Herziene Statenvertaling (HSV)
22

De koninklijke bruiloft

221En Jezus antwoordde en sprak opnieuw tot hen door gelijkenissen, en zei:

2

22:2
Luk. 14:16
Openb. 19:7
Het Koninkrijk der hemelen is gelijk aan een zeker koning die voor zijn zoon een bruiloft bereid had,

3en hij stuurde zijn dienaren eropuit om de genodigden voor de bruiloft te roepen. Maar zij wilden niet komen.

4Opnieuw stuurde hij dienaren eropuit, andere, en hij zei: Zeg tegen de genodigden: Zie, ik heb mijn middagmaal gereedgemaakt; mijn ossen en de gemeste dieren zijn geslacht, en alle dingen zijn gereed. Kom naar de bruiloft.

5Maar zij sloegen er geen acht op en gingen weg, de één naar zijn akker, de ander naar zijn zaken.

6En de anderen grepen zijn dienaren, behandelden hen smadelijk en doodden hen.

7Toen de koning dat hoorde, werd hij boos. En hij stuurde zijn legers, bracht die moordenaars om en stak hun stad in brand.

8Toen zei hij tegen zijn dienaren: De bruiloft is wel bereid, maar de genodigden waren het niet waard.

9Ga daarom naar de kruispunten van de landwegen en nodig er voor de bruiloft zovelen uit als u er maar zult vinden.

10En die dienaren gingen naar de wegen, verzamelden allen die zij vonden, zowel slechte als goede mensen; en de bruiloftszaal werd gevuld met gasten.22:10 gasten - Letterlijk: aanliggenden; zie ook vers 11.

11Toen de koning naar binnen was gegaan om de gasten te overzien, zag hij daar iemand die niet gekleed was in bruiloftskleding.

12En hij zei tegen hem: Vriend, hoe bent u hier binnengekomen terwijl u geen bruiloftskleding aan hebt? En hij zweeg.

13Toen zei de koning tegen de dienaars: Bind hem aan handen en voeten, neem hem mee en werp hem uit in de buitenste duisternis;

22:13
Matt. 8:12
13:42
24:51
25:30
Luk. 13:28
daar zal gejammer zijn en tandengeknars.

14Want

22:14
Matt. 20:16
velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren.

De belasting aan de keizer

15

22:15
Mark. 12:13
Luk. 20:20
Toen gingen de Farizeeën weg en beraadslaagden hoe zij Hem op Zijn woorden konden vangen.

16En zij stuurden hun discipelen naar Hem toe, met de Herodianen, en zeiden: Meester, wij weten dat U waarachtig bent en de weg van God in waarheid onderwijst en Zich door niemand laat beïnvloeden, want U ziet de persoon van de mensen niet aan.

17Zeg ons dan: Wat denkt U? Is het geoorloofd de keizer belasting te betalen of niet?

18Maar Jezus, die hun boosaardigheid kende, zei:

19Huichelaars, waarom verzoekt u Mij? Toon Mij de belastingmunt. En zij brachten Hem een penning.

20En Hij zei tegen hen: Van wie is deze afbeelding en het opschrift?

21Zij zeiden tegen Hem: Van de keizer. Toen zei Hij tegen hen:

22:21
Matt. 17:25
Rom. 13:7
Geef dan aan de keizer wat van de keizer is, en aan God wat van God is.

22En toen zij dit hoorden, verwonderden zij zich; en zij verlieten Hem en gingen weg.

De Sadduceeën en de opstanding

23

22:23
Mark. 12:18
Luk. 20:27
Hand. 23:8
Op die dag kwamen er Sadduceeën naar Hem toe, die zeggen dat er geen opstanding is, en zij vroegen Hem:

24Meester, Mozes heeft

22:24
Deut. 25:5
gezegd: Als er iemand sterft die geen kinderen heeft, dan moet zijn broer diens vrouw trouwen en voor zijn broer nageslacht verwekken.

25Nu waren er bij ons zeven broers; en de eerste trouwde en stierf; en omdat hij geen nageslacht had, liet hij zijn vrouw na aan zijn broer.

