Herziene Statenvertaling (HSV)
3

Johannes de Doper

31In die dagen

3:1
Mark. 1:4
Luk. 3:3
trad Johannes de Doper op en hij predikte in de woestijn van Judea,

2en zei: Bekeer u, want het Koninkrijk der hemelen is nabijgekomen.

3Want deze is het over wie gesproken werd door de profeet Jesaja toen hij zei:

3:3
Jes. 40:3
Mark. 1:3
Luk. 3:4
Joh. 1:23
De stem van iemand die roept in de woestijn: Maak de weg van de Heere gereed, maak Zijn paden recht.

4Deze Johannes had kleding

3:4
Mark. 1:6
van kameelhaar en een leren gordel om zijn middel; zijn voedsel was sprinkhanen en wilde honing.

5Toen liep Jeruzalem, heel Judea en heel het land rondom de Jordaan naar hem uit,

6

3:6
Mark. 1:5
en zij werden door hem gedoopt in de Jordaan, terwijl zij hun zonden beleden.

7Toen hij

3:7
Luk. 3:7
velen van de Farizeeën en Sadduceeën op zijn doop zag afkomen, zei hij tegen hen:
3:7
Matt. 12:34
23:33
Adderengebroed! Wie heeft u laten weten dat u moet vluchten voor de komende toorn?

8

3:8
Luk. 3:8
Breng dan vruchten voort in overeenstemming met de bekering,

9en denk niet dat u bij uzelf kunt zeggen:

3:9
Joh. 8:39
Wij hebben Abraham als vader; want ik zeg u dat God zelfs uit deze stenen voor Abraham kinderen kan verwekken.

10De bijl ligt zelfs al aan de wortel van de bomen;

3:10
Matt. 7:19
Joh. 15:6
elke boom dan die geen goede vrucht voortbrengt, wordt omgehakt en in het vuur geworpen.

11Ik doop u wel met water tot bekering,

3:11
Mark. 1:7
Luk. 3:16
Joh. 1:15,26
Hand. 1:5
11:16
19:4
maar Hij Die na mij komt, is sterker dan ik; ik ben het niet waard Hem Zijn sandalen na te dragen. Hij zal u dopen met de Heilige Geest en met vuur.

12Zijn wan is in Zijn hand en Hij zal Zijn dorsvloer grondig reinigen en Zijn tarwe in de schuur verzamelen en Hij zal het kaf met onuitblusbaar vuur verbranden.

Johannes doopt Jezus

13

3:13
Mark. 1:9
Luk. 3:21
Toen kwam Jezus van Galilea naar de Jordaan, naar Johannes, om door hem gedoopt te worden.

14Maar Johannes wilde Hem hiervan weerhouden en zei: Ik heb het nodig door U gedoopt te worden, en komt U naar mij?

15Maar Jezus antwoordde hem en zei: Laat het nu gebeuren, want op deze wijze past het ons alle gerechtigheid te vervullen. Toen liet hij het Hem toe.

16En nadat Jezus gedoopt was, kwam Hij meteen op uit het water; en zie, de hemelen werden voor Hem geopend, en Hij zag

3:16
Jes. 11:2
42:1
Joh. 1:32
de Geest van God als een duif neerdalen en op Zich komen.

17En zie, een stem uit de hemelen zei:

3:17
Jes. 42:1
Matt. 12:18
17:5
Luk. 9:35
Kol. 1:13
2 Petr. 1:17
Dit is Mijn geliefde Zoon, in Wie Ik Mijn welbehagen heb!

4

De verzoeking in de woestijn

41Toen

4:1
Mark. 1:12
Luk. 4:1
werd Jezus door de Geest weggeleid naar de woestijn om verzocht te worden door de duivel.

2En nadat Hij veertig dagen en veertig nachten had gevast, kreeg Hij ten slotte honger.

3En de verzoeker kwam bij Hem en zei: Als U Gods Zoon bent, zeg dan dat deze stenen broden worden.

4Maar Hij antwoordde en zei: Er staat geschreven:

4:4
Deut. 8:3
De mens zal niet van brood alleen leven, maar van elk woord dat uit de mond van God komt.

