Herziene Statenvertaling (HSV)
21

De intocht in Jeruzalem

211En

21:1
Mark. 11:1
Luk. 19:29
toen zij Jeruzalem naderden en in Bethfagé bij de Olijfberg gekomen waren, zond Jezus twee discipelen uit en zei tegen hen:

2Ga het dorp in dat voor u ligt, en u zult meteen een ezelin vinden die vastgebonden is, en een veulen bij haar; maak ze los en breng ze bij Mij.

3En als iemand iets tegen u zegt, moet u zeggen dat de Heere ze nodig heeft, en hij zal ze meteen sturen.

4Dit alles is gebeurd opdat vervuld zou worden wat gesproken is door de profeet, toen hij zei:

5

21:5
Jes. 62:11
Zach. 9:9
Joh. 12:15
Zeg tegen de dochter van Sion: Zie, uw Koning komt tot u, zachtmoedig en gezeten op een ezelin en een veulen dat een jong van een jukdragende ezelin is.

6En de discipelen gingen heen en deden zoals Jezus hun bevolen had;

7zij brachten de ezelin en het veulen,

21:7
2 Kon. 9:13
en zij legden hun kleren erop en
21:7
Joh. 12:14
zetten Hem daarop.

8En het grootste deel van de menigte spreidde hun kleren uit op de weg en anderen hakten takken van de bomen en spreidden ze uit op de weg.

9De menigte die vooropliep en die volgde, riep: Hosanna, de Zoon van David!

21:9
Ps. 118:25,26
Gezegend Hij Die komt in de Naam van de Heere! Hosanna, in de hoogste hemelen!

10Toen Hij Jeruzalem binnenkwam, raakte heel de stad in opschudding en men zei: Wie is Dat?

11De menigte zei: Dat is Jezus, de Profeet uit Nazareth in Galilea.

De tempelreiniging

12

21:12
Deut. 14:26
Mark. 11:15
Luk. 19:45
Joh. 2:14
En Jezus ging de tempel van God binnen en dreef allen die in de tempel verkochten en kochten naar buiten, en keerde de tafels van de wisselaars om en de stoelen van hen die de duiven verkochten.

13En Hij zei tegen hen: Er is geschreven:

21:13
1 Kon. 8:29
Jes. 56:7
Jer. 7:11
Luk. 19:46
Mijn huis zal een huis van gebed genoemd worden; maar u hebt er een rovershol van gemaakt.

14En er kwamen blinden en kreupelen bij Hem in de tempel en Hij genas hen.

15

21:15
Mark. 11:27
Toen de overpriesters en schriftgeleerden de wonderen zagen die Hij deed, en de kinderen die in de tempel riepen: Hosanna, de Zoon van David! namen zij Hem dat zeer kwalijk,

16en zeiden tegen Hem: Hoort U wel wat deze kinderen zeggen? Jezus zei tegen hen: Ja. Hebt u nooit gelezen:

21:16
Ps. 8:3
Uit de mond van jonge kinderen en van zuigelingen hebt U voor Uzelf lof tot stand gebracht?

17En Hij verliet hen en ging vandaar de stad uit naar Bethanië en overnachtte daar.

De verdorde vijgenboom

18

21:18
Mark. 11:12,20
's Morgens vroeg, toen Hij terugkeerde naar de stad, kreeg Hij honger.

19En toen Hij een vijgenboom langs de weg zag, ging Hij ernaartoe en vond er niets aan dan alleen bladeren. Hij zei tegen hem: Laat er aan u geen vrucht meer groeien in eeuwigheid! En de vijgenboom verdorde onmiddellijk.

20Toen de discipelen dat zagen, verwonderden zij zich en zeiden: Hoe is de vijgenboom zo ineens verdord?

21Maar Jezus antwoordde en zei tegen hen: Voorwaar, Ik zeg u:

21:21
Matt. 17:20
Luk. 17:6
Als u geloof had en niet twijfelde, zou u niet alleen doen wat er met de vijgenboom is gedaan, maar zelfs als u tegen deze berg zou zeggen: Word opgeheven en in de zee geworpen, dan zou het gebeuren.

