Herziene Statenvertaling (HSV)
8

De reiniging van een melaatse

81Toen Hij van de berg afgedaald was, volgde een grote menigte Hem.

2

8:2
Mark. 1:40
Luk. 5:12
En zie, er kwam een melaatse. Die knielde voor Hem neer en zei: Heere, als U wilt, kunt U mij reinigen.

3En Jezus stak Zijn hand uit, raakte hem aan en zei: Ik wil het, word gereinigd. En meteen werd hij gereinigd van zijn melaatsheid.

4Jezus zei tegen hem: Denk erom dat u dit tegen niemand zegt; maar

8:4
Luk. 5:14
ga heen, laat uzelf aan de priester zien, en offer de gave die
8:4
Lev. 13:2
14:2
Mozes voorgeschreven heeft, tot een getuigenis voor hen.

De hoofdman in Kapernaüm

5

8:5
Luk. 7:1
Toen Jezus Kapernaüm binnengegaan was, kwam er een hoofdman over honderd naar Hem toe, die Hem smeekte:

6Heere, mijn knecht ligt verlamd thuis en lijdt hevige pijn.

7En Jezus zei tegen hem: Ik zal komen en hem genezen.

8De hoofdman antwoordde en zei: Heere, ik ben het niet waard dat U onder mijn dak komt; maar

8:8
Ps. 107:20
spreek slechts een woord, en mijn knecht zal genezen zijn.

9Want ook ik ben een mens onder het gezag van anderen en heb zelf soldaten onder mij; ik zeg tegen de één: Ga! en hij gaat; en tegen de ander: Kom! en hij komt; en tegen mijn dienaar: Doe dat! en hij doet het.

10Toen Jezus dit hoorde, verwonderde Hij Zich, en zei tegen hen die Hem volgden: Voorwaar, Ik zeg u: Ik heb zelfs in Israël zo'n groot geloof niet gevonden.

11

8:11
Luk. 13:29
Maar Ik zeg u dat er velen zullen komen van oost en west en zij zullen aan tafel gaan met Abraham, Izak en Jakob in het Koninkrijk der hemelen,

12

8:12
Matt. 21:43
en de kinderen van het Koninkrijk zullen buitengeworpen worden in de buitenste duisternis;
8:12
Matt. 13:42
22:13
24:51
Luk. 13:28
daar zal gejammer zijn en tandengeknars.

13En Jezus zei tegen de hoofdman: Ga heen, en het zal u gaan zoals u geloofd hebt. En zijn knecht is gezond geworden op datzelfde moment.

De schoonmoeder van Petrus

14

8:14
Mark. 1:29
Luk. 4:38
En Jezus kwam in het huis van Petrus en zag zijn schoonmoeder met koorts op bed liggen.

15En Hij raakte haar hand aan en de koorts verliet haar; en zij stond op en diende hen.

16Toen het nu avond geworden was, brachten ze velen die door demonen bezeten waren, bij Hem, en Hij dreef de boze geesten uit met een enkel woord, en Hij genas allen die er slecht aan toe waren,

17opdat vervuld werd wat gesproken was door de profeet Jesaja toen hij zei:

8:17
Jes. 53:4
1 Petr. 2:24
Hij heeft onze zwakheden op Zich genomen, en onze ziekten gedragen.

Het volgen van Jezus

18Toen Jezus een grote menigte om Zich heen zag, gaf Hij bevel naar de overkant te varen.8:18 te varen - Letterlijk: te gaan.

19

8:19
Luk. 9:57
En er kwam een schriftgeleerde naar Hem toe en zei tegen Hem: Meester, ik zal U volgen, waar U ook heen gaat.

20En Jezus zei tegen hem: De vossen hebben holen, en de vogels in de lucht nesten, maar de Zoon des mensen heeft niets waarop Hij het hoofd kan neerleggen.

21Een ander uit Zijn discipelen zei tegen Hem: Heere, sta mij toe dat ik eerst wegga en mijn vader begraaf.

22Maar Jezus zei tegen hem: Volg Mij, en

8:22
1 Tim. 5:6
laat de doden hun doden begraven.

De storm gestild

23

8:23
Mark. 4:35
Luk. 8:22
En toen Hij aan boord van het schip gegaan was, volgden Zijn discipelen Hem.

24En zie, er ontstond een grote onstuimigheid in de zee, zodat het schip door de golven bedekt werd; maar Hij sliep.

