Herziene Statenvertaling (HSV)
24

De tekenen van het einde van de wereld

241En

24:1
Mark. 13:1
Luk. 21:5
Jezus ging weg en vertrok uit de tempel; en Zijn discipelen kwamen naar Hem toe om Hem op de gebouwen van de tempel te wijzen.

2Jezus antwoordde en zei tegen hen: Ziet u dit alles? Voorwaar,

24:2
1 Kon. 9:7,8
Micha 3:12
Luk. 19:44
Ik zeg u: hier zal niet één steen op de andere steen gelaten worden die niet afgebroken zal worden.

3

24:3
Mark. 13:1,3
Luk. 21:7
Toen Hij op de Olijfberg zat, gingen de discipelen naar Hem toe toen zij alleen waren, en zeiden:
24:3
Hand. 1:6
Zeg ons, wanneer zullen deze dingen gebeuren? En wat is het teken van Uw komst en van de voleinding van de wereld?

4En Jezus antwoordde en zei tegen hen:

24:4
Jer. 29:8
Efez. 5:6
Kol. 2:18
2 Thess. 2:3
1 Joh. 4:1
Pas op dat niemand u misleidt.

5

24:5
Jer. 14:14
23:25
Joh. 5:43
Want velen zullen komen onder Mijn Naam en zeggen: Ik ben de Christus; en zij zullen velen misleiden.

6U zult horen van oorlogen en geruchten van oorlogen; pas op, word niet verschrikt, want al die dingen moeten gebeuren, maar het is nog niet het einde.

7

24:7
Jes. 19:2
Want het ene volk zal tegen het andere volk opstaan, en het ene koninkrijk tegen het andere koninkrijk; en er zullen hongersnoden zijn en besmettelijke ziekten en aardbevingen in verscheidene plaatsen.

8Maar al die dingen zijn nog maar een begin van de weeën.

9

24:9
Matt. 10:17
Luk. 21:11,12
Joh. 15:20
16:2
Openb. 2:10
Dan zullen zij u overleveren aan verdrukking en u doden, en u zult door alle volken gehaat worden omwille van Mijn Naam.

10En dan zullen er velen struikelen en zij zullen elkaar overleveren en elkaar haten.

11

24:11
2 Petr. 2:1
En er zullen veel valse profeten opstaan en die zullen er velen misleiden.

12En

24:12
2 Tim. 3:1
doordat de wetteloosheid zal toenemen, zal de liefde van velen verkillen.

13

24:13
Matt. 10:22
Mark. 13:13
Luk. 21:19
Openb. 2:7,10
3:10
Maar wie volharden zal tot het einde, die zal zalig worden.

14En dit Evangelie van het Koninkrijk zal in heel de wereld gepredikt worden tot een getuigenis voor alle volken; en dan zal het einde komen.

De grote verdrukking

15

24:15
Mark. 13:14
Luk. 21:20
Wanneer u dan de gruwel van de verwoesting, waarover gesproken is door
24:15
Dan. 9:27
de profeet Daniël, zult zien staan op de heilige plaats – laat hij die het leest, daarop letten! –

16laten dan zij die in Judea zijn, vluchten naar de bergen.

17Wie op het dak is, moet niet naar beneden gaan om iets uit zijn huis te halen,

18en wie op de akker is, moet niet terugkeren naar wat hij achterliet om zijn kleren te halen.

19Maar wee de zwangeren en de zogenden in die dagen!

20En bid dat uw vlucht niet zal plaatsvinden in de winter en ook niet

24:20
Hand. 1:12
op een sabbat.

21

24:21
Dan. 12:1
Want dan zal er een grote verdrukking zijn, zoals er niet geweest is vanaf het begin van de wereld, tot nu toe, en zoals er ook nooit meer zijn zal.

22En als die dagen niet ingekort werden, zou er geen vlees behouden worden; maar ter wille van de uitverkorenen zullen die dagen ingekort worden.