22

21:22
Matt. 7:7
Mark. 11:24
Luk. 11:9
Joh. 14:13
16:24
Jak. 1:5
1 Joh. 3:22
En alles wat u in het gebed vraagt, in geloof, zult u ontvangen.

De vraag naar Jezus' bevoegdheid

23

21:23
Mark. 11:27
Luk. 20:1
En toen Hij in de tempel gekomen was, kwamen de overpriesters en de oudsten van het volk naar Hem toe, terwijl Hij onderwijs gaf, en zeiden:
21:23
Ex. 2:14
Hand. 4:7
7:27
Met welke bevoegdheid doet U deze dingen? En wie heeft U deze bevoegdheid gegeven?

24Jezus antwoordde en zei tegen hen: Ik zal u ook één ding vragen; als u Mij dat zegt, zal Ik u ook zeggen met welke bevoegdheid Ik deze dingen doe.

25De doop van Johannes, vanwaar was die, uit de hemel of uit de mensen? En zij overlegden met elkaar, en zeiden: Als wij zeggen: Uit de hemel, dan zal Hij tegen ons zeggen: Waarom hebt u hem dan niet geloofd?

26Maar als wij zeggen: Uit de mensen, dan zijn wij bevreesd voor de menigte,

21:26
Matt. 14:5
Mark. 6:20
want zij houden allen Johannes voor een profeet.

27En zij antwoordden Jezus en zeiden: Wij weten het niet. Hij zei tegen hen: Dan zeg Ik u ook niet met wat voor bevoegdheid Ik dit doe.

De twee zonen

28Maar wat denkt u? Iemand had twee zonen, en hij ging naar de eerste en zei: Zoon, ga vandaag in mijn wijngaard werken.

29Maar hij antwoordde en zei: Ik wil niet. Later kreeg hij berouw en ging erheen.

30En hij ging naar de tweede en zei hetzelfde, en deze antwoordde en zei:

21:30
Ezech. 33:31
Ik ga, heer! Maar hij ging niet.

31Wie van deze twee heeft de wil van de vader gedaan? Zij zeiden tegen Hem: De eerste. Jezus zei tegen hen: Voorwaar, Ik zeg u dat de tollenaars en de hoeren u voorgaan in het Koninkrijk van God.

32

21:32
Matt. 3:1
Want Johannes is bij u gekomen in de weg van de gerechtigheid, en u hebt hem niet geloofd; maar de tollenaars en de hoeren hebben hem geloofd; en hoewel u dat zag, hebt u later geen berouw gehad zodat ook u hem geloofde.

De slechte landbouwers

33Luister naar een andere gelijkenis.

21:33
Ps. 80:9
Jes. 5:1
Jer. 2:21
12:10
Mark. 12:1
Luk. 20:9
Er was iemand, een heer des huizes, die een wijngaard plantte. Hij zette er een omheining omheen, groef er een wijnpersbak in uit en bouwde een toren. En hij verhuurde hem aan landbouwers en ging naar het buitenland.

34Toen de tijd van de vruchten naderde, stuurde hij zijn dienaren naar de landbouwers om zijn vruchten te ontvangen.

35En de landbouwers namen zijn dienaren, sloegen de één, doodden een ander, en

21:35
2 Kron. 24:21
stenigden een derde.

36Nogmaals stuurde hij andere dienaren, meer in aantal dan de eerste, en zij deden met hen hetzelfde.

37Ten slotte stuurde hij zijn zoon naar hen toe en zei: Voor mijn zoon zullen zij ontzag hebben.

38Maar toen de landbouwers de zoon zagen, zeiden zij onder elkaar:

21:38
Ps. 2:8
Hebr. 1:2
Dit is de erfgenaam.
21:38
Gen. 37:18
Ps. 2:1
Matt. 26:3
27:1
Joh. 11:53
Kom, laten we hem doden en zijn erfenis voor onszelf houden.

39Toen ze hem gegrepen hadden, wierpen zij hem buiten de wijngaard en doodden hem.

40Wanneer dan de heer van de wijngaard komen zal, wat zal hij met die landbouwers doen?