25En Zijn discipelen kwamen bij Hem, wekten Hem en zeiden: Heere, red ons, wij vergaan!

26En Hij zei tegen hen: Waarom bent u angstig, kleingelovigen?

8:26
Job 26:12
Ps. 107:29
Jes. 51:10
Toen stond Hij op en bestrafte de winden en de zee, en er kwam een grote stilte.

27De mensen verwonderden zich en zeiden: Wat voor Iemand is Dit, dat zelfs de winden en de zee Hem gehoorzaam zijn?

De genezing van bezetenen

28

8:28
Mark. 5:1
Luk. 8:26
En toen Hij aan de overkant was gekomen, in het land van de Gergesenen, kwamen twee mensen die door demonen bezeten waren, Hem tegemoet; zij kwamen uit de grafspelonken en waren zeer gevaarlijk, zodat niemand langs die weg voorbij kon gaan.

29En zie, zij riepen: Jezus, Zoon van God, wat hebben wij met U te maken? Bent U hier gekomen om ons te pijnigen vóór de tijd?

30En ver bij hen vandaan was een grote kudde varkens aan het weiden.

31De demonen smeekten Hem: Als U ons uitdrijft, sta ons dan toe dat wij in die kudde varkens gaan.

32En Hij zei tegen hen: Ga. En zij gingen uit hen weg en trokken in de kudde varkens; en zie, de hele kudde varkens stortte van de steilte af de zee in, en zij stierven in het water.

33En zij die ze weidden, vluchtten; en toen zij in de stad gekomen waren, berichtten zij al deze dingen én wat er met de bezetenen gebeurd was.

34En zie, heel de stad liep uit, Jezus tegemoet; en toen ze Hem zagen,

8:34
Hand. 16:39
smeekten ze Hem of Hij uit hun gebied wilde vertrekken.

9

De genezing van een verlamde

91En nadat Hij in het schip gegaan was, voer Hij over en kwam in Zijn stad.

9:1
Mark. 2:3
Luk. 5:18
Hand. 9:33
En zie, men bracht een verlamde bij Hem, die op een bed lag.

2En Jezus, Die hun geloof zag, zei tegen de verlamde: Zoon, heb goede moed, uw zonden zijn u vergeven.

3En zie, sommigen van de schriftgeleerden zeiden bij zichzelf:

9:3
Ps. 32:5
Jes. 43:25
Deze lastert God.

4En Jezus, Die hun gedachten zag, zei: Waarom overweegt u verkeerde dingen in uw hart?

5Want wat is gemakkelijker, te zeggen: De zonden zijn u vergeven? of te zeggen: Sta op en ga lopen?

6Maar opdat u zult weten dat de Zoon des mensen macht heeft op de aarde zonden te vergeven (toen zei Hij tegen de verlamde): Sta op, neem uw bed op en ga naar uw huis.

7En hij stond op en ging naar zijn huis.

8Toen de menigten dit zagen, verwonderden ze zich en verheerlijkten God, Die zo'n macht aan de mensen gegeven had.

De roeping van Mattheüs

9

9:9
Mark. 2:14
Luk. 5:27
En Jezus ging vandaar verder en zag iemand in het tolhuis zitten, die Mattheüs heette; en Hij zei tegen hem: Volg Mij! En hij stond op en volgde Hem.

10En het gebeurde, toen Hij in het huis van Mattheüs aanlag, zie, veel tollenaars en zondaars kwamen en lagen met Jezus en Zijn discipelen aan.

11En toen de Farizeeën dat zagen, zeiden zij tegen Zijn discipelen: Waarom eet uw Meester met de tollenaars en zondaars?

12Maar Jezus, Die dat hoorde, zei tegen hen: Wie gezond zijn, hebben geen dokter nodig, maar wie ziek zijn.

13Maar ga heen en leer wat het betekent:

9:13
Hos. 6:6
Micha 6:8
Matt. 12:7
Ik wil barmhartigheid en geen offer;
9:13
Mark. 2:17
Luk. 5:32
19:10
1 Tim. 1:15
want Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen tot bekering te roepen, maar zondaars.

Het vasten

14

9:14
Mark. 2:18
Luk. 5:33
Toen kwamen de discipelen van Johannes bij Hem en zeiden: Waarom vasten wij en de Farizeeën veel en vasten Uw discipelen niet?