De wederkomst van Christus

23Als iemand dan tegen u zegt: Zie,

24:23
Mark. 13:21
Luk. 21:8
hier is de Christus of daar, geloof het niet;

24

24:24
Deut. 13:1
2 Thess. 2:11
want er zullen valse christussen en valse profeten opstaan en zij zullen grote tekenen en wonderen doen, zó dat zij – als het mogelijk zou zijn – ook de uitverkorenen zouden misleiden.

25Zie, Ik heb het u van tevoren gezegd!

26

24:26
Luk. 17:23
Als men dan tegen u zal zeggen: Zie, Hij is in de woestijn; ga er niet opuit; zie, Hij is in de binnenkamers, geloof het niet,

27want zoals de bliksem vanuit het oosten komt en zichtbaar is tot in het westen, zo zal ook de komst van de Zoon des mensen zijn.

28

24:28
Job 39:33
Luk. 17:37
Want waar het dode lichaam is, daar zullen de gieren zich verzamelen.

29En

24:29
Jes. 13:10
Ezech. 32:7
Joël 2:31
3:15
Mark. 13:24
Luk. 21:25
meteen na de verdrukking van die dagen zal de zon verduisterd worden en de maan zal zijn schijnsel niet geven en de sterren zullen van de hemel vallen en de krachten van de hemelen zullen heftig bewogen worden.

30

24:30
Dan. 7:10
Matt. 16:27
25:31
26:64
Mark. 13:26
14:62
Luk. 21:27
Hand. 1:11
2 Thess. 1:10
Openb. 1:7
En dan zal aan de hemel het teken van de Zoon des mensen verschijnen; en dan zullen al de stammen van de aarde
24:30
Openb. 1:7
rouw bedrijven en zij zullen de Zoon des mensen zien, als Hij op de wolken van de hemel komt met grote kracht en heerlijkheid.

31En Hij zal Zijn engelen uitzenden onder

24:31
1 Kor. 15:52
1 Thess. 4:16
luid bazuingeschal, en zij zullen Zijn uitverkorenen bijeenbrengen uit de vier windstreken, van het ene uiterste van de hemelen tot het andere uiterste ervan.

De uitspruitende vijgenboom

32

24:32
Mark. 13:28
Luk. 21:29
Leer van de vijgenboom deze gelijkenis: wanneer zijn tak al zacht wordt en de bladeren uitspruiten, dan weet u dat de zomer nabij is.

33Zo ook u, wanneer u al deze dingen zult zien, weet dan dat het nabij is, voor de deur.

34Voorwaar, Ik zeg u: Dit geslacht zal zeker niet voorbijgaan, totdat al deze dingen gebeurd zijn.

35

24:35
Ps. 102:27
Jes. 51:6
Mark. 13:31
Hebr. 1:11
De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar Mijn woorden zullen zeker niet voorbijgaan.

Aansporing tot waakzaamheid

36

24:36
Mark. 13:32
Hand. 1:7
Maar die dag en dat uur is aan niemand bekend, ook aan de engelen in de hemel niet, maar alleen aan Mijn Vader.

37

24:37
Gen. 6:2
Luk. 17:26
1 Petr. 3:20
2 Petr. 2:5
Zoals de dagen van Noach waren, zo zal ook de komst van de Zoon des mensen zijn.

38Want zoals ze bezig waren in de dagen voor de zondvloed met eten, drinken, trouwen en ten huwelijk geven,

24:38
Gen. 7:7
tot op de dag waarop Noach de ark binnenging,

39en het niet merkten, totdat de zondvloed kwam en hen allen wegnam, zo zal ook de komst van de Zoon des mensen zijn.

40

24:40
Luk. 17:34
1 Thess. 4:17
Dan zullen er twee op de akker zijn; de één zal aangenomen en de ander zal achtergelaten worden.

41Er zullen twee vrouwen malen met de molen; de één zal aangenomen en de ander zal achtergelaten worden.

