Herziene Statenvertaling (HSV)
3

Tegen de vorsten en leugenprofeten

31Toen zei ik:

Luister toch, hoofden van Jakob

en leiders van het huis van Israël,

behoort u niet

het recht te kennen?

2Zij haten het goede

en hebben het kwade lief,

zij stropen hun huid van hen af

en hun vlees van hun beenderen.

3Ja, zij zijn het

die het vlees van Mijn volk eten,

hun huid van hen afstropen,

hun beenderen breken,

ze uiteenleggen als in een pot,

als vlees midden in een ketel.

4Dan zullen zij tot de HEERE roepen,

maar Hij zal hun niet antwoorden.

In die tijd zal Hij Zijn aangezicht voor hen verbergen,

omdat zij kwaad gedaan hebben.3:4 kwaad gedaan hebben - Letterlijk: hun daden slecht gemaakt hebben.

5Zo zegt de HEERE

tegen de profeten die Mijn volk misleiden,

die, als zij met hun tanden kunnen

3:5
Micha 2:11
bijten,

vrede verkondigen.

Wie hun echter niets in hun mond geeft,

aan hem verklaren zij de oorlog.3:5 verklaren zij de oorlog - Letterlijk: heiligen zij de oorlog.

6Daarom zal het nacht voor u worden, zonder visioen,

het zal duister worden voor u, zonder waarzeggerij.

De

3:6
Jer. 15:9
Amos 8:9
zon zal over deze profeten ondergaan

en de dag zal

3:6
Joël 2:10
donker over hen worden.

7De zieners zullen beschaamd worden

en de waarzeggers rood van schaamte,

zij zullen allen hun baard en snor bedekken,

want er komt geen antwoord van God.

8Ik daarentegen ben vol

van de kracht van de Geest van de HEERE,

van recht en heldenmoed,

om Jakob zijn overtreding te verkondigen

en Israël zijn zonde.

9Hoor nu dit, hoofden van het huis van Jakob

en leiders van het huis van Israël,

die een afschuw hebben van recht

en al wat recht is,

3:9
Amos 5:7
6:12
verdraaien,

10die Sion bouwen met

3:10
Ezech. 22:27
Zef. 3:3
bloed

en Jeruzalem met onrecht.

11Hun hoofden spreken er recht voor geschenken,

hun priesters onderwijzen voor loon,

hun profeten plegen waarzeggerij voor geld.

En nog steunen zij op de HEERE en zeggen:

Is de HEERE niet in ons midden?

Ons zal geen kwaad overkomen.

12Daarom zal omwille van u

Sion als een akker omgeploegd worden,

Jeruzalem een puinhoop worden

en de berg van dit huis tot hoogten in het woud.

4

Toekomstige heerlijkheid van Jeruzalem

41Het zal echter

4:1
Jes. 2:2
in het laatste der dagen geschieden

dat de berg van het huis van de HEERE

vast zal staan als de hoogste van de bergen,4:1 als de hoogste van de bergen - Letterlijk: in het hoofd van de bergen.

en dat hij verheven zal worden boven de heuvels,

en dat de volken ernaartoe zullen stromen.

2Vele heidenvolken zullen op weg gaan

en zeggen: Kom, laten wij opgaan naar de berg van de HEERE,

naar het huis van de God van Jakob;

dan zal Hij ons onderwijzen aangaande Zijn wegen,

en zullen wij Zijn paden bewandelen.

Want uit Sion zal de wet uitgaan

en het woord van de HEERE uit Jeruzalem.

3Hij zal oordelen tussen vele volken

en machtige heidenvolken vonnissen, tot ver weg.

Zij zullen hun zwaarden omsmeden tot ploegscharen

en hun speren tot snoeimessen.

Geen volk zal tegen een ander volk het zwaard opheffen.

Oorlog voeren zullen zij niet meer leren.

4Maar zij zullen zitten,

ieder onder zijn

4:4
1 Kon. 4:25
wijnstok en onder zijn vijgenboom,

niemand zal ze schrik aanjagen,

want de mond van de HEERE van de legermachten heeft het gesproken.

5Want alle volken gaan op weg,

elk in de naam van zijn god,

maar wij zullen op weg gaan

in de Naam van de HEERE, onze God,

voor eeuwig en altijd.

6Op die dag, spreekt de HEERE,

zal Ik

4:6
Deut. 30:3,4,5
verzamelen wie mank gaat,

bijeenbrengen wie verdreven is

en wie Ik kwaad aangedaan heb.