15Jezus zei tegen hen:

9:15
2 Kor. 11:2
De bruiloftsgasten kunnen toch niet treuren zolang de Bruidegom bij hen is? Maar de dagen zullen komen dat de Bruidegom van hen weggenomen zal zijn, en dan zullen zij vasten.

16Ook zet niemand een lap niet-gekrompen stof op een oud bovenkleed, want de daarop genaaide lap scheurt van het bovenkleed af, en er ontstaat een ergere scheur.

17

9:17
Mark. 2:22
Ook doet men geen nieuwe wijn in oude leren zakken; anders barsten de zakken, en de wijn stroomt eruit, en de zakken gaan verloren; maar men doet nieuwe wijn in nieuwe zakken, en beide blijven behouden.

Het dochtertje van Jaïrus en de bloedvloeiende vrouw

18Toen Hij deze dingen tot hen sprak,

9:18
Mark. 5:22
Luk. 8:41
zie, er kwam een leidinggevende, die Hem aanbad en zei: Mijn dochter is zojuist gestorven, maar kom, leg Uw hand op haar en zij zal leven.

19En Jezus stond op en volgde hem met Zijn discipelen.

20

9:20
Lev. 15:25
Mark. 5:25
Luk. 8:43
En zie, een vrouw die al twaalf jaar bloedvloeiingen had, kwam van achteren naar Hem toe en raakte de zoom van Zijn bovenkleed aan;

21want zij zei bij zichzelf: Als ik alleen maar Zijn bovenkleed aanraak, zal ik gezond worden.

22Jezus keerde Zich om, zag haar en zei:

9:22
Mark. 5:34
Luk. 8:48
Heb goede moed, dochter, uw geloof heeft u behouden. En de vrouw was vanaf dat moment gezond.

23

9:23
Mark. 5:38
Luk. 8:51
Toen Jezus in het huis van de leidinggevende kwam, en de fluitspelers en de misbaar makende menigte zag,

24zei Hij tegen hen: Vertrek, want het meisje is niet gestorven, maar het

9:24
Joh. 11:11
slaapt. En zij lachten Hem uit.

25Toen de menigte weggestuurd was, ging Hij naar binnen en greep haar hand; en het meisje stond op.

26En het gerucht hierover verspreidde zich door heel dat gebied.

De twee blinden

27En toen Jezus vandaar verderging, volgden Hem twee blinden, die riepen: Zoon van David, ontferm U over ons!

28Toen Hij in huis gekomen was, kwamen de blinden naar Hem toe. En Jezus zei tegen hen: Gelooft u dat Ik dat kan doen? Zij zeiden tegen Hem: Ja, Heere.

29Toen raakte Hij hun ogen aan en zei: Het zal u gaan naar uw geloof.

30En hun ogen werden geopend.

9:30
Matt. 12:16
Luk. 5:14
En Jezus vermaande hen streng en zei: Kijk uit, niemand mag het te weten komen!

31

9:31
Mark. 7:36
Maar zij gingen weg en maakten Hem bekend in heel dat gebied.

De bezetene die niet kon spreken

32

9:32
Matt. 12:22
Luk. 11:14
Toen dezen weggingen, zie, men bracht iemand bij Hem die niet kon spreken en door een demon bezeten was.

33En toen de demon uitgedreven was, sprak hij die niet had kunnen spreken. En de menigte verwonderde zich en zei: Er is nog nooit zoiets in Israël gezien!

34Maar de Farizeeën zeiden:

9:34
Matt. 12:24
Mark. 3:22
Luk. 11:15
Hij drijft de demonen uit door de aanvoerder van de demonen.

De oogst is groot

35

9:35
Mark. 6:6
Luk. 13:22
En Jezus trok rond in al de steden en dorpen en gaf onderwijs in hun synagogen, en Hij predikte het Evangelie van het Koninkrijk en genas iedere ziekte en elke kwaal onder het volk.

36

9:36
Mark. 6:34
Toen Hij de menigte zag, was Hij innerlijk met ontferming bewogen over hen, omdat zij vermoeid en verstrooid waren,
9:36
Jer. 23:1
Ezech. 34:2
zoals schapen die geen herder hebben.

37Toen zei Hij tegen Zijn discipelen:

9:37
Luk. 10:2
Joh. 4:35
De oogst is wel groot, maar er zijn weinig arbeiders.