42

24:42
Matt. 25:13
Mark. 13:33
Luk. 12:40
21:36
Wees dan waakzaam, want u weet niet op welk moment uw Heere komen zal.

43

24:43
Luk. 12:39
1 Thess. 5:2
2 Petr. 3:10
Openb. 3:3
16:15
Maar weet dit, dat als de heer des huizes geweten had in welke nachtwake de dief komen zou, hij waakzaam geweest zou zijn, en niet in zijn huis zou hebben laten inbreken.

44Weest ook u daarom bereid, want op een uur waarop u het niet zou denken, zal de Zoon des mensen komen.

45

24:45
Matt. 25:21
Luk. 12:42
Wie is dan de trouwe en verstandige dienaar, die zijn heer over zijn personeel aangesteld heeft om hun het voedsel op de juiste tijd te geven?

46Zalig die dienaar die door zijn heer bij zijn komst zo handelend aangetroffen zal worden.

47Voorwaar, Ik zeg u dat hij hem over al zijn bezittingen zal aanstellen.

48Maar als die slechte dienaar in zijn hart zou zeggen: Mijn heer blijft nog lang weg,

49en zou beginnen zijn mededienaren te slaan en te eten en te drinken met de dronkaards,

50dan zal de heer van deze dienaar komen op een dag waarop hij hem niet verwacht en op een uur dat hij niet weet;

51en hij zal hem in stukken houwen en hem doen delen in het lot van de huichelaars;24:51 en hem doen delen in het lot van … - Letterlijk: en zijn deel zetten met …

24:51
Matt. 8:12
13:42
22:13
25:30
Luk. 13:28
daar zal gejammer zijn en tandengeknars.

25

De wijze en de dwaze meisjes

251Dan zal het Koninkrijk der hemelen gelijk zijn aan tien meisjes, die hun lampen namen en op weg gingen, de bruidegom tegemoet.

2Vijf van hen waren wijs en vijf waren dwaas.

3Zij die dwaas waren, namen wel hun lampen maar geen olie met zich mee.

4De wijzen namen met hun lampen ook olie mee in hun kruikjes.

5Toen de bruidegom uitbleef, werden zij allen slaperig en vielen in slaap.

6En te middernacht klonk er een geroep: Zie, de bruidegom komt, ga naar buiten, hem tegemoet!

7Toen stonden al die meisjes op en maakten hun lampen in orde.

8De dwazen zeiden tegen de wijzen: Geef ons van uw olie, want onze lampen gaan uit.

9Maar de wijzen antwoordden: In geen geval, anders is er misschien niet genoeg voor ons en u. Ga liever naar de verkopers en koop olie voor uzelf.

10Toen zij weggingen om olie te kopen, kwam de bruidegom; en zij die gereed waren, gingen met hem naar binnen naar de bruiloft, en de deur werd gesloten.

11Later kwamen ook de andere meisjes, die zeiden: Heer, heer, doe ons open!

12Hij antwoordde en zei: Voorwaar, ik zeg u: ik

25:12
Matt. 7:23
Luk. 13:25
ken u niet.

13

25:13
Matt. 24:42
Mark. 13:33,35
Wees dan waakzaam, want u weet de dag en ook het uur niet waarop de Zoon des mensen komen zal.

De talenten

14

25:14
Luk. 19:12
Want het is als iemand die naar het buitenland ging, zijn eigen dienaren bij zich riep en hun zijn bezittingen toevertrouwde.

15En aan de één gaf hij vijf talenten, aan de ander twee en aan de derde één, ieder naar zijn bekwaamheid, en hij reisde meteen weg.

16Hij die de vijf talenten ontvangen had, ging weg en handelde daarmee en hij verdiende vijf andere talenten erbij.

17Evenzo verdiende degene die de twee talenten ontvangen had, er nog twee bij.

18Maar hij die het ene ontvangen had, ging weg en groef een gat in de grond en verborg het geld van zijn heer.

19Na lange tijd kwam de heer van die dienaren terug en hield afrekening met hen.