5Toen nam de duivel Hem mee naar de heilige stad en zette Hem op het hoogste gedeelte van de tempel,

6en hij zei tegen Hem: Als U de Zoon van God bent, werp Uzelf dan naar beneden, want er staat geschreven

4:6
Ps. 91:11,12
dat Hij Zijn engelen voor U bevel zal geven, en dat zij U op de handen zullen dragen, opdat U Uw voet niet misschien aan een steen stoot.

7Jezus zei tegen hem: Er staat eveneens geschreven:

4:7
Deut. 6:16
U zult de Heere, uw God, niet verzoeken.

8Opnieuw nam de duivel Hem mee, nu naar een zeer hoge berg, en hij liet Hem al de koninkrijken van de wereld zien, met hun heerlijkheid,

9en zei tegen Hem: Dit alles zal ik U geven, als U knielt en mij aanbidt.

10Toen zei Jezus tegen hem: Ga weg, satan, want er staat geschreven:

4:10
Deut. 6:13
10:20
De Heere, uw God, zult u aanbidden en Hem alleen dienen.

11Toen liet de duivel Hem gaan; en zie, engelen kwamen en dienden Hem.

Het begin van Jezus' prediking

12Toen Jezus gehoord had dat

4:12
Mark. 1:14
Luk. 4:14
Johannes overgeleverd was, keerde Hij terug
4:12
Luk. 4:16,31
Joh. 4:43
naar Galilea.

13Hij verliet Nazareth en ging wonen in Kapernaüm, dat aan de zee lag, in het gebied van Zebulon en Naftali,

14opdat vervuld zou worden wat door de profeet Jesaja gesproken werd toen hij zei:

15

4:15
Jes. 8:23
9:1
Land Zebulon en land Naftali, gebied aan de weg naar de zee en over de Jordaan, Galilea van de volken,

16het volk dat in duisternis zat, heeft een groot licht gezien; en voor hen die zaten in het land en de schaduw van de dood, is een licht opgegaan.

17Van toen af begon Jezus te prediken en te zeggen:

4:17
Mark. 1:15
Bekeer u, want het Koninkrijk der hemelen is nabijgekomen.

De eerste discipelen

18

4:18
Mark. 1:16
En Jezus liep langs de zee van Galilea en zag twee broers, namelijk Simon, die Petrus genoemd wordt, en zijn broer Andreas, het net in de zee werpen, want zij waren vissers.

19En Hij zei tegen hen: Kom achter Mij aan, en Ik zal u vissers van mensen maken.

20Zij lieten meteen de netten achter en volgden Hem.

21Hij ging vandaar verder en zag twee andere broers, namelijk Jakobus, de zoon van Zebedeüs, en Johannes, zijn broer, in het schip met hun vader Zebedeüs, terwijl zij hun netten aan het herstellen waren, en Hij riep hen.

22Zij lieten meteen het schip en hun vader achter en volgden Hem.

De toeloop van de menigte

23En Jezus trok rond in heel Galilea, gaf onderwijs in hun synagogen en predikte het Evangelie van het Koninkrijk, en Hij genas elke ziekte en elke kwaal onder het volk.

24En het gerucht over Hem verspreidde zich4:24 verspreidde zich - Letterlijk: ging uit. over heel Syrië; en zij brachten bij Hem allen die er slecht aan toe waren en door allerlei ziekten en pijnen bevangen waren, en die door demonen bezeten waren, en maanzieken en verlamden; en Hij genas hen.

25En grote menigten volgden Hem, uit Galilea en Dekapolis, uit Jeruzalem en Judea, en van over de Jordaan.

5

De zaligsprekingen

51Toen Jezus de menigte zag, ging Hij de berg op, en nadat Hij was gaan zitten, kwamen Zijn discipelen bij Hem.

2En Hij opende Zijn mond en onderwees hen. Hij zei:

3

5:3
Luk. 6:20
Zalig zijn de armen van geest, want van hen is het Koninkrijk der hemelen.

4

5:4
Luk. 6:21
Zalig zijn zij die treuren, want zij zullen vertroost worden.

5

5:5
Ps. 37:11
Zalig zijn de zachtmoedigen, want zij zullen de aarde beërven.

