Herziene Statenvertaling (HSV)
19

De heiligheid van het huwelijk

191En

19:1
Mark. 10:1
het gebeurde, toen Jezus deze woorden geëindigd had, dat Hij uit Galilea vertrok en over de Jordaan naar het gebied van Judea ging.

2En een grote menigte volgde Hem, en Hij genas hen daar.

3

19:3
Mark. 10:2
En de Farizeeën kwamen naar Hem toe om Hem te verzoeken en zeiden tegen Hem: Is het een man toegestaan zijn vrouw om allerlei redenen te verstoten?

4En Hij antwoordde en zei tegen hen: Hebt u niet gelezen dat Hij Die de mens gemaakt heeft, hen

19:4
Gen. 1:27
van het begin af mannelijk en vrouwelijk gemaakt heeft,

5

19:5
Gen. 2:24
Efez. 5:31
en gezegd heeft: Daarom zal een man zijn vader en moeder verlaten en zich aan zijn vrouw hechten, en
19:5
1 Kor. 6:16
die twee zullen tot één vlees zijn,

6zodat zij niet meer twee zijn, maar één vlees? Dus,

19:6
1 Kor. 7:10
wat God samengevoegd heeft, laat de mens dat niet scheiden.

7Zij zeiden tegen Hem:

19:7
Deut. 24:1
Jer. 3:1
Waarom heeft Mozes dan geboden een echtscheidingsbrief te geven en haar te verstoten?

8Hij zei tegen hen: Mozes heeft vanwege de hardheid van uw hart u toegestaan uw vrouw te verstoten; maar van het begin af is het zo niet geweest.

9

19:9
Matt. 5:32
Mark. 10:11
Luk. 16:18
1 Kor. 7:10
Maar Ik zeg u: Wie zijn vrouw verstoot anders dan om hoererij en met een ander trouwt, die pleegt overspel, en wie met de verstotene trouwt, pleegt ook overspel.

10Zijn discipelen zeiden tegen Hem: Als de zaak van de man met de vrouw er zo voor staat, is het beter niet te trouwen.

11Maar Hij zei tegen hen:

19:11
1 Kor. 7:7,17
Niet allen vatten dit woord, maar alleen zij aan wie het gegeven is.

12Want er zijn ontmanden die uit de moederschoot zo geboren zijn; en er zijn ontmanden die door de mensen ontmand zijn; en er zijn ontmanden die zichzelf ontmand hebben om het Koninkrijk der hemelen. Wie dit vatten kan, laat die het vatten.

Jezus zegent de kinderen

13

19:13
Mark. 10:13
Luk. 18:15
Toen werden kinderen bij Hem gebracht, opdat Hij de handen op hen zou leggen en zou bidden; maar de discipelen bestraften hen.

14Maar Jezus zei:

19:14
Matt. 18:3
1 Kor. 14:20
1 Petr. 2:2
Laat de kinderen begaan en verhinder hen niet bij Mij te komen, want voor zodanigen is het Koninkrijk der hemelen.

15En nadat Hij de handen op hen gelegd had, vertrok Hij vandaar.

De rijke jongeman

16

19:16
Mark. 10:17
Luk. 18:18
En zie, er kwam iemand naar Hem toe en die zei tegen Hem: Goede Meester, wat voor goeds moet ik doen om het eeuwige leven te hebben?

17Hij zei tegen hem: Waarom noemt u Mij goed? Niemand is goed behalve Eén, namelijk God. Maar wilt u tot het leven ingaan, neem dan de geboden in acht.

18Hij zei tegen Hem: Welke? Jezus zei:

19:18
Ex. 20:12
Deut. 5:17
Rom. 13:9
U zult niet doden; u zult geen overspel plegen; u zult niet stelen; u zult geen vals getuigenis afleggen;

19eer uw vader en moeder; en:

19:19
Lev. 19:17
Matt. 22:39
Mark. 12:31
Gal. 5:14
Jak. 2:8
u zult uw naaste liefhebben als uzelf.

20De jongeman zei tegen Hem: Al deze dingen heb ik in acht genomen van mijn jeugd af; wat ontbreekt mij nog?

21Jezus zei tegen hem: Als u volmaakt wilt zijn,

19:21
Luk. 12:33
16:9
ga dan heen, verkoop wat u hebt,
19:21
Matt. 6:19
1 Tim. 6:19
en geef het aan de armen, en u zult een schat hebben in de hemel; en kom dan en volg Mij.