20En degene die de vijf talenten ontvangen had, kwam en bracht nog vijf talenten bij hem, en hij zei: Heer, vijf talenten hebt u mij gegeven; zie, nog vijf talenten heb ik aan winst gemaakt.

21Zijn heer zei tegen hem: Goed gedaan, goede en trouwe dienaar,

25:21
Matt. 24:45
Luk. 12:42
over weinig bent u trouw geweest, over veel zal ik u aanstellen; ga in, in de vreugde van uw heer.

22En degene die de twee talenten ontvangen had, kwam ook naar hem toe en zei: Heer, twee talenten hebt u mij gegeven, zie, twee andere talenten heb ik aan winst gemaakt.

23Zijn heer zei tegen hem: Goed gedaan, goede en trouwe dienaar, over weinig bent u trouw geweest, over veel zal ik u aanstellen; ga in, in de vreugde van uw heer.

24Maar hij die het ene talent ontvangen had, kwam ook en zei: Heer, ik wist dat u een streng man bent, omdat u maait waar u niet gezaaid hebt, en inzamelt van de plaats waar u niet gestrooid hebt.

25En ik ben bevreesd weggegaan en heb uw talent verborgen in de grond; zie, hier hebt u het uwe.

26Maar zijn heer antwoordde en zei tegen hem: Slechte en luie dienaar, u wist dat ik maai waar ik niet gezaaid heb en van de plaats inzamel waar ik niet gestrooid heb.

27Dan had u mijn geld aan de bankiers moeten geven, en ik zou bij mijn komst het mijne met rente teruggekregen hebben.

28Neem daarom het talent van hem af en geef het aan hem die de tien talenten heeft.

29

25:29
Matt. 13:12
Mark. 4:25
Luk. 8:18
19:26
Want ieder die heeft, aan hem zal gegeven worden, en hij zal overvloedig hebben; maar van hem die niet heeft, van hem zal afgenomen worden ook wat hij heeft.

30En werp de onnutte dienaar uit in de buitenste duisternis;

25:30
Matt. 8:12
13:42
22:13
24:51
Luk. 13:28
daar zal gejammer zijn en tandengeknars.

Het laatste oordeel

31

25:31
Matt. 16:27
26:64
Mark. 14:62
Luk. 21:27
Hand. 1:11
1 Thess. 4:16
2 Thess. 1:10
Openb. 1:7
Wanneer de Zoon des mensen komen zal in Zijn heerlijkheid en al de heilige engelen met Hem, dan zal Hij zitten op de
25:31
Matt. 19:28
troon van Zijn heerlijkheid.

32En vóór Hem zullen al de volken bijeengebracht worden,

25:32
Ezech. 34:17,20
Matt. 13:49
en Hij zal ze van elkaar scheiden zoals de herder de schapen van de bokken scheidt.

33En Hij zal de schapen aan Zijn rechterhand zetten, maar de bokken aan Zijn linkerhand.

34Dan zal de Koning zeggen tegen hen die aan Zijn rechterhand zijn: Kom, gezegenden van Mijn Vader, beërf het Koninkrijk

25:34
Matt. 20:23
Mark. 10:40
dat voor u bestemd is vanaf de grondlegging van de wereld.

35

25:35
Jes. 58:7
Ezech. 18:7
Want Ik had honger en u hebt Mij te eten gegeven; Ik had dorst en u hebt Mij te drinken gegeven;
25:35
Hebr. 13:2
Ik was een vreemdeling en u hebt Mij gastvrij onthaald.

36Ik was

25:36
Jes. 58:7
Jak. 2:15,16
naakt en u hebt Mij gekleed; Ik ben ziek geweest en u hebt Mij bezocht; Ik was
25:36
2 Tim. 1:16
in de gevangenis en u bent bij Mij gekomen.

37Dan zullen de rechtvaardigen Hem antwoorden: Heere, wanneer hebben wij U hongerig gezien en te eten gegeven? Of dorstig en te drinken gegeven?