26Zo ook de tweede en de derde, tot de zevende toe.

27Ten slotte stierf na allen ook de vrouw.

28In de opstanding dan, van wie van die zeven zal zij de vrouw zijn? Want zij hebben haar allen als vrouw gehad.

29Maar Jezus antwoordde en zei tegen hen: U dwaalt, omdat u de Schriften niet kent en ook niet de kracht van God.

30Want in de opstanding nemen ze niet ten huwelijk en worden ze niet ten huwelijk gegeven,

22:30
1 Joh. 3:2
maar ze zijn als engelen van God in de hemel.

31En wat de opstanding van de doden betreft, hebt u niet gelezen wat door God tot u gesproken is, toen Hij zei:

32

22:32
Ex. 3:6
Ik ben de God van Abraham en de God van Izak en de God van Jakob? God is niet een God van doden, maar van levenden.

33En toen de menigte dit hoorde,

22:33
Matt. 7:28
stonden ze versteld van Zijn onderricht.

Het grote gebod

34

22:34
Mark. 12:28
Toen de Farizeeën gehoord hadden dat Hij de Sadduceeën de mond gesnoerd had, kwamen zij bijeen.

35

22:35
Luk. 10:25
En een van hen, een wetgeleerde, vroeg om Hem te verzoeken:

36Meester, wat is het grote gebod in de wet?

37Jezus zei tegen hem:

22:37
Deut. 6:5
10:12
30:6
Luk. 10:27
U zult de Heere, uw God, liefhebben met heel uw hart, met heel uw ziel en met heel uw verstand.

38Dit is het eerste en het grote gebod.

39En het tweede, hieraan gelijk, is:

22:39
Lev. 19:18
Mark. 12:31
Rom. 13:9
Gal. 5:14
Efez. 5:2
1 Thess. 4:9
Jak. 2:8
U zult uw naaste liefhebben als uzelf.

40Aan deze twee geboden hangt heel de Wet, en de Profeten.

Christus Davids Zoon en Heere

41

22:41
Mark. 12:35
Luk. 20:41
Toen de Farizeeën bijeenwaren, vroeg Jezus hun:

42Wat denkt u over de Christus? Wiens Zoon is Hij? Zij zeiden tegen Hem: Davids Zoon.

43Hij zei tegen hen: Hoe kan David Hem dan, in de Geest, zijn Heere noemen, als hij zegt:

44

22:44
Ps. 110:1
Hand. 2:34
1 Kor. 15:25
Hebr. 1:13
10:13
De Heere heeft gezegd tegen Mijn Heere: Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden neergelegd heb als een voetbank voor Uw voeten?

45Als David Hem dan zijn Heere noemt, hoe kan Hij dan zijn Zoon zijn?

46En niemand kon Hem een woord antwoorden, en ook durfde niemand Hem vanaf die dag meer iets te vragen.

23

Het wee over de Farizeeën

231Toen sprak Jezus tot de menigte en tot Zijn discipelen:

2

23:2
Neh. 8:5
De schriftgeleerden en de Farizeeën zijn gaan zitten op de stoel van Mozes;

3

23:3
Deut. 17:19
Mal. 2:6
daarom, al wat zij u zeggen dat u in acht moet nemen, neem dat in acht en doe het; maar doe niet overeenkomstig hun werken,
23:3
Rom. 2:19
want zij zeggen het, maar doen het zelf niet.

4

23:4
Jes. 10:1
Luk. 11:46
Hand. 15:10
Want zij binden lasten samen die zwaar zijn en moeilijk om te dragen, en zij leggen ze op de schouders van de mensen; maar zij willen die zelf met geen vinger verroeren.

5Al hun werken doen zij

23:5
Matt. 6:5
om door de mensen gezien te worden, want zij maken
23:5
Deut. 6:8
22:12
hun gebedsriemen breed en de kwastjes aan hun kleren groot.