6

5:6
Jes. 55:1
Zalig zijn zij die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden.

7Zalig zijn de barmhartigen, want aan hen zal barmhartigheid bewezen worden.

8

5:8
Ps. 15:2
24:4
Hebr. 12:14
Zalig zijn de reinen van hart, want zij zullen God zien.

9Zalig zijn de vredestichters, want zij zullen Gods kinderen genoemd worden.

10

5:10
2 Kor. 4:10
2 Tim. 2:12
1 Petr. 3:14
Zalig zijn zij die vervolgd worden om de gerechtigheid, want van hen is het Koninkrijk der hemelen.

11Zalig bent u als men u smaadt en vervolgt, en door te liegen allerlei kwaad tegen u spreekt,

5:11
1 Petr. 4:14
omwille van Mij.

12

5:12
Luk. 6:23
Verblijd en verheug u, want uw loon is groot in de hemelen, want zo hebben ze de profeten vervolgd die er vóór u geweest zijn.

Het zout van de aarde en het licht op de kandelaar

13

5:13
Mark. 9:50
Luk. 14:34
U bent het zout van de aarde; maar als het zout zijn smaak verloren heeft, waarmee zal het gezouten worden? Het deugt nergens meer voor dan om weggeworpen en door de mensen vertrapt te worden.

14U bent het licht van de wereld. Een stad die boven op een berg ligt, kan niet verborgen zijn.

15

5:15
Mark. 4:21
Luk. 8:16
11:33
En ook steekt men geen lamp aan en zet die onder de korenmaat, maar op de standaard, en hij schijnt voor allen die in het huis zijn.

16

5:16
1 Petr. 2:12
Laat uw licht zo schijnen voor de mensen, dat zij uw goede werken zien en uw Vader, Die in de hemelen is, verheerlijken.

Jezus en de Wet

17Denk niet dat Ik gekomen ben om de Wet of de Profeten af te schaffen; Ik ben niet gekomen om die af te schaffen, maar te vervullen.

18Want, voorwaar, Ik zeg u:

5:18
Luk. 16:17
Totdat de hemel en de aarde voorbijgaan, zal er niet één jota of één tittel van de Wet voorbijgaan, totdat het alles geschied is.

19

5:19
Jak. 2:10
Wie dan een van deze geringste geboden afschaft en de mensen zo onderwijst, zal de geringste genoemd worden in het Koninkrijk der hemelen; maar wie ze doet en onderwijst, die zal groot genoemd worden in het Koninkrijk der hemelen.

20Want Ik zeg u: Als uw gerechtigheid niet overvloediger is dan die van de schriftgeleerden en de Farizeeën, zult u het Koninkrijk der hemelen beslist niet binnengaan.

Jezus en de traditie

21U hebt gehoord dat tegen het voorgeslacht5:21 het voorgeslacht - Letterlijk: de ouden; zie ook de verzen 27 en 33. gezegd is:

5:21
Ex. 20:13
Deut. 5:17
U zult niet doden; en: Wie doodt, zal door de rechtbank schuldig bevonden worden.

22Maar Ik zeg u: Al wie ten onrechte boos is op zijn broeder, zal schuldig bevonden worden door de rechtbank. En al wie tegen zijn broeder zegt: Raka! zal schuldig bevonden worden door de Raad; maar al wie zegt: Dwaas! die zal schuldig bevonden worden tot het helse vuur.5:22 het helse vuur - Letterlijk: de hel van het vuur.

23Als u dan uw gave op het altaar offert en u zich daar herinnert dat uw broeder iets tegen u heeft,

24laat uw gave daar bij het altaar achter en ga heen, verzoen u eerst met uw broeder en kom dan terug en offer uw gave.

25

5:25
Luk. 12:58
Efez. 4:26
Stel u zo snel mogelijk welwillend op tegenover uw tegenpartij, terwijl u nog met hem onderweg bent; opdat de tegenpartij u niet misschien aan de rechter overlevert en de rechter u aan de gerechtsdienaar overlevert en u in de gevangenis geworpen wordt.