22Toen de jongeman dit woord gehoord had, ging hij bedroefd weg, want hij had veel bezittingen.

23Jezus zei tegen Zijn discipelen: Voorwaar, Ik zeg u

19:23
Spr. 11:28
Mark. 10:23
Luk. 18:24
dat een rijke moeilijk het Koninkrijk der hemelen kan binnengaan.

24Nogmaals zeg Ik u: Het is gemakkelijker dat een kameel door het oog van een naald gaat, dan dat een rijke het Koninkrijk van God binnengaat.

25Toen Zijn discipelen dit hoorden, stonden zij versteld en zeiden: Wie kan dan zalig worden?

26Maar Jezus keek hen aan en zei tegen hen: Bij de mensen is dat onmogelijk,

19:26
Job 42:2
Jer. 32:17
Zach. 8:6
Luk. 1:37
18:27
maar bij God zijn alle dingen mogelijk.

27

19:27
Matt. 4:20
Mark. 10:28
Luk. 5:11
18:28
Toen antwoordde Petrus en zei tegen Hem: Zie, wij hebben alles verlaten en zijn U gevolgd; wat zal dan ons deel zijn?

28En Jezus zei tegen hen: Voorwaar, Ik zeg u dat u die Mij gevolgd bent, in de wedergeboorte, als de Zoon des mensen zal zitten op de troon van Zijn heerlijkheid,

19:28
Luk. 22:30
ook zult zitten op twaalf tronen en de twaalf stammen van Israël zult oordelen.

29

19:29
Deut. 33:9
En al wie huizen of broers of zusters of vader of moeder of vrouw of kinderen of akkers zal verlaten hebben omwille van Mijn Naam,
19:29
Job 42:12
die zal honderdvoudig ontvangen en het eeuwige leven beërven.

30

19:30
Mark. 10:31
Luk. 13:30
Maar veel eersten zullen de laatsten zijn, en veel laatsten de eersten.

20

De arbeiders in de wijngaard

201Want het Koninkrijk der hemelen is als een heer des huizes, die 's morgens vroeg eropuit ging om arbeiders voor zijn wijngaard in te huren.

2Nadat hij het met de arbeiders eens geworden was voor een penning20:2 penning - Letterlijk: denarie, dat is het dagloon van een arbeider; zie ook de verzen 9, 10, en 13. per dag, stuurde hij hen zijn wijngaard in.

3En toen hij omstreeks het derde uur eropuit ging, zag hij anderen werkloos op de markt staan.

4Ook tegen hen zei hij: Gaat u ook naar de wijngaard, en ik zal u geven wat rechtvaardig is. En zij gingen.

5Toen hij nogmaals eropuit gegaan was, omstreeks het zesde en het negende uur, deed hij hetzelfde.

6En toen hij omstreeks het elfde uur eropuit ging, vond hij weer anderen werkloos staan en hij zei tegen hen: Waarom staat u hier heel de dag werkloos?

7Zij zeiden tegen hem: Omdat niemand ons ingehuurd heeft. Hij zei tegen hen: Gaat u ook naar de wijngaard en u zult ontvangen wat rechtvaardig is.

8Toen het avond geworden was, zei de heer van de wijngaard tegen zijn rentmeester: Roep de arbeiders en geef hun het loon, te beginnen bij de laatsten, tot de eersten.

9En toen zij kwamen die omstreeks het elfde uur ingehuurd waren, ontvingen zij ieder een penning.

10En toen de eersten kwamen, dachten zij dat zij meer ontvangen zouden; maar ook zij ontvingen ieder een penning.

11Toen zij die ontvangen hadden, morden zij tegen de heer des huizes

12en zeiden: Deze laatsten hebben maar één uur gewerkt, en u hebt ze gelijkgesteld met ons, die de last van de dag en de hitte verdragen hebben.

13Maar hij antwoordde en zei tegen een van hen: Vriend, ik doe u geen onrecht; bent u het niet met mij eens geworden over een penning?

14Neem wat van u is, en vertrek. Ik wil aan hem die het laatst kwam, hetzelfde geven als aan u.

15

20:15
Rom. 9:21
Of is het mij niet geoorloofd met het mijne te doen wat ik wil? Of bent u afgunstig20:15 bent u afgunstig - Letterlijk: is uw oog boos. omdat ik goed ben?