38Wanneer hebben wij U als een vreemdeling gezien en gastvrij onthaald, of naakt en hebben U gekleed?

39Wanneer hebben wij U ziek gezien of in de gevangenis en zijn bij U gekomen?

40En de Koning zal hun antwoorden: Voorwaar, Ik zeg u:

25:40
Spr. 19:17
Matt. 10:42
Mark. 9:41
Joh. 13:20
2 Kor. 9:6
voor zover u dit voor een van deze geringste broeders van Mij gedaan hebt, hebt u dat voor Mij gedaan.

41Dan zal Hij ook zeggen tegen hen die aan de linkerhand zijn:

25:41
Ps. 6:9
Matt. 7:23
Luk. 13:25,27
Ga weg van Mij, vervloekten, in het
25:41
Jes. 30:33
Openb. 19:20
eeuwige vuur, dat voor de duivel en zijn engelen bestemd is.

42Want Ik ben hongerig geweest en u hebt Mij niet te eten gegeven; Ik ben dorstig geweest en u hebt Mij niet te drinken gegeven;

43Ik was een vreemdeling en u hebt Mij niet gastvrij onthaald; naakt, en u hebt Mij niet gekleed; ziek en in de gevangenis, en u hebt Mij niet bezocht.

44Dan zullen ook die Hem antwoorden: Heere, wanneer hebben wij U hongerig gezien of dorstig of als een vreemdeling of naakt of ziek of in de gevangenis, en hebben U niet gediend?

45Dan zal Hij hun antwoorden: Voorwaar, Ik zeg u:

25:45
Spr. 14:31
17:5
Zach. 2:8
voor zover u dit voor een van deze geringsten niet gedaan hebt, hebt u het ook niet voor Mij gedaan.

46

25:46
Dan. 12:2
Joh. 5:29
En dezen zullen gaan in de eeuwige straf, maar de rechtvaardigen in het eeuwige leven.

26

Vierde aankondiging van het lijden

261En toen Jezus al deze woorden geëindigd had, gebeurde het dat Hij tegen Zijn discipelen zei:

2

26:2
Mark. 14:1
Luk. 22:1
Joh. 13:1
U weet dat over twee dagen het Pascha is, en dan zal de Zoon des mensen overgeleverd worden om gekruisigd te worden.

Het besluit om Jezus te doden

3

26:3
Ps. 2:2
Joh. 11:47
Hand. 4:27
Toen kwamen de overpriesters en de schriftgeleerden en de oudsten van het volk bijeen in het paleis van de hogepriester, die Kajafas heette;

4en zij overlegden met elkaar om Jezus met list te grijpen en te doden.

5Zij zeiden echter: Niet tijdens het feest, opdat er geen opschudding onder het volk komt.

De zalving in Bethanië

6Toen Jezus in Bethanië was, in het huis van Simon de melaatse,

7

26:7
Mark. 14:3
Luk. 7:37
Joh. 11:2
12:3
kwam er een vrouw naar Hem toe die een albasten fles met zeer kostbare zalf had; en zij goot die uit op Zijn hoofd terwijl Hij aanlag.

8Toen Zijn discipelen dat zagen, waren zij verontwaardigd en zeiden: Waartoe deze verkwisting?

9Deze zalf had immers duur verkocht kunnen worden en de opbrengst aan de armen gegeven.

10Maar Jezus, Die dit merkte, zei tegen hen: Waarom valt u deze vrouw lastig? Want zij heeft een goed werk aan Mij verricht.

11

26:11
Deut. 15:11
Mark. 14:7
Joh. 12:8
De armen hebt u immers altijd bij u, maar Mij hebt u niet altijd.

12Want toen zij deze zalf op Mijn lichaam goot, deed zij dat als voorbereiding op Mijn begrafenis.

13Voorwaar, Ik zeg u: overal waar dit Evangelie gepredikt zal worden in heel de wereld, zal ook tot haar gedachtenis gesproken worden over wat zij gedaan heeft.