41Zij zeiden tegen Hem: Hij zal die kwaaddoeners een kwade dood doen sterven en zal de wijngaard aan andere landbouwers verhuren, die hem de vruchten op hun tijd zullen geven.

42Jezus zei tegen hen: Hebt u nooit gelezen in de Schriften:

21:42
Ps. 118:22
Jes. 8:14
28:16
Mark. 12:10
Luk. 20:17
Hand. 4:11
Rom. 9:33
1 Petr. 2:6
De steen die de bouwers verworpen hadden, die is tot een hoeksteen geworden; dit is door de Heere geschied, en het is wonderlijk in onze ogen?

43Daarom zeg Ik u

21:43
Ex. 32:10
Matt. 8:12
dat het Koninkrijk van God van u weggenomen zal worden en
21:43
Jes. 55:5
aan een volk gegeven dat de vruchten ervan voortbrengt.

44

21:44
Jes. 8:15
Zach. 12:3
Luk. 20:18
En wie op deze steen valt, zal verpletterd worden; en
21:44
Dan. 2:34
op wie hij valt, die zal hij vermorzelen.

45

21:45
Luk. 20:19
En toen de overpriesters en Farizeeën deze gelijkenissen van Hem hoorden, begrepen zij dat Hij over hen sprak.

46En zij probeerden Hem te grijpen, maar zij waren bevreesd voor de menigten, omdat die Hem

21:46
Luk. 7:16
Joh. 7:40
voor een profeet hielden.

22

De koninklijke bruiloft

221En Jezus antwoordde en sprak opnieuw tot hen door gelijkenissen, en zei:

2

22:2
Luk. 14:16
Openb. 19:7
Het Koninkrijk der hemelen is gelijk aan een zeker koning die voor zijn zoon een bruiloft bereid had,

3en hij stuurde zijn dienaren eropuit om de genodigden voor de bruiloft te roepen. Maar zij wilden niet komen.

4Opnieuw stuurde hij dienaren eropuit, andere, en hij zei: Zeg tegen de genodigden: Zie, ik heb mijn middagmaal gereedgemaakt; mijn ossen en de gemeste dieren zijn geslacht, en alle dingen zijn gereed. Kom naar de bruiloft.

5Maar zij sloegen er geen acht op en gingen weg, de één naar zijn akker, de ander naar zijn zaken.

6En de anderen grepen zijn dienaren, behandelden hen smadelijk en doodden hen.

7Toen de koning dat hoorde, werd hij boos. En hij stuurde zijn legers, bracht die moordenaars om en stak hun stad in brand.

8Toen zei hij tegen zijn dienaren: De bruiloft is wel bereid, maar de genodigden waren het niet waard.

9Ga daarom naar de kruispunten van de landwegen en nodig er voor de bruiloft zovelen uit als u er maar zult vinden.

10En die dienaren gingen naar de wegen, verzamelden allen die zij vonden, zowel slechte als goede mensen; en de bruiloftszaal werd gevuld met gasten.22:10 gasten - Letterlijk: aanliggenden; zie ook vers 11.

11Toen de koning naar binnen was gegaan om de gasten te overzien, zag hij daar iemand die niet gekleed was in bruiloftskleding.

12En hij zei tegen hem: Vriend, hoe bent u hier binnengekomen terwijl u geen bruiloftskleding aan hebt? En hij zweeg.

13Toen zei de koning tegen de dienaars: Bind hem aan handen en voeten, neem hem mee en werp hem uit in de buitenste duisternis;

22:13
Matt. 8:12
13:42
24:51
25:30
Luk. 13:28
daar zal gejammer zijn en tandengeknars.

14Want

22:14
Matt. 20:16
velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren.

De belasting aan de keizer

15

22:15
Mark. 12:13
Luk. 20:20
Toen gingen de Farizeeën weg en beraadslaagden hoe zij Hem op Zijn woorden konden vangen.

16En zij stuurden hun discipelen naar Hem toe, met de Herodianen, en zeiden: Meester, wij weten dat U waarachtig bent en de weg van God in waarheid onderwijst en Zich door niemand laat beïnvloeden, want U ziet de persoon van de mensen niet aan.

