Herziene Statenvertaling (HSV)
7

De splinter en de balk

71Oordeel

7:1
Luk. 6:37
Rom. 2:1
1 Kor. 4:3,5
niet, opdat u niet geoordeeld wordt;

2

7:2
Mark. 4:24
Luk. 6:38
want met het oordeel waarmee u oordeelt, zult u zelf geoordeeld worden; en met welke maat u meet, zal er bij u ook gemeten worden.

3

7:3
Luk. 6:41,42
Waarom ziet u wel de splinter in het oog van uw broeder, maar merkt u de balk in uw eigen oog niet op?

4Of, hoe zult u tegen uw broeder zeggen: Laat toe dat ik de splinter uit uw oog haal; en zie, er is een balk in uw eigen oog?

5

7:5
Spr. 18:17
Huichelaar, haal eerst de balk uit uw oog en dan zult u goed kunnen zien om de splinter uit het oog van uw broeder te halen.

6

7:6
Spr. 9:8
23:9
Geef het heilige niet aan de honden, en werp uw parels niet voor de zwijnen, opdat die ze niet op enig moment met hun poten vertrappen, zich omkeren en u verscheuren.

Gebedsverhoring

7Bid,

7:7
Matt. 21:22
Mark. 11:24
Luk. 11:9
Joh. 14:13
16:24
Jak. 1:5,6
1 Joh. 3:22
5:14
en u zal gegeven worden; zoek, en u zult vinden; klop, en er zal voor u opengedaan worden.

8

7:8
Spr. 8:17
Jer. 29:12
Want ieder die bidt, die ontvangt; wie zoekt, die vindt; en voor wie klopt zal opengedaan worden.

9Of is er iemand onder u die zijn zoon een steen zal geven, als hij om brood vraagt?

10Of als hij hem om een vis vraagt, zal hij hem een slang geven?

11Als u,

7:11
Gen. 6:5
8:21
die slecht bent, uw kinderen dan goede gaven weet te geven, hoeveel te meer zal uw Vader, Die in de hemelen is, goede gaven geven aan hen die tot Hem bidden.

12

7:12
Luk. 6:31
Alles dan wat u wilt dat de mensen u doen, doet u hun ook zo, want dat is de Wet en de Profeten.

De nauwe poort

13

7:13
Luk. 13:24
Ga binnen door de nauwe poort, want wijd is de poort en breed is de weg die naar het verderf leidt, en velen zijn er die daardoor naar binnen gaan;

14

7:14
Hand. 14:22
maar de poort is nauw en de weg is smal die naar het leven leidt, en weinigen zijn er die hem vinden.

De boom en zijn vruchten

15

7:15
Deut. 13:3
Jer. 23:16
Matt. 24:4
Rom. 16:17
Efez. 5:6
Kol. 2:8
1 Joh. 4:1
Maar wees op uw hoede voor de valse profeten, die in schapenvacht naar u toe komen maar van binnen roofzuchtige wolven zijn.

16Aan hun vruchten zult u hen herkennen. Men plukt toch geen druif van doornstruiken of vijgen van distels?

17

7:17
Matt. 3:10
12:33
Mark. 11:13
Luk. 8:8
Zo brengt iedere goede boom goede vruchten voort en een slechte boom brengt slechte vruchten voort.

18Een goede boom kan geen slechte vruchten voortbrengen en een slechte boom kan geen goede vruchten voortbrengen.

19Iedere boom die geen goede vrucht voortbrengt, wordt omgehakt en in het vuur geworpen.

20Zo zult u hen dus aan hun vruchten herkennen.

21

7:21
Matt. 25:11
Luk. 6:46
13:25
Hand. 19:13
Rom. 2:13
Jak. 1:22
Niet ieder die tegen Mij zegt: Heere, Heere, zal binnengaan in het Koninkrijk der hemelen, maar wie de wil doet van Mijn Vader, Die in de hemelen is.

22

7:22
Jer. 14:14
27:15
Luk. 13:26
Velen zullen op die dag tegen Mij zeggen: Heere, Heere, hebben wij niet in Uw Naam geprofeteerd, en in Uw Naam demonen uitgedreven, en in Uw Naam veel krachten gedaan?

23

7:23
Ps. 6:9
Matt. 25:12
Luk. 13:25,27
Dan zal Ik hun openlijk zeggen: Ik heb u nooit gekend;
7:23
Matt. 25:41
Luk. 13:25,27
ga weg van Mij, u die de wetteloosheid werkt!