Het verraad van Judas

14

26:14
Mark. 14:10
Luk. 22:4
Toen ging een van de twaalf, die Judas Iskariot heette, naar de overpriesters

15en zei: Wat wilt u mij geven, als ik Hem aan u overlever? En zij kenden hem

26:15
Zach. 11:12
dertig zilverstukken toe.

16En van toen af zocht hij een geschikte gelegenheid om Hem over te leveren.

De paasmaaltijd

17

26:17
Mark. 14:12
Luk. 22:7
Op de eerste dag
26:17
Ex. 12:17
van de ongezuurde broden kwamen de discipelen naar Jezus toe en zeiden tegen Hem: Waar wilt U dat wij voorbereidingen voor U treffen om het Pascha te eten?

18Hij zei: Ga de stad in naar een zeker persoon en zeg tegen hem: De Meester zegt: Mijn tijd is nabij; Ik zal bij u het Pascha houden met Mijn discipelen.

19En de discipelen deden zoals Jezus hun opgedragen had, en maakten het Pascha gereed.

20

26:20
Mark. 14:17
Luk. 22:14
Joh. 13:21
Toen het avond geworden was, lag Hij aan met de twaalf.

21En toen zij aten, zei Hij: Voorwaar, Ik zeg u dat

26:21
Hand. 1:17
een van u Mij zal verraden.

22En zij werden zeer bedroefd en ieder van hen begon tegen Hem te zeggen: Ik ben het toch niet, Heere?

23Hij antwoordde en zei:

26:23
Ps. 41:10
Luk. 22:21
Joh. 13:18
Wie de hand met Mij in de schotel indoopt, die zal Mij verraden.

24De Zoon des mensen gaat wel heen zoals over Hem geschreven is, maar wee die mens door wie de Zoon des mensen verraden wordt! Het zou goed voor die mens zijn als hij niet geboren was.

25Judas, die Hem verraadde, antwoordde en zei: Ik ben het toch niet, Rabbi? Hij zei tegen hem: U hebt het gezegd.

26

26:26
Mark. 14:22
Luk. 22:19
1 Kor. 11:23
En terwijl zij aten, nam Jezus het brood en toen Hij het gezegend had, brak Hij het en gaf het aan de discipelen en Hij zei: Neem, eet, dit is Mijn lichaam.

27Hij nam ook de drinkbeker en nadat Hij gedankt had, gaf Hij hun die, en zei: Drink allen daaruit,

28want dit is Mijn bloed,

26:28
Ex. 24:8
het bloed van het nieuwe verbond,26:28 verbond - Het Griekse woord betekent zowel testament als verbond. dat voor velen vergoten wordt tot vergeving van zonden.

29Ik zeg u dat Ik van nu aan van de vrucht van de wijnstok niet zal drinken tot op de dag wanneer Ik die met u nieuw zal drinken in het Koninkrijk van Mijn Vader.

30

26:30
Mark. 14:26
Luk. 22:39
Joh. 18:1
En toen zij de lofzang gezongen hadden, vertrokken zij naar de Olijfberg.

De verloochening van Petrus voorzegd

31Toen zei Jezus tegen hen: U zult in deze nacht allen aanstoot aan Mij nemen, want er is geschreven:

26:31
Zach. 13:7
Joh. 16:32
Ik zal de Herder slaan en de schapen van de kudde zullen uiteengedreven worden.

32

26:32
Mark. 14:28
16:7
Maar nadat Ik opgewekt zal zijn, zal Ik u voorgaan naar Galilea.

33Maar Petrus antwoordde Hem en zei:

26:33
Luk. 22:33
Al zouden zij ook allen aanstoot aan U nemen, ik zal nooit aanstoot aan U nemen.

34Jezus zei tegen hem:

26:34
Joh. 13:38
Voorwaar, Ik zeg u dat u in deze nacht, voordat de haan gekraaid zal hebben, Mij driemaal zult verloochenen.