17Zeg ons dan: Wat denkt U? Is het geoorloofd de keizer belasting te betalen of niet?

18Maar Jezus, die hun boosaardigheid kende, zei:

19Huichelaars, waarom verzoekt u Mij? Toon Mij de belastingmunt. En zij brachten Hem een penning.

20En Hij zei tegen hen: Van wie is deze afbeelding en het opschrift?

21Zij zeiden tegen Hem: Van de keizer. Toen zei Hij tegen hen:

22:21
Matt. 17:25
Rom. 13:7
Geef dan aan de keizer wat van de keizer is, en aan God wat van God is.

22En toen zij dit hoorden, verwonderden zij zich; en zij verlieten Hem en gingen weg.

De Sadduceeën en de opstanding

23

22:23
Mark. 12:18
Luk. 20:27
Hand. 23:8
Op die dag kwamen er Sadduceeën naar Hem toe, die zeggen dat er geen opstanding is, en zij vroegen Hem:

24Meester, Mozes heeft

22:24
Deut. 25:5
gezegd: Als er iemand sterft die geen kinderen heeft, dan moet zijn broer diens vrouw trouwen en voor zijn broer nageslacht verwekken.

25Nu waren er bij ons zeven broers; en de eerste trouwde en stierf; en omdat hij geen nageslacht had, liet hij zijn vrouw na aan zijn broer.

26Zo ook de tweede en de derde, tot de zevende toe.

27Ten slotte stierf na allen ook de vrouw.

28In de opstanding dan, van wie van die zeven zal zij de vrouw zijn? Want zij hebben haar allen als vrouw gehad.

29Maar Jezus antwoordde en zei tegen hen: U dwaalt, omdat u de Schriften niet kent en ook niet de kracht van God.

30Want in de opstanding nemen ze niet ten huwelijk en worden ze niet ten huwelijk gegeven,

22:30
1 Joh. 3:2
maar ze zijn als engelen van God in de hemel.

31En wat de opstanding van de doden betreft, hebt u niet gelezen wat door God tot u gesproken is, toen Hij zei:

32

22:32
Ex. 3:6
Ik ben de God van Abraham en de God van Izak en de God van Jakob? God is niet een God van doden, maar van levenden.

33En toen de menigte dit hoorde,

22:33
Matt. 7:28
stonden ze versteld van Zijn onderricht.

Het grote gebod

34

22:34
Mark. 12:28
Toen de Farizeeën gehoord hadden dat Hij de Sadduceeën de mond gesnoerd had, kwamen zij bijeen.

35

22:35
Luk. 10:25
En een van hen, een wetgeleerde, vroeg om Hem te verzoeken:

36Meester, wat is het grote gebod in de wet?

37Jezus zei tegen hem:

22:37
Deut. 6:5
10:12
30:6
Luk. 10:27
U zult de Heere, uw God, liefhebben met heel uw hart, met heel uw ziel en met heel uw verstand.

38Dit is het eerste en het grote gebod.

39En het tweede, hieraan gelijk, is:

22:39
Lev. 19:18
Mark. 12:31
Rom. 13:9
Gal. 5:14
Efez. 5:2
1 Thess. 4:9
Jak. 2:8
U zult uw naaste liefhebben als uzelf.

40Aan deze twee geboden hangt heel de Wet, en de Profeten.

Christus Davids Zoon en Heere

41

22:41
Mark. 12:35
Luk. 20:41
Toen de Farizeeën bijeenwaren, vroeg Jezus hun:

42Wat denkt u over de Christus? Wiens Zoon is Hij? Zij zeiden tegen Hem: Davids Zoon.

43Hij zei tegen hen: Hoe kan David Hem dan, in de Geest, zijn Heere noemen, als hij zegt:

44

22:44
Ps. 110:1
Hand. 2:34
1 Kor. 15:25
Hebr. 1:13
10:13
De Heere heeft gezegd tegen Mijn Heere: Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden neergelegd heb als een voetbank voor Uw voeten?