7Ik zal

4:7
Zef. 3:19
wie mank gaat, stellen tot een overblijfsel

en wie verdreven was tot een machtig volk,

en de HEERE zal over hen

4:7
Dan. 7:14
Luk. 1:33
Koning zijn op de berg Sion,

van nu aan tot in eeuwigheid.

8En u, Schaapstoren,

Ofel van de dochter van Sion, naar u zal gaan,

ja, naar u zal komen de heerschappij van vroeger,

het koningschap van de dochter van Jeruzalem.

9Nu, waarom slaat u zo'n luid alarm?

Is er geen

4:9
Jer. 8:19
Koning onder u?

Is uw Raadsman omgekomen,

dat smart u aangegrepen heeft als van een barende vrouw?

10Krimp ineen en schreeuw het uit,

dochter van Sion, als een barende vrouw,

want nu moet u de stad uit

en in het open veld wonen.

U zult tot in Babel komen.

Daar zult u gered worden,

daar zal de HEERE u verlossen

uit de hand van uw vijanden.

11Nu verzamelen zich tegen u

vele heidenvolken.

Zij zeggen: Laat haar ontheiligd worden,

en laten onze ogen Sion aanschouwen.

12Zíj echter kennen de gedachten van de HEERE niet.

Zij begrijpen Zijn raadsbesluit niet:

dat Hij hen bijeengebracht heeft als graanschoven op de

4:12
Jer. 51:33
dorsvloer.

13Sta op en dors, dochter van Sion,

want Ik zal uw hoorn van ijzer maken

en Ik zal uw hoeven van brons maken,

en u zult vele volken verpletteren

en Ik zal hun winstbejag met de ban slaan: het is voor de HEERE,

hun vermogen is voor de

4:13
Zach. 4:14
6:5
Heere van heel de aarde.

14Nu, groepeer u, dochter van de strijdbende!

Zij gaan een belegering tegen ons opzetten.

Zij zullen met een stok

de rechter van Israël op de kaak slaan.

5

De geboorte van de Messias en Zijn Koninkrijk

51En u,

5:1
Matt. 2:6
Joh. 7:42
Bethlehem-Efratha,

al bent u klein om te zijn onder de duizenden van Juda,

uit u zal Mij voortkomen

Die een Heerser zal zijn in Israël.

Zijn oorsprongen zijn van oudsher,

van eeuwige dagen af.

2Daarom zal Hij hen overgeven

tot de tijd dat zij die baren zal, gebaard heeft.

Dan zal de rest van Zijn broeders zich bekeren,

met de Israëlieten.

3Hij zal staan en hen weiden in de kracht van de HEERE,

in de majesteit van de Naam van de HEERE, Zijn God.

Zij zullen veilig wonen, want nu zal Hij groot zijn

tot aan de einden van de aarde.

4Hij zal Vrede zijn.

Wanneer Assur in ons land zal komen

en wanneer hij onze paleizen zal betreden,

zullen wij tegen hem zeven herders doen opstaan

en acht vorsten uit de mensen.

5Zij zullen het land van Assur weiden met het zwaard,

het land van Nimrod met getrokken zwaarden.

Zo zal Hij ons redden van Assur,

wanneer die in ons land zal komen

en wanneer die ons gebied zal betreden.

6Het overblijfsel van Jakob zal zijn

te midden van vele volken

als dauw van de HEERE,

als regendruppels op het gewas,

dat niet uitziet naar iemand

en niet hoopt op mensenkinderen.

7Ja, het overblijfsel van Jakob zal onder de heidenvolken zijn,

te midden van veel volken,

als een leeuw onder de dieren van het woud,

als een jonge leeuw onder de schaapskudden,

die, wanneer hij erdoorheen trekt, vertrapt en verscheurt,

en er is niemand die redt.

8Uw hand zal verhoogd zijn boven uw tegenstanders

en al uw vijanden zullen uitgeroeid worden.

9Op die dag zal het gebeuren, spreekt de HEERE,

dat Ik uw

5:9
Hos. 14:4
paarden uit uw midden zal uitroeien

en dat Ik uw wagens zal doen vergaan.

10Ik zal de steden van uw land uitroeien

en Ik zal al uw vestingen afbreken.

11Ik zal de toverijen uit uw hand uitroeien

en u zult geen wolkenduiders meer hebben.

12Ik zal uw afgodsbeelden en uw gewijde stenen uit uw midden uitroeien,

zodat u zich niet meer zult neerbuigen voor het werk van uw handen.

13Ik zal uw gewijde palen uit uw midden wegrukken

en uw steden wegvagen.

14Ik zal in toorn en in grimmigheid wraak doen

aan de heidenvolken die niet willen luisteren.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]