35Petrus zei tegen Hem: Al moest ik ook met U sterven, ik zal U beslist niet verloochenen! Hetzelfde zeiden ook al de discipelen.

Gethsémané

36

26:36
Mark. 14:32
Luk. 22:39
Joh. 18:1
Toen ging Jezus met hen naar een plaats die Gethsémané heette, en zei tegen de discipelen: Ga hier zitten, terwijl Ik daar ga bidden.

37En Hij nam Petrus en de twee zonen van Zebedeüs met Zich mee en begon bedroefd en zeer angstig te worden.

38

26:38
Joh. 12:27
Toen zei Hij tegen hen: Mijn ziel is zeer bedroefd, tot de dood toe; blijf hier en waak met Mij.

39En nadat Hij iets verder gegaan was, wierp Hij Zich met het gezicht ter aarde en bad:

26:39
Luk. 22:41
Mijn Vader, als het mogelijk is, laat deze
26:39
Matt. 20:22,23
drinkbeker aan Mij voorbijgaan.
26:39
Joh. 6:38
Maar niet zoals Ik wil, maar zoals U wilt.

40En Hij kwam bij de discipelen en trof hen slapend aan en Hij zei tegen Petrus: Kon u dan niet één uur met Mij waken?

41Waak en bid, opdat u niet in verzoeking komt;

26:41
Gal. 5:17
de geest is wel gewillig, maar het vlees is zwak.

42Opnieuw, voor de tweede keer, ging Hij heen en bad: Mijn Vader, als deze drinkbeker aan Mij niet voorbij kan gaan zonder dat Ik hem drink, laat Uw wil dan geschieden.

43En toen Hij bij hen kwam, trof Hij hen opnieuw slapend aan, want hun ogen waren zwaar geworden.

44En Hij liet hen achter, ging nogmaals heen en bad voor de derde keer met dezelfde woorden.

45Toen kwam Hij bij Zijn discipelen en zei tegen hen: Slaap nu maar verder en rust; zie, het uur is nabijgekomen dat de Zoon des mensen overgeleverd wordt in de handen van zondaars.

46Sta op, laten wij gaan; zie, hij die Mij verraadt, is dichtbij.

Jezus geeft Zich gevangen

47

26:47
Mark. 14:43
Luk. 22:47
Joh. 18:3
En terwijl Hij nog sprak, zie, Judas, een van de twaalf, kwam er aan en met hem een grote menigte, met zwaarden en stokken, gestuurd door de overpriesters en oudsten van het volk.

48Hij die Hem verraadde, had met hen een teken afgesproken26:48 had … afgesproken - Letterlijk: had hun een teken gegeven. en gezegd: Degene Die ik kussen zal, Die is het; grijp Hem.

49En hij ging meteen naar Jezus toe en zei: Gegroet, Rabbi! En hij

26:49
2 Sam. 20:9
kuste Hem.

50Maar Jezus zei tegen hem: Vriend, waarvoor bent u hier? Toen kwamen zij dichterbij, sloegen de handen aan Jezus en grepen Hem.

51En zie, een van hen die bij Jezus waren, stak zijn hand uit, trok zijn zwaard, trof de dienaar van de hogepriester en sloeg hem het oor af.

52Toen zei Jezus tegen hem: Doe uw zwaard terug op zijn plaats,

26:52
Gen. 9:6
Openb. 13:10
want allen die naar het zwaard grijpen, zullen door het zwaard omkomen.

53Of denkt u dat Ik Mijn Vader nu niet kan bidden, en Hij zal Mij meer dan twaalf legioenen engelen ter beschikking stellen?

54Hoe zouden anders de

26:54
Ps. 22:7
69:2,10
Luk. 24:25
Schriften vervuld worden, die zeggen dat het zo geschieden moet?

55Op dat moment sprak Jezus tot de menigte: Bent u er met zwaarden en stokken opuit gegaan als tegen een misdadiger om Mij te vangen? Dagelijks zat Ik bij u in de tempel om onderwijs te geven en u hebt Mij niet gegrepen,

56maar dit alles is geschied, opdat de Schriften van de profeten vervuld zouden worden.