De wijze en de dwaze bouwer

24

7:24
Jer. 17:8
Luk. 6:47
Rom. 2:13
Jak. 1:25
Daarom, ieder die deze woorden van Mij hoort en ze doet, die zal Ik vergelijken met een verstandig man, die zijn huis op de rots gebouwd heeft;

25en de slagregen viel neer en de waterstromen kwamen en de winden waaiden en stortten zich op dat huis, maar het stortte niet in, want het was op de rots gefundeerd.

26

7:26
Ezech. 13:11
Rom. 2:13
Jak. 1:23
En ieder die deze woorden van Mij hoort en ze niet doet, zal met een dwaze man vergeleken worden, die zijn huis op zand gebouwd heeft;

27en de slagregen viel neer en de waterstromen kwamen en de winden waaiden en sloegen tegen dat huis, en het stortte in en zijn val was groot.

28Toen Jezus deze woorden had geëindigd, gebeurde het dat de menigte versteld stond van Zijn onderricht,

29

7:29
Mark. 1:22
6:2
Luk. 4:32
want Hij onderwees hen als gezaghebbende en niet zoals de schriftgeleerden.

8

De reiniging van een melaatse

81Toen Hij van de berg afgedaald was, volgde een grote menigte Hem.

2

8:2
Mark. 1:40
Luk. 5:12
En zie, er kwam een melaatse. Die knielde voor Hem neer en zei: Heere, als U wilt, kunt U mij reinigen.

3En Jezus stak Zijn hand uit, raakte hem aan en zei: Ik wil het, word gereinigd. En meteen werd hij gereinigd van zijn melaatsheid.

4Jezus zei tegen hem: Denk erom dat u dit tegen niemand zegt; maar

8:4
Luk. 5:14
ga heen, laat uzelf aan de priester zien, en offer de gave die
8:4
Lev. 13:2
14:2
Mozes voorgeschreven heeft, tot een getuigenis voor hen.

De hoofdman in Kapernaüm

5

8:5
Luk. 7:1
Toen Jezus Kapernaüm binnengegaan was, kwam er een hoofdman over honderd naar Hem toe, die Hem smeekte:

6Heere, mijn knecht ligt verlamd thuis en lijdt hevige pijn.

7En Jezus zei tegen hem: Ik zal komen en hem genezen.

8De hoofdman antwoordde en zei: Heere, ik ben het niet waard dat U onder mijn dak komt; maar

8:8
Ps. 107:20
spreek slechts een woord, en mijn knecht zal genezen zijn.

9Want ook ik ben een mens onder het gezag van anderen en heb zelf soldaten onder mij; ik zeg tegen de één: Ga! en hij gaat; en tegen de ander: Kom! en hij komt; en tegen mijn dienaar: Doe dat! en hij doet het.

10Toen Jezus dit hoorde, verwonderde Hij Zich, en zei tegen hen die Hem volgden: Voorwaar, Ik zeg u: Ik heb zelfs in Israël zo'n groot geloof niet gevonden.

11

8:11
Luk. 13:29
Maar Ik zeg u dat er velen zullen komen van oost en west en zij zullen aan tafel gaan met Abraham, Izak en Jakob in het Koninkrijk der hemelen,

12

8:12
Matt. 21:43
en de kinderen van het Koninkrijk zullen buitengeworpen worden in de buitenste duisternis;
8:12
Matt. 13:42
22:13
24:51
Luk. 13:28
daar zal gejammer zijn en tandengeknars.

13En Jezus zei tegen de hoofdman: Ga heen, en het zal u gaan zoals u geloofd hebt. En zijn knecht is gezond geworden op datzelfde moment.

De schoonmoeder van Petrus

14

8:14
Mark. 1:29
Luk. 4:38
En Jezus kwam in het huis van Petrus en zag zijn schoonmoeder met koorts op bed liggen.

15En Hij raakte haar hand aan en de koorts verliet haar; en zij stond op en diende hen.

16Toen het nu avond geworden was, brachten ze velen die door demonen bezeten waren, bij Hem, en Hij dreef de boze geesten uit met een enkel woord, en Hij genas allen die er slecht aan toe waren,

17opdat vervuld werd wat gesproken was door de profeet Jesaja toen hij zei:

8:17
Jes. 53:4
1 Petr. 2:24
Hij heeft onze zwakheden op Zich genomen, en onze ziekten gedragen.

Het volgen van Jezus

18Toen Jezus een grote menigte om Zich heen zag, gaf Hij bevel naar de overkant te varen.8:18 te varen - Letterlijk: te gaan.

19

8:19
Luk. 9:57
En er kwam een schriftgeleerde naar Hem toe en zei tegen Hem: Meester, ik zal U volgen, waar U ook heen gaat.

20En Jezus zei tegen hem: De vossen hebben holen, en de vogels in de lucht nesten, maar de Zoon des mensen heeft niets waarop Hij het hoofd kan neerleggen.