45Als David Hem dan zijn Heere noemt, hoe kan Hij dan zijn Zoon zijn?

46En niemand kon Hem een woord antwoorden, en ook durfde niemand Hem vanaf die dag meer iets te vragen.

23

Het wee over de Farizeeën

231Toen sprak Jezus tot de menigte en tot Zijn discipelen:

2

23:2
Neh. 8:5
De schriftgeleerden en de Farizeeën zijn gaan zitten op de stoel van Mozes;

3

23:3
Deut. 17:19
Mal. 2:6
daarom, al wat zij u zeggen dat u in acht moet nemen, neem dat in acht en doe het; maar doe niet overeenkomstig hun werken,
23:3
Rom. 2:19
want zij zeggen het, maar doen het zelf niet.

4

23:4
Jes. 10:1
Luk. 11:46
Hand. 15:10
Want zij binden lasten samen die zwaar zijn en moeilijk om te dragen, en zij leggen ze op de schouders van de mensen; maar zij willen die zelf met geen vinger verroeren.

5Al hun werken doen zij

23:5
Matt. 6:5
om door de mensen gezien te worden, want zij maken
23:5
Deut. 6:8
22:12
hun gebedsriemen breed en de kwastjes aan hun kleren groot.

6

23:6
Mark. 12:38,39
Luk. 11:43
20:46
Zij zijn zeer gesteld op de ereplaatsen tijdens de maaltijden en op de voorste plaatsen in de synagogen;

7zij zijn ook belust op de begroetingen op de markten, en om door de mensen

23:7
Jak. 3:1
‘rabbi, rabbi’ genoemd te worden.

8Maar u mag zich geen rabbi laten noemen, want Eén is uw Meester, namelijk Christus; en u bent allen broeders.

9En u mag niemand op de aarde uw vader noemen,

23:9
Mal. 1:6
want Eén is uw Vader, namelijk Hij Die in de hemelen is.

10En u mag niet meesters genoemd worden, want Eén is uw Meester, namelijk Christus.

11

23:11
Matt. 20:26
Maar de belangrijkste van u zal uw dienaar zijn.

12

23:12
Job 22:29
Spr. 29:23
Luk. 14:11
18:14
Jak. 4:6,10
1 Petr. 5:5
En wie zichzelf zal verhogen, zal vernederd worden; en wie zichzelf zal vernederen, zal verhoogd worden.

13

23:13
Luk. 11:52
Maar wee u, schriftgeleerden en Farizeeën, huichelaars, want u sluit het Koninkrijk der hemelen voor de mensen; u gaat er immers zelf niet binnen, en hen die er binnen willen gaan, laat u er niet binnengaan.

14

23:14
Mark. 12:40
Luk. 20:47
2 Tim. 3:6
Tit. 1:11
Wee u, schriftgeleerden en Farizeeën, huichelaars, want u eet de huizen van de weduwen op, en voor de schijn bidt u lang; daarom zult u een des te zwaarder oordeel ontvangen.

15Wee u, schriftgeleerden en Farizeeën, huichelaars, want u reist zee en land af om één proseliet te maken, en als hij het geworden is, maakt u hem een kind van de hel, dubbel zo erg als u.

16Wee u, blinde leiders, die zegt: Heeft iemand gezworen bij de tempel, dan betekent dat niets; maar heeft iemand gezworen bij het goud van de tempel, dan is hij aan die eed gebonden.

17Dwazen en blinden! Want wat is meer, het goud of de tempel, die het goud heiligt?

18En: heeft iemand gezworen bij het altaar, dan betekent dat niets; maar heeft iemand gezworen bij de gave die daarop ligt, dan is hij aan die eed gebonden.

19Dwazen en blinden! Want wat is meer, de gave of het

23:19
Ex. 29:37
altaar, dat de gave heiligt?

20Wie daarom zweert bij het altaar, die zweert daarbij en bij alles wat daarop ligt;

21

23:21
1 Kon. 8:13
2 Kron. 6:1,2
en wie zweert bij de tempel, die zweert daarbij en bij Hem Die daarin woont;

22

23:22
2 Kron. 6:33
Jes. 66:1
Matt. 5:34
Hand. 7:49
en wie zweert bij de hemel, die zweert bij de troon van God en bij Hem Die daarop zit.