38

9:38
2 Thess. 3:1
Bid daarom tot de Heere van de oogst dat Hij arbeiders in Zijn oogst uitzendt.

10

De uitzending van de twaalf discipelen

101En Hij riep

10:1
Mark. 3:13
Luk. 6:13
9:1
Zijn twaalf discipelen bij Zich en gaf hun macht over de onreine geesten om die uit te drijven, en om iedere ziekte en elke kwaal te genezen.

2De namen nu van de twaalf apostelen zijn deze: de eerste, Simon die Petrus genoemd werd, en Andreas, zijn broer; Jakobus, de zoon van Zebedeüs, en Johannes, zijn broer;

3Filippus en Bartholomeüs; Thomas en Mattheüs, de tollenaar; Jakobus, de zoon van Alfeüs, en Lebbeüs, die ook Thaddeüs genoemd werd;

4Simon Kananites en Judas Iskariot, die Hem ook verraden heeft.

5Deze twaalf zond Jezus uit en Hij gebood hun: U zult u niet op weg begeven naar de heidenen en u zult geen enkele stad van de Samaritanen binnengaan,

6

10:6
Hand. 3:26
13:26,46
maar ga liever naar de verloren schapen van het huis van Israël.

7En als u op weg gaat,

10:7
Luk. 9:2
predik dan: Het Koninkrijk der hemelen is nabijgekomen.

8

10:8
Luk. 10:9
Genees zieken, reinig melaatsen, wek doden op, drijf demonen uit.
10:8
Hand. 8:18,20
U hebt het voor niets ontvangen, geef het voor niets.

9

10:9
Mark. 6:8
Luk. 9:3
22:35
Voorzie u niet van goud of zilver of kopergeld in uw gordels,

10of van een reiszak voor onderweg of twee stel onderkleren of sandalen of een staf.

10:10
Lev. 19:13
Deut. 24:14
25:4
Luk. 10:7
1 Kor. 9:4,14
1 Tim. 5:18
Want de arbeider is zijn voedsel waard.

11

10:11
Mark. 6:10
Luk. 9:4
10:8
Welke stad of welk dorp u ook zult binnenkomen, onderzoek wie het daarin waard is; en blijf daar, totdat u weer vertrekt.

12En als u een huis binnengaat, begroet het dan.

13En als dat huis het waard is, laat dan uw vrede erover komen, maar als het dat niet waard is, laat dan uw vrede tot u terugkeren.

14

10:14
Mark. 6:11
Luk. 9:5
En als iemand u niet ontvangt en niet naar uw woorden luistert, vertrek dan uit dat huis of die stad en
10:14
Hand. 13:51
18:6
schud het stof van uw voeten.

15

10:15
Mark. 6:11
Luk. 10:12
Voorwaar, Ik zeg u: Het zal voor het land van Sodom en Gomorra verdraaglijker zijn op de dag van het oordeel dan voor die stad.

Niet vrezen

16

10:16
Luk. 10:3
Zie, Ik zend u als schapen te midden van de wolven; wees dus bedachtzaam als de slangen en oprecht als de duiven.

17Maar wees op uw hoede voor de mensen,

10:17
Matt. 24:9
Luk. 21:12
Joh. 15:20
16:2
Openb. 2:10
want zij zullen u overleveren aan raadsvergaderingen, en in hun synagogen zullen zij u geselen.

18

10:18
Hand. 24:1
25:4
En u zult ook voor stadhouders en koningen geleid worden omwille van Mij, tot een getuigenis voor hen en de heidenen.

19

10:19
Mark. 13:11
Luk. 12:11
21:14
Maar wanneer zij u overleveren, moet u niet bezorgd zijn hoe of wat u spreken moet, want het zal u op dat moment gegeven worden wat u spreken moet.

20Want u bent het niet die spreekt, maar de Geest van uw Vader, Die in u spreekt.

21

10:21
Micha 7:2,5
Luk. 21:16
De ene broer zal de andere broer overleveren om gedood te worden, en de vader het kind, en de kinderen zullen tegen de ouders opstaan en hen doden.

22En u zult door allen gehaat worden omwille van Mijn Naam;

10:22
Matt. 24:13
Mark. 13:13
Luk. 21:19
Openb. 2:10
3:10
maar wie volharden zal tot het einde, die zal zalig worden.