21Een ander uit Zijn discipelen zei tegen Hem: Heere, sta mij toe dat ik eerst wegga en mijn vader begraaf.

22Maar Jezus zei tegen hem: Volg Mij, en

8:22
1 Tim. 5:6
laat de doden hun doden begraven.

De storm gestild

23

8:23
Mark. 4:35
Luk. 8:22
En toen Hij aan boord van het schip gegaan was, volgden Zijn discipelen Hem.

24En zie, er ontstond een grote onstuimigheid in de zee, zodat het schip door de golven bedekt werd; maar Hij sliep.

25En Zijn discipelen kwamen bij Hem, wekten Hem en zeiden: Heere, red ons, wij vergaan!

26En Hij zei tegen hen: Waarom bent u angstig, kleingelovigen?

8:26
Job 26:12
Ps. 107:29
Jes. 51:10
Toen stond Hij op en bestrafte de winden en de zee, en er kwam een grote stilte.

27De mensen verwonderden zich en zeiden: Wat voor Iemand is Dit, dat zelfs de winden en de zee Hem gehoorzaam zijn?

De genezing van bezetenen

28

8:28
Mark. 5:1
Luk. 8:26
En toen Hij aan de overkant was gekomen, in het land van de Gergesenen, kwamen twee mensen die door demonen bezeten waren, Hem tegemoet; zij kwamen uit de grafspelonken en waren zeer gevaarlijk, zodat niemand langs die weg voorbij kon gaan.

29En zie, zij riepen: Jezus, Zoon van God, wat hebben wij met U te maken? Bent U hier gekomen om ons te pijnigen vóór de tijd?

30En ver bij hen vandaan was een grote kudde varkens aan het weiden.

31De demonen smeekten Hem: Als U ons uitdrijft, sta ons dan toe dat wij in die kudde varkens gaan.

32En Hij zei tegen hen: Ga. En zij gingen uit hen weg en trokken in de kudde varkens; en zie, de hele kudde varkens stortte van de steilte af de zee in, en zij stierven in het water.

33En zij die ze weidden, vluchtten; en toen zij in de stad gekomen waren, berichtten zij al deze dingen én wat er met de bezetenen gebeurd was.

34En zie, heel de stad liep uit, Jezus tegemoet; en toen ze Hem zagen,

8:34
Hand. 16:39
smeekten ze Hem of Hij uit hun gebied wilde vertrekken.

9

De genezing van een verlamde

91En nadat Hij in het schip gegaan was, voer Hij over en kwam in Zijn stad.

9:1
Mark. 2:3
Luk. 5:18
Hand. 9:33
En zie, men bracht een verlamde bij Hem, die op een bed lag.

2En Jezus, Die hun geloof zag, zei tegen de verlamde: Zoon, heb goede moed, uw zonden zijn u vergeven.

3En zie, sommigen van de schriftgeleerden zeiden bij zichzelf:

9:3
Ps. 32:5
Jes. 43:25
Deze lastert God.

4En Jezus, Die hun gedachten zag, zei: Waarom overweegt u verkeerde dingen in uw hart?

5Want wat is gemakkelijker, te zeggen: De zonden zijn u vergeven? of te zeggen: Sta op en ga lopen?

6Maar opdat u zult weten dat de Zoon des mensen macht heeft op de aarde zonden te vergeven (toen zei Hij tegen de verlamde): Sta op, neem uw bed op en ga naar uw huis.

7En hij stond op en ging naar zijn huis.

8Toen de menigten dit zagen, verwonderden ze zich en verheerlijkten God, Die zo'n macht aan de mensen gegeven had.

De roeping van Mattheüs

9

9:9
Mark. 2:14
Luk. 5:27
En Jezus ging vandaar verder en zag iemand in het tolhuis zitten, die Mattheüs heette; en Hij zei tegen hem: Volg Mij! En hij stond op en volgde Hem.

10En het gebeurde, toen Hij in het huis van Mattheüs aanlag, zie, veel tollenaars en zondaars kwamen en lagen met Jezus en Zijn discipelen aan.

11En toen de Farizeeën dat zagen, zeiden zij tegen Zijn discipelen: Waarom eet uw Meester met de tollenaars en zondaars?

12Maar Jezus, Die dat hoorde, zei tegen hen: Wie gezond zijn, hebben geen dokter nodig, maar wie ziek zijn.

13Maar ga heen en leer wat het betekent:

9:13
Hos. 6:6
Micha 6:8
Matt. 12:7
Ik wil barmhartigheid en geen offer;
9:13
Mark. 2:17
Luk. 5:32
19:10
1 Tim. 1:15
want Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen tot bekering te roepen, maar zondaars.