23

23:23
Luk. 11:42
Wee u, schriftgeleerden en Farizeeën, huichelaars, want u geeft tienden van de munt, de dille en de komijn,
23:23
1 Sam. 15:22
Hos. 6:6
Micha 6:8
en u laat het belangrijkste van de Wet na: het recht, en de barmhartigheid en het geloof.
23:23
Matt. 9:13
12:7
Deze dingen zou men moeten doen en die andere dingen niet nalaten.

24Blinde leiders, die de mug uitzift maar de kameel doorslikt.

25

23:25
Luk. 11:39
Wee u, schriftgeleerden en Farizeeën, huichelaars, want u reinigt de buitenkant van de drinkbeker en van de schotel, maar vanbinnen zijn ze vol van roofzucht en onmatigheid.

26Blinde Farizeeër, reinig eerst

23:26
Tit. 1:15
de binnenkant van de drinkbeker en de schotel, zodat ook de buitenkant daarvan rein wordt.

27Wee u, schriftgeleerden en Farizeeën, huichelaars, want u bent als

23:27
Hand. 23:3
de witgepleisterde graven, die vanbuiten wel mooi lijken, maar vanbinnen zijn ze vol doodsbeenderen en allerlei onreinheid.

28Zo lijkt u ook wel vanbuiten rechtvaardig voor de mensen, maar vanbinnen bent u vol huichelarij en wetteloosheid.

29

23:29
Luk. 11:47
Wee u, schriftgeleerden en Farizeeën, huichelaars, want u bouwt de graven voor de profeten en versiert de grafmonumenten van de rechtvaardigen,

30en u zegt: Als wij in de tijd van onze vaderen hadden geleefd, hadden wij niet met hen meegewerkt om het bloed van de profeten te vergieten.

31Aldus getuigt u tegen uzelf,

23:31
Hand. 7:51
1 Thess. 2:15
dat u kinderen bent van hen die de profeten gedood hebben.

32Maakt ook u dan de maat van uw vaderen vol!

33

23:33
Matt. 3:7
Slangen, adderengebroed, hoe zou u aan de veroordeling tot de hel ontkomen?

34

23:34
Luk. 11:49
Daarom zie,
23:34
Matt. 10:16
Luk. 10:3
Joh. 16:2
Hand. 7:52
Ik zend profeten, wijzen en schriftgeleerden naar u toe, en sommigen van hen zult u doden en kruisigen, en sommigen van hen zult
23:34
Matt. 10:17
Hand. 5:40
u geselen in uw synagogen, en u zult hen vervolgen van stad tot stad,

35opdat over u al het rechtvaardige bloed zal komen dat vergoten is op de aarde,

23:35
Gen. 4:8
Hebr. 11:4
vanaf het bloed van de rechtvaardige Abel tot
23:35
2 Kron. 24:21
het bloed van Zacharia, de zoon van Berechja, die u gedood hebt tussen de tempel en het altaar.

36Voorwaar, Ik zeg u: Al deze dingen zullen komen over dit geslacht.

Het oordeel over Jeruzalem

37

23:37
Luk. 13:34
Jeruzalem, Jeruzalem, u die de profeten doodt en
23:37
Matt. 21:35,36
stenigt wie naar u toe gezonden zijn!
23:37
Ps. 17:8
91:4
Hoe vaak heb Ik uw kinderen bijeen willen brengen, op de wijze waarop een hen haar kuikens bijeenbrengt onder haar vleugels; maar u hebt niet gewild!

38

23:38
Ps. 69:26
Jes. 1:7
Jer. 7:34
Micha 3:12
Hand. 1:20
Zie, uw huis wordt als een woestenij voor u achtergelaten.

39Want Ik zeg u: U zult Mij van nu af aan niet zien, totdat u zegt:

23:39
Ps. 118:26
Gezegend is Hij Die komt in de Naam van de Heere!

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]