26Voorwaar, Ik zeg u: U zult daar beslist niet uitkomen, voordat u de laatste quadrans5:26 De quadrans was in die tijd de kleinste munteenheid van het Romeinse Rijk. betaald hebt.

27U hebt gehoord dat tegen het voorgeslacht gezegd is:

5:27
Ex. 20:14
Deut. 5:18
U zult geen overspel plegen.

28Maar Ik zeg u dat al wie naar een vrouw

5:28
Job 31:1
Ps. 119:37
kijkt om haar te begeren, in zijn hart al overspel met haar gepleegd heeft.

29

5:29
Matt. 18:8
Mark. 9:43
Als dan uw rechteroog u doet struikelen, ruk het uit en werp het van u weg, want het is beter voor u dat een van uw lichaamsdelen te gronde gaat en niet heel uw lichaam in de hel geworpen wordt.

30En als uw rechterhand u doet struikelen, hak hem af en werp hem van u weg, want het is beter voor u dat een van uw lichaamsdelen te gronde gaat en niet heel uw lichaam in de hel geworpen wordt.

31Er is ook gezegd:

5:31
Deut. 24:1
Wie zijn vrouw verstoot, moet haar een echtscheidingsbrief geven.

32

5:32
Matt. 19:7
Mark. 10:4,11
Luk. 16:18
1 Kor. 7:10
Maar Ik zeg u dat wie zijn vrouw verstoot om een andere reden dan hoererij, maakt dat zij overspel pleegt; en wie met de verstotene trouwt, pleegt ook overspel.

33Verder hebt u gehoord dat tegen het voorgeslacht gezegd is:

5:33
Ex. 20:7
Lev. 19:12
Deut. 5:11
U zult de eed niet breken, maar u zult voor de Heere uw eden houden.

34Maar Ik zeg u:

5:34
Jak. 5:12
Zweer in het geheel niet, niet bij de hemel, want dat is de troon van God;

35niet bij de aarde,

5:35
Jes. 66:1
want dat is de voetbank van Zijn voeten; en ook niet bij Jeruzalem,
5:35
Ps. 48:3
want dat is de stad van de grote Koning.

36Ook bij uw hoofd mag u niet zweren, want u kunt niet één haar wit of zwart maken;

37maar laat uw woord ja ja zijn en uw nee nee; wat hierboven uitgaat, is uit de boze.

38U

5:38
Ex. 21:24
Lev. 24:20
Deut. 19:21
hebt gehoord dat er gezegd is: Oog voor oog en tand voor tand.

39Ik zeg u echter

5:39
Spr. 24:29
Luk. 6:29
Rom. 12:17
1 Kor. 6:7
1 Thess. 5:15
1 Petr. 3:9
dat u geen weerstand moet bieden aan de boze; maar wie u op de rechterwang slaat, keer hem ook de andere toe;

40en als iemand u voor het gerecht wil dagen en uw onderkleding nemen, geef hem dan ook het bovenkleed;

41en wie u zal dwingen één mijl te gaan, ga er twee met hem.

42

5:42
Deut. 15:8
Luk. 6:35
Geef aan hem die iets van u vraagt, en keer u niet af van hem die van u lenen wil.

43U hebt gehoord dat er gezegd is:

5:43
Lev. 19:18
U moet uw naaste liefhebben en uw vijand moet u haten.

44Maar Ik zeg u:

5:44
Luk. 6:27
Rom. 12:20
Heb uw vijanden lief; zegen hen die u vervloeken; doe goed aan hen die u haten; en
5:44
Luk. 23:34
Hand. 7:60
1 Kor. 4:13
1 Petr. 2:23
bid voor hen die u beledigen en u vervolgen;

45zodat u kinderen zult zijn van uw Vader, Die in de hemelen is, want Hij laat Zijn zon opgaan over slechte en goede mensen, en laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen.

46

5:46
Luk. 6:32
Want als u hen liefhebt die u liefhebben, wat voor loon hebt u dan? Doen ook de tollenaars niet hetzelfde?

47En als u alleen uw broeders groet, wat doet u meer dan anderen? Doen ook de tollenaars niet zo?

48Weest u dan volmaakt, zoals uw Vader, Die in de hemelen is, volmaakt is.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]