6

23:6
Mark. 12:38,39
Luk. 11:43
20:46
Zij zijn zeer gesteld op de ereplaatsen tijdens de maaltijden en op de voorste plaatsen in de synagogen;

7zij zijn ook belust op de begroetingen op de markten, en om door de mensen

23:7
Jak. 3:1
‘rabbi, rabbi’ genoemd te worden.

8Maar u mag zich geen rabbi laten noemen, want Eén is uw Meester, namelijk Christus; en u bent allen broeders.

9En u mag niemand op de aarde uw vader noemen,

23:9
Mal. 1:6
want Eén is uw Vader, namelijk Hij Die in de hemelen is.

10En u mag niet meesters genoemd worden, want Eén is uw Meester, namelijk Christus.

11

23:11
Matt. 20:26
Maar de belangrijkste van u zal uw dienaar zijn.

12

23:12
Job 22:29
Spr. 29:23
Luk. 14:11
18:14
Jak. 4:6,10
1 Petr. 5:5
En wie zichzelf zal verhogen, zal vernederd worden; en wie zichzelf zal vernederen, zal verhoogd worden.

13

23:13
Luk. 11:52
Maar wee u, schriftgeleerden en Farizeeën, huichelaars, want u sluit het Koninkrijk der hemelen voor de mensen; u gaat er immers zelf niet binnen, en hen die er binnen willen gaan, laat u er niet binnengaan.

14

23:14
Mark. 12:40
Luk. 20:47
2 Tim. 3:6
Tit. 1:11
Wee u, schriftgeleerden en Farizeeën, huichelaars, want u eet de huizen van de weduwen op, en voor de schijn bidt u lang; daarom zult u een des te zwaarder oordeel ontvangen.

15Wee u, schriftgeleerden en Farizeeën, huichelaars, want u reist zee en land af om één proseliet te maken, en als hij het geworden is, maakt u hem een kind van de hel, dubbel zo erg als u.

16Wee u, blinde leiders, die zegt: Heeft iemand gezworen bij de tempel, dan betekent dat niets; maar heeft iemand gezworen bij het goud van de tempel, dan is hij aan die eed gebonden.

17Dwazen en blinden! Want wat is meer, het goud of de tempel, die het goud heiligt?

18En: heeft iemand gezworen bij het altaar, dan betekent dat niets; maar heeft iemand gezworen bij de gave die daarop ligt, dan is hij aan die eed gebonden.

19Dwazen en blinden! Want wat is meer, de gave of het

23:19
Ex. 29:37
altaar, dat de gave heiligt?

20Wie daarom zweert bij het altaar, die zweert daarbij en bij alles wat daarop ligt;

21

23:21
1 Kon. 8:13
2 Kron. 6:1,2
en wie zweert bij de tempel, die zweert daarbij en bij Hem Die daarin woont;

22

23:22
2 Kron. 6:33
Jes. 66:1
Matt. 5:34
Hand. 7:49
en wie zweert bij de hemel, die zweert bij de troon van God en bij Hem Die daarop zit.

23

23:23
Luk. 11:42
Wee u, schriftgeleerden en Farizeeën, huichelaars, want u geeft tienden van de munt, de dille en de komijn,
23:23
1 Sam. 15:22
Hos. 6:6
Micha 6:8
en u laat het belangrijkste van de Wet na: het recht, en de barmhartigheid en het geloof.
23:23
Matt. 9:13
12:7
Deze dingen zou men moeten doen en die andere dingen niet nalaten.

24Blinde leiders, die de mug uitzift maar de kameel doorslikt.

25

23:25
Luk. 11:39
Wee u, schriftgeleerden en Farizeeën, huichelaars, want u reinigt de buitenkant van de drinkbeker en van de schotel, maar vanbinnen zijn ze vol van roofzucht en onmatigheid.

26Blinde Farizeeër, reinig eerst

23:26
Tit. 1:15
de binnenkant van de drinkbeker en de schotel, zodat ook de buitenkant daarvan rein wordt.

27Wee u, schriftgeleerden en Farizeeën, huichelaars, want u bent als

23:27
Hand. 23:3
de witgepleisterde graven, die vanbuiten wel mooi lijken, maar vanbinnen zijn ze vol doodsbeenderen en allerlei onreinheid.