23

10:23
Matt. 2:13
4:12
12:15
Hand. 8:1
9:25
14:6
Wanneer ze u in de ene stad vervolgen, vlucht dan naar de andere, want voorwaar, Ik zeg u: U zult uw rondgang door de steden van Israël niet geëindigd hebben, voordat de Zoon des mensen gekomen is.

24

10:24
Luk. 6:40
Joh. 13:16
15:20
De discipel staat niet boven de meester en de dienaar niet boven zijn heer.

25Het moet genoeg zijn voor de discipel dat hij wordt zoals zijn meester, en dat de dienaar wordt zoals zijn heer.

10:25
Matt. 9:34
12:24
Mark. 3:22
Luk. 11:15
Joh. 8:48
Als ze de Heere van het huis Beëlzebul genoemd hebben, hoeveel te meer Zijn huisgenoten!

26

10:26
Jes. 8:12
Jer. 1:8
Wees dus niet bevreesd voor hen,
10:26
Job 12:22
Mark. 4:22
Luk. 8:17
12:2
want er is niets bedekt wat niet geopenbaard zal worden, en er is niets verborgen wat niet bekend zal worden.

27Wat Ik u zeg in het duister, zeg het in het licht; en wat u hoort in het oor, predik dat op de daken.

28

10:28
Jer. 1:8
Luk. 12:4
En wees niet bevreesd voor hen die het lichaam doden en de ziel niet kunnen doden, maar wees veeleer bevreesd voor Hem Die zowel ziel als lichaam te gronde kan richten in de hel.

29Worden niet twee musjes voor een penninkje verkocht? En niet een van die zal op de aarde vallen buiten uw Vader om.

30

10:30
1 Sam. 14:45
En ook de haren van uw hoofd zijn alle geteld.

31Wees dus niet bevreesd, u gaat veel musjes te boven.

32

10:32
Mark. 8:38
Luk. 9:26
12:8
2 Tim. 2:12
Ieder dan die Mij belijden zal voor de mensen, die zal Ik ook belijden voor Mijn Vader, Die in de hemelen is.

33Maar wie Mij verloochenen zal voor de mensen, die zal Ik ook verloochenen voor Mijn Vader, Die in de hemelen is.

Jezus brengt verdeeldheid

34

10:34
Luk. 12:51
Denk niet dat Ik gekomen ben om vrede te brengen op de aarde; Ik ben niet gekomen om vrede te brengen, maar het zwaard.

35

10:35
Micha 7:6
Want Ik ben gekomen om tweedracht te brengen tussen een man en zijn vader, en tussen een dochter en haar moeder, en tussen een schoondochter en haar schoonmoeder;

36

10:36
Ps. 41:10
55:13
Joh. 13:18
en iemands huisgenoten zullen zijn vijanden zijn.

37

10:37
Luk. 14:26
Wie vader of moeder liefheeft boven Mij, is Mij niet waard; en wie zoon of dochter liefheeft boven Mij, is Mij niet waard.

38

10:38
Matt. 16:24
Mark. 8:34
Luk. 9:23
14:27
En wie zijn kruis niet op zich neemt en Mij navolgt, is Mij niet waard.

39

10:39
Matt. 16:25
Mark. 8:35
Luk. 9:24
17:33
Joh. 12:25
Wie zijn leven vindt, zal het verliezen; en wie zijn leven verliest omwille van Mij, zal het vinden.

40

10:40
Luk. 10:16
Joh. 13:20
Wie u ontvangt, ontvangt Mij; en wie Mij ontvangt, ontvangt Hem Die Mij gezonden heeft.

41

10:41
1 Kon. 17:10
18:4
2 Kon. 4:8
Wie een profeet ontvangt omdat hij een profeet is,10:41 omdat hij een profeet is - Letterlijk: in de naam van een profeet. zal het loon van een profeet ontvangen; en wie een rechtvaardige ontvangt omdat hij een rechtvaardige is,10:41 omdat hij een rechtvaardige is - Letterlijk: in de naam van een rechtvaardige. zal het loon van een rechtvaardige ontvangen.

42

10:42
Matt. 25:40
Mark. 9:41
Hebr. 6:10
En wie een van deze kleinen slechts een beker koud water te drinken geeft omdat hij een discipel is,10:42 omdat hij een discipel is - Letterlijk: in de naam van een discipel. voorwaar, Ik zeg u: hij zal zijn loon beslist niet verliezen.