zijn,

te midden van veel volken,

als een leeuw onder de dieren van het woud,

als een jonge leeuw onder de schaapskudden,

die, wanneer hij erdoorheen trekt, vertrapt en verscheurt,

en er is niemand die redt.

8Uw hand zal verhoogd zijn boven uw tegenstanders

en al uw vijanden zullen uitgeroeid worden.

9Op die dag zal het gebeuren, spreekt de HEERE,

dat Ik uw

5:9
Hos. 14:4
paarden uit uw midden zal uitroeien

en dat Ik uw wagens zal doen vergaan.

10Ik zal de steden van uw land uitroeien

en Ik zal al uw vestingen afbreken.

11Ik zal de toverijen uit uw hand uitroeien

en u zult geen wolkenduiders meer hebben.

12Ik zal uw afgodsbeelden en uw gewijde stenen uit uw midden uitroeien,

zodat u zich niet meer zult neerbuigen voor het werk van uw handen.

13Ik zal uw gewijde palen uit uw midden wegrukken

en uw steden wegvagen.

14Ik zal in toorn en in grimmigheid wraak doen

aan de heidenvolken die niet willen luisteren.

6

De rechtszaak van God tegen Zijn volk

61Luister toch naar wat de HEERE zegt:

Sta op, roep de bergen ter verantwoording,

laat de heuvels uw stem horen.

2Luister, bergen, naar de rechtszaak van de HEERE,

ook u, vaste fundamenten van de aarde.

De

6:2
Hos. 4:1
HEERE heeft immers een rechtszaak met Zijn volk,

Hij voert een rechtszaak tegen Israël.

3Mijn volk, wat heb Ik u aangedaan?

Waarmee heb Ik u vermoeid?

Getuig tegen Mij!

4Ik heb u immers uit het land

6:4
Ex. 12:51
14:30
Egypte geleid,

u verlost uit het slavenhuis.

Ik heb Mozes, Aäron en Mirjam

vóór u uit gezonden.

5Mijn volk, denk toch aan wat

6:5
Num. 22:5
23:7
Balak, de koning van Moab, beraamde,

en wat Bileam, de zoon van Beor, hem antwoordde,

aan wat er gebeurd is van

6:5
Num. 25
Sittim tot
6:5
Joz. 5
Gilgal,

opdat u de gerechtigheid van de HEERE kent.

6Waarmee zal ik de HEERE tegemoet gaan

en mij buigen voor de hoge God?

Zal ik Hem tegemoet gaan met brandoffers,

met eenjarige kalveren?

7Zou de HEERE behagen scheppen in duizenden rammen,

in tienduizenden oliebeken?

Zal ik mijn eerstgeborene geven voor mijn overtreding,

de vrucht van mijn moederschoot voor de zonde van mijn ziel?

8Hij heeft u, mens, bekendgemaakt wat goed is.

En wat

6:8
Deut. 10:12
vraagt de HEERE van u

anders dan recht te doen, goedertierenheid lief te hebben

en ootmoedig te wandelen met uw God.

De zonde van Jeruzalem en het oordeel van God

9De stem van de HEERE roept tot de stad:

– Uw Naam ziet uit naar wat wezenlijk is6:9 Uw Naam … is - Of: Wijsheid ziet Uw Naam.

Hoor de roede en Wie hem voor u bestemd heeft.

10Zijn er in het huis van de goddeloze

nog schatten door goddeloosheid verkregen

en een krappe efa,6:10 Een efa is een korenmaat van vermoedelijk tussen de 20 en 45 liter. wat te verfoeien is?

11Zou Ik rein zijn met een goddeloze

6:11
Hos. 12:8
weegschaal

en met een zak valse weegstenen?

12Omdat haar rijken er vol geweld zijn,

haar inwoners er leugens spreken,

hun tong

6:12
Jer. 9:8
bedrieglijk is in hun mond,

13zal Ik u ook ziek maken, door u te treffen

en te verwoesten vanwege uw zonden.

14Zelf zult u

6:14
Hos. 4:10
eten, maar niet verzadigd worden,

uw gevoel van leegte zal in uw binnenste blijven.

U zult iets wegleggen, maar het niet in veiligheid brengen,

en wat u in veiligheid zult brengen, zal Ik overgeven aan het zwaard.

15Zelf zult u

6:15
Deut. 28:38
Haggaï 1:6
zaaien, maar niet maaien,

zelf zult u olijven treden, maar u niet met olie zalven,

en nieuwe wijn oogsten, maar geen wijn drinken.

16Want men houdt zich aan de verordeningen van

6:16
1 Kon. 16:25,26
Omri

en aan alles wat het huis van

6:16
1 Kon. 16:30
Achab gedaan heeft.

U gaat voort in hun opvattingen,

zodat Ik u overgeef aan de verwoesting,

en haar inwoners maak tot een aanfluiting.

Zo zult u de smaad van Mijn volk dragen.