28Zo lijkt u ook wel vanbuiten rechtvaardig voor de mensen, maar vanbinnen bent u vol huichelarij en wetteloosheid.

29

23:29
Luk. 11:47
Wee u, schriftgeleerden en Farizeeën, huichelaars, want u bouwt de graven voor de profeten en versiert de grafmonumenten van de rechtvaardigen,

30en u zegt: Als wij in de tijd van onze vaderen hadden geleefd, hadden wij niet met hen meegewerkt om het bloed van de profeten te vergieten.

31Aldus getuigt u tegen uzelf,

23:31
Hand. 7:51
1 Thess. 2:15
dat u kinderen bent van hen die de profeten gedood hebben.

32Maakt ook u dan de maat van uw vaderen vol!

33

23:33
Matt. 3:7
Slangen, adderengebroed, hoe zou u aan de veroordeling tot de hel ontkomen?

34

23:34
Luk. 11:49
Daarom zie,
23:34
Matt. 10:16
Luk. 10:3
Joh. 16:2
Hand. 7:52
Ik zend profeten, wijzen en schriftgeleerden naar u toe, en sommigen van hen zult u doden en kruisigen, en sommigen van hen zult
23:34
Matt. 10:17
Hand. 5:40
u geselen in uw synagogen, en u zult hen vervolgen van stad tot stad,

35opdat over u al het rechtvaardige bloed zal komen dat vergoten is op de aarde,

23:35
Gen. 4:8
Hebr. 11:4
vanaf het bloed van de rechtvaardige Abel tot
23:35
2 Kron. 24:21
het bloed van Zacharia, de zoon van Berechja, die u gedood hebt tussen de tempel en het altaar.

36Voorwaar, Ik zeg u: Al deze dingen zullen komen over dit geslacht.

Het oordeel over Jeruzalem

37

23:37
Luk. 13:34
Jeruzalem, Jeruzalem, u die de profeten doodt en
23:37
Matt. 21:35,36
stenigt wie naar u toe gezonden zijn!
23:37
Ps. 17:8
91:4
Hoe vaak heb Ik uw kinderen bijeen willen brengen, op de wijze waarop een hen haar kuikens bijeenbrengt onder haar vleugels; maar u hebt niet gewild!

38

23:38
Ps. 69:26
Jes. 1:7
Jer. 7:34
Micha 3:12
Hand. 1:20
Zie, uw huis wordt als een woestenij voor u achtergelaten.

39Want Ik zeg u: U zult Mij van nu af aan niet zien, totdat u zegt:

23:39
Ps. 118:26
Gezegend is Hij Die komt in de Naam van de Heere!

24

De tekenen van het einde van de wereld

241En

24:1
Mark. 13:1
Luk. 21:5
Jezus ging weg en vertrok uit de tempel; en Zijn discipelen kwamen naar Hem toe om Hem op de gebouwen van de tempel te wijzen.

2Jezus antwoordde en zei tegen hen: Ziet u dit alles? Voorwaar,

24:2
1 Kon. 9:7,8
Micha 3:12
Luk. 19:44
Ik zeg u: hier zal niet één steen op de andere steen gelaten worden die niet afgebroken zal worden.

3

24:3
Mark. 13:1,3
Luk. 21:7
Toen Hij op de Olijfberg zat, gingen de discipelen naar Hem toe toen zij alleen waren, en zeiden:
24:3
Hand. 1:6
Zeg ons, wanneer zullen deze dingen gebeuren? En wat is het teken van Uw komst en van de voleinding van de wereld?

4En Jezus antwoordde en zei tegen hen:

24:4
Jer. 29:8
Efez. 5:6
Kol. 2:18
2 Thess. 2:3
1 Joh. 4:1
Pas op dat niemand u misleidt.

5

24:5
Jer. 14:14
23:25
Joh. 5:43
Want velen zullen komen onder Mijn Naam en zeggen: Ik ben de Christus; en zij zullen velen misleiden.