Het vasten

14

9:14
Mark. 2:18
Luk. 5:33
Toen kwamen de discipelen van Johannes bij Hem en zeiden: Waarom vasten wij en de Farizeeën veel en vasten Uw discipelen niet?

15Jezus zei tegen hen:

9:15
2 Kor. 11:2
De bruiloftsgasten kunnen toch niet treuren zolang de Bruidegom bij hen is? Maar de dagen zullen komen dat de Bruidegom van hen weggenomen zal zijn, en dan zullen zij vasten.

16Ook zet niemand een lap niet-gekrompen stof op een oud bovenkleed, want de daarop genaaide lap scheurt van het bovenkleed af, en er ontstaat een ergere scheur.

17

9:17
Mark. 2:22
Ook doet men geen nieuwe wijn in oude leren zakken; anders barsten de zakken, en de wijn stroomt eruit, en de zakken gaan verloren; maar men doet nieuwe wijn in nieuwe zakken, en beide blijven behouden.

Het dochtertje van Jaïrus en de bloedvloeiende vrouw

18Toen Hij deze dingen tot hen sprak,

9:18
Mark. 5:22
Luk. 8:41
zie, er kwam een leidinggevende, die Hem aanbad en zei: Mijn dochter is zojuist gestorven, maar kom, leg Uw hand op haar en zij zal leven.

19En Jezus stond op en volgde hem met Zijn discipelen.

20

9:20
Lev. 15:25
Mark. 5:25
Luk. 8:43
En zie, een vrouw die al twaalf jaar bloedvloeiingen had, kwam van achteren naar Hem toe en raakte de zoom van Zijn bovenkleed aan;

21want zij zei bij zichzelf: Als ik alleen maar Zijn bovenkleed aanraak, zal ik gezond worden.

22Jezus keerde Zich om, zag haar en zei:

9:22
Mark. 5:34
Luk. 8:48
Heb goede moed, dochter, uw geloof heeft u behouden. En de vrouw was vanaf dat moment gezond.

23

9:23
Mark. 5:38
Luk. 8:51
Toen Jezus in het huis van de leidinggevende kwam, en de fluitspelers en de misbaar makende menigte zag,

24zei Hij tegen hen: Vertrek, want het meisje is niet gestorven, maar het

9:24
Joh. 11:11
slaapt. En zij lachten Hem uit.

25Toen de menigte weggestuurd was, ging Hij naar binnen en greep haar hand; en het meisje stond op.

26En het gerucht hierover verspreidde zich door heel dat gebied.

De twee blinden

27En toen Jezus vandaar verderging, volgden Hem twee blinden, die riepen: Zoon van David, ontferm U over ons!

28Toen Hij in huis gekomen was, kwamen de blinden naar Hem toe. En Jezus zei tegen hen: Gelooft u dat Ik dat kan doen? Zij zeiden tegen Hem: Ja, Heere.

29Toen raakte Hij hun ogen aan en zei: Het zal u gaan naar uw geloof.

30En hun ogen werden geopend.

9:30
Matt. 12:16
Luk. 5:14
En Jezus vermaande hen streng en zei: Kijk uit, niemand mag het te weten komen!

31

9:31
Mark. 7:36
Maar zij gingen weg en maakten Hem bekend in heel dat gebied.

De bezetene die niet kon spreken

32

9:32
Matt. 12:22
Luk. 11:14
Toen dezen weggingen, zie, men bracht iemand bij Hem die niet kon spreken en door een demon bezeten was.

33En toen de demon uitgedreven was, sprak hij die niet had kunnen spreken. En de menigte verwonderde zich en zei: Er is nog nooit zoiets in Israël gezien!

34Maar de Farizeeën zeiden:

9:34
Matt. 12:24
Mark. 3:22
Luk. 11:15
Hij drijft de demonen uit door de aanvoerder van de demonen.

De oogst is groot

35

9:35
Mark. 6:6
Luk. 13:22
En Jezus trok rond in al de steden en dorpen en gaf onderwijs in hun synagogen, en Hij predikte het Evangelie van het Koninkrijk en genas iedere ziekte en elke kwaal onder het volk.

36

9:36
Mark. 6:34
Toen Hij de menigte zag, was Hij innerlijk met ontferming bewogen over hen, omdat zij vermoeid en verstrooid waren,
9:36
Jer. 23:1
Ezech. 34:2
zoals schapen die geen herder hebben.

37Toen zei Hij tegen Zijn discipelen:

9:37
Luk. 10:2
Joh. 4:35
De oogst is wel groot, maar er zijn weinig arbeiders.

38

9:38
2 Thess. 3:1
Bid daarom tot de Heere van de oogst dat Hij arbeiders in Zijn oogst uitzendt.