26:56
Job 19:13
Ps. 88:9
Toen verlieten al de discipelen Hem en vluchtten.

Voor het Sanhedrin

57

26:57
Mark. 14:53
Luk. 22:54
Joh. 18:12
Zij die Jezus gegrepen hadden, leidden Hem weg naar Kajafas, de hogepriester, waar de schriftgeleerden en oudsten bijeengekomen waren.

58Petrus volgde Hem op een afstand, tot aan het paleis van de hogepriester, en toen hij naar binnen gegaan was, zat hij bij de dienaars om het einde te zien.

59

26:59
Mark. 14:55
Hand. 6:13
De overpriesters en de oudsten en heel de Raad zochten een valse getuigenverklaring tegen Jezus, zodat zij Hem zouden kunnen doden, maar zij vonden niets.

60En hoewel er veel valse getuigen gekomen waren, vonden zij niets.

61Maar ten slotte kwamen er twee valse getuigen, die zeiden: Deze heeft gezegd:

26:61
Joh. 2:19
Ik kan de tempel van God afbreken en hem in drie dagen opbouwen.

62

26:62
Mark. 14:60
En de hogepriester stond op en zei tegen Hem: Antwoordt U niets? Wat getuigen dezen tegen U?

63

26:63
Jes. 53:7
Matt. 27:12,14
Maar Jezus zweeg. En de hogepriester antwoordde Hem: Ik bezweer U bij de levende God, dat U ons zegt of U de Christus bent, de Zoon van God.

64Jezus zei tegen hem: U hebt het gezegd.

26:64
Ps. 110:1
Dan. 7:13
Matt. 16:27
24:30
Mark. 14:62
Luk. 22:69
Hand. 1:11
Rom. 14:10
1 Thess. 4:16
Openb. 1:7
Maar Ik zeg u: Van nu aan zult u de Zoon des mensen zien zitten aan de rechterhand van de kracht van God en zien komen op de wolken van de hemel.

65Toen scheurde de hogepriester zijn kleren en zei: Hij heeft God gelasterd. Waarom hebben wij nog getuigen nodig? Zie, nu hebt u Zijn godslastering gehoord.

66Wat denkt u? En zij antwoordden en zeiden:

26:66
Lev. 24:16
Hij is schuldig en verdient de dood.

67

26:67
Jes. 50:6
Toen spuwden zij in Zijn gezicht en sloegen Hem met vuisten.

68

26:68
Job 16:10
Joh. 19:3
En anderen sloegen Hem in het gezicht en zeiden:
26:68
Luk. 22:64
Profeteer ons, Christus: wie is het die U geslagen heeft?

Jezus door Petrus verloochend

69

26:69
Mark. 14:66
Luk. 22:55
Joh. 18:16,25
Petrus zat buiten op de binnenplaats; een dienstmeisje kwam naar hem toe en zei: Ook u was bij Jezus, de Galileeër.

70Maar hij ontkende het in het bijzijn van allen en zei: Ik weet niet wat u zegt.

71Toen hij naar buiten ging, naar de poort, zag een ander dienstmeisje hem, en die zei tegen hen die daar waren: Hij was ook bij Jezus de Nazarener.

72En hij ontkende het opnieuw, met een eed, en zei: Ik ken de Mens niet.

73Kort daarna zeiden zij die daar stonden en dichterbij kwamen, tegen Petrus: Werkelijk, u bent een van hen, want uw spraak verraadt u.

74Toen begon hij zich te vervloeken en te zweren: Ik ken de Mens niet.

75En meteen kraaide de haan; en Petrus herinnerde zich het woord van Jezus, Die tegen hem gezegd had:

26:75
Vers 34;
Voordat de haan gekraaid zal hebben, zult u Mij driemaal verloochenen. Toen ging hij naar buiten en huilde bitter.