6U zult horen van oorlogen en geruchten van oorlogen; pas op, word niet verschrikt, want al die dingen moeten gebeuren, maar het is nog niet het einde.

7

24:7
Jes. 19:2
Want het ene volk zal tegen het andere volk opstaan, en het ene koninkrijk tegen het andere koninkrijk; en er zullen hongersnoden zijn en besmettelijke ziekten en aardbevingen in verscheidene plaatsen.

8Maar al die dingen zijn nog maar een begin van de weeën.

9

24:9
Matt. 10:17
Luk. 21:11,12
Joh. 15:20
16:2
Openb. 2:10
Dan zullen zij u overleveren aan verdrukking en u doden, en u zult door alle volken gehaat worden omwille van Mijn Naam.

10En dan zullen er velen struikelen en zij zullen elkaar overleveren en elkaar haten.

11

24:11
2 Petr. 2:1
En er zullen veel valse profeten opstaan en die zullen er velen misleiden.

12En

24:12
2 Tim. 3:1
doordat de wetteloosheid zal toenemen, zal de liefde van velen verkillen.

13

24:13
Matt. 10:22
Mark. 13:13
Luk. 21:19
Openb. 2:7,10
3:10
Maar wie volharden zal tot het einde, die zal zalig worden.

14En dit Evangelie van het Koninkrijk zal in heel de wereld gepredikt worden tot een getuigenis voor alle volken; en dan zal het einde komen.

De grote verdrukking

15

24:15
Mark. 13:14
Luk. 21:20
Wanneer u dan de gruwel van de verwoesting, waarover gesproken is door
24:15
Dan. 9:27
de profeet Daniël, zult zien staan op de heilige plaats – laat hij die het leest, daarop letten! –

16laten dan zij die in Judea zijn, vluchten naar de bergen.

17Wie op het dak is, moet niet naar beneden gaan om iets uit zijn huis te halen,

18en wie op de akker is, moet niet terugkeren naar wat hij achterliet om zijn kleren te halen.

19Maar wee de zwangeren en de zogenden in die dagen!

20En bid dat uw vlucht niet zal plaatsvinden in de winter en ook niet

24:20
Hand. 1:12
op een sabbat.

21

24:21
Dan. 12:1
Want dan zal er een grote verdrukking zijn, zoals er niet geweest is vanaf het begin van de wereld, tot nu toe, en zoals er ook nooit meer zijn zal.

22En als die dagen niet ingekort werden, zou er geen vlees behouden worden; maar ter wille van de uitverkorenen zullen die dagen ingekort worden.

De wederkomst van Christus

23Als iemand dan tegen u zegt: Zie,

24:23
Mark. 13:21
Luk. 21:8
hier is de Christus of daar, geloof het niet;

24

24:24
Deut. 13:1
2 Thess. 2:11
want er zullen valse christussen en valse profeten opstaan en zij zullen grote tekenen en wonderen doen, zó dat zij – als het mogelijk zou zijn – ook de uitverkorenen zouden misleiden.

25Zie, Ik heb het u van tevoren gezegd!

26

24:26
Luk. 17:23
Als men dan tegen u zal zeggen: Zie, Hij is in de woestijn; ga er niet opuit; zie, Hij is in de binnenkamers, geloof het niet,

27want zoals de bliksem vanuit het oosten komt en zichtbaar is tot in het westen, zo zal ook de komst van de Zoon des mensen zijn.

28

24:28
Job 39:33
Luk. 17:37
Want waar het dode lichaam is, daar zullen de gieren zich verzamelen.

29En

24:29
Jes. 13:10
Ezech. 32:7
Joël 2:31
3:15
Mark. 13:24
Luk. 21:25
meteen na de verdrukking van die dagen zal de zon verduisterd worden en de maan zal zijn schijnsel niet geven en de sterren zullen van de hemel vallen en de krachten van de hemelen zullen heftig bewogen worden.

30

24:30
Dan. 7:10
Matt. 16:27
25:31
26:64
Mark. 13:26
14:62
Luk. 21:27
Hand. 1:11
2 Thess. 1:10
Openb. 1:7
En dan zal aan de hemel het teken van de Zoon des mensen verschijnen; en dan zullen al de stammen van de aarde
24:30
Openb. 1:7
rouw bedrijven en zij zullen de Zoon des mensen zien, als Hij op de wolken van de hemel komt met grote kracht en heerlijkheid.

31En Hij zal Zijn engelen uitzenden onder

24:31
1 Kor. 15:52
1 Thess. 4:16
luid bazuingeschal, en zij zullen Zijn uitverkorenen bijeenbrengen uit de vier windstreken, van het ene uiterste van de hemelen tot het andere uiterste ervan.

De uitspruitende vijgenboom

32

24:32
Mark. 13:28
Luk. 21:29
Leer van de vijgenboom deze gelijkenis: wanneer zijn tak al zacht wordt en de bladeren uitspruiten, dan weet u dat de zomer nabij is.

33Zo ook u, wanneer u al deze dingen zult zien, weet dan dat het nabij is, voor de deur.

34Voorwaar, Ik zeg u: Dit geslacht zal zeker niet voorbijgaan, totdat al deze dingen gebeurd zijn.

35

24:35
Ps. 102:27
Jes. 51:6
Mark. 13:31
Hebr. 1:11
De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar Mijn woorden zullen zeker niet voorbijgaan.

Aansporing tot waakzaamheid

36

24:36
Mark. 13:32
Hand. 1:7
Maar die dag en dat uur is aan niemand bekend, ook aan de engelen in de hemel niet, maar alleen aan Mijn Vader.

37

24:37
Gen. 6:2
Luk. 17:26
1 Petr. 3:20
2 Petr. 2:5
Zoals de dagen van Noach waren, zo zal ook de komst van de Zoon des mensen zijn.

38Want zoals ze bezig waren in de dagen voor de zondvloed met eten, drinken, trouwen en ten huwelijk geven,

24:38
Gen. 7:7
tot op de dag waarop Noach de ark binnenging,

39en het niet merkten, totdat de zondvloed kwam en hen allen wegnam, zo zal ook de komst van de Zoon des mensen zijn.

40

24:40
Luk. 17:34
1 Thess. 4:17
Dan zullen er twee op de akker zijn; de één zal aangenomen en de ander zal achtergelaten worden.

41Er zullen twee vrouwen malen met de molen; de één zal aangenomen en de ander zal achtergelaten worden.

42

24:42
Matt. 25:13
Mark. 13:33
Luk. 12:40
21:36
Wees dan waakzaam, want u weet niet op welk moment uw Heere komen zal.

43

24:43
Luk. 12:39
1 Thess. 5:2
2 Petr. 3:10
Openb. 3:3
16:15
Maar weet dit, dat als de heer des huizes geweten had in welke nachtwake de dief komen zou, hij waakzaam geweest zou zijn, en niet in zijn huis zou hebben laten inbreken.

44Weest ook u daarom bereid, want op een uur waarop u het niet zou denken, zal de Zoon des mensen komen.

45

24:45
Matt. 25:21
Luk. 12:42
Wie is dan de trouwe en verstandige dienaar, die zijn heer over zijn personeel aangesteld heeft om hun het voedsel op de juiste tijd te geven?

46Zalig die dienaar die door zijn heer bij zijn komst zo handelend aangetroffen zal worden.

47Voorwaar, Ik zeg u dat hij hem over al zijn bezittingen zal aanstellen.

48Maar als die slechte dienaar in zijn hart zou zeggen: Mijn heer blijft nog lang weg,

49en zou beginnen zijn mededienaren te slaan en te eten en te drinken met de dronkaards,

50dan zal de heer van deze dienaar komen op een dag waarop hij hem niet verwacht en op een uur dat hij niet weet;

51en hij zal hem in stukken houwen en hem doen delen in het lot van de huichelaars;24:51 en hem doen delen in het lot van … - Letterlijk: en zijn deel zetten met …

24:51
Matt. 8:12
13:42
22:13
25:30
Luk. 13:28
daar zal gejammer zijn en tandengeknars.