16

20:16
Matt. 19:30
Mark. 10:31
Luk. 13:30
Zo zullen de laatsten de eersten zijn, en de eersten de laatsten;
20:16
Matt. 22:14
want velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren.

Derde aankondiging van het lijden

17

20:17
Mark. 10:32
Luk. 18:31
24:7
En toen Jezus naar Jeruzalem ging, nam Hij de twaalf discipelen onderweg apart bij Zich en zei tegen hen:

18Zie, wij gaan naar Jeruzalem en de Zoon des mensen zal aan de overpriesters en schriftgeleerden overgeleverd worden, en zij zullen Hem ter dood veroordelen;

19

20:19
Matt. 27:2
Luk. 23:1
Joh. 18:28,31
Hand. 3:23
en zij zullen Hem aan de heidenen overleveren om Hem te bespotten en te geselen en te kruisigen; maar op de derde dag zal Hij opgewekt worden.

De zonen van Zebedeüs

20

20:20
Mark. 10:35
Toen kwam de moeder van de zonen van Zebedeüs met haar zonen naar Hem toe. Zij knielde voor Hem neer om Hem iets te vragen.

21Hij zei tegen haar: Wat wilt u? Zij zei tegen Hem: Zeg dat deze twee zonen van mij mogen zitten, de één aan Uw rechter- en de ander aan Uw linkerhand in Uw Koninkrijk.

22Maar Jezus antwoordde en zei:

20:22
Rom. 8:26
U weet niet wat u vraagt; kunt u de drinkbeker drinken die Ik drinken zal, en met de doop gedoopt worden
20:22
Luk. 12:50
waarmee Ik gedoopt word? Zij zeiden tegen Hem: Dat kunnen wij.

23En Hij zei tegen hen: Mijn drinkbeker zult u wel drinken, en met de doop waarmee Ik gedoopt word, zult u gedoopt worden; maar het zitten aan Mijn rechter- en aan Mijn linkerhand is niet aan Mij om te geven, maar het zal gegeven worden aan hen voor wie het bestemd is

20:23
Matt. 25:34
door Mijn Vader.

24En toen de andere tien dit hoorden, namen zij het de twee broers zeer kwalijk.

25En toen Jezus hen bij Zich geroepen had, zei Hij:

20:25
Mark. 10:42
Luk. 22:25
U weet dat de leiders van de volken heerschappij over hen voeren, en de groten macht over hen uitoefenen.

26

20:26
1 Petr. 5:3
Maar zo zal het onder u niet zijn; maar wie onder u groot wil worden, die moet uw dienaar zijn;

27

20:27
Matt. 23:11
Mark. 9:35
10:43
en wie onder u de eerste wil zijn, die moet uw dienaar zijn,

28

20:28
Luk. 22:27
Joh. 13:14
Filipp. 2:7
zoals ook de Zoon des mensen niet gekomen is om gediend te worden, maar om te dienen, en
20:28
Efez. 1:7
1 Tim. 2:6
1 Petr. 1:19
Zijn ziel te geven tot een losprijs voor velen.

De blinden van Jericho

29

20:29
Mark. 10:46
Luk. 18:35
En toen zij Jericho uit gingen, volgde een grote menigte Hem.

30En zie, twee blinden, die aan de weg zaten, riepen, toen zij hoorden dat Jezus voorbijging: Heere, Zoon van David, ontferm U over ons!

31De menigte bestrafte hen, opdat zij zouden zwijgen; maar zij riepen des te meer: Ontferm U over ons, Heere, Zoon van David!

32En Jezus stond stil, riep hen en zei: Wat wilt u dat Ik voor u doen zal?

33Zij zeiden tegen Hem: Heere, dat onze ogen geopend worden.

34En Jezus, Die innerlijk met ontferming bewogen was, raakte hun ogen aan; en meteen werden hun ogen ziende, en zij volgden Hem.

21

De intocht in Jeruzalem

211En

21:1
Mark. 11:1
Luk. 19:29
toen zij Jeruzalem naderden en in Bethfagé bij de Olijfberg gekomen waren, zond Jezus twee discipelen uit en zei tegen hen:

2Ga het dorp in dat voor u ligt, en u zult meteen een ezelin vinden die vastgebonden is, en een veulen bij haar; maak ze los en breng ze bij Mij.

3En als iemand iets tegen u zegt, moet u zeggen dat de Heere ze nodig heeft, en hij zal ze meteen sturen.

4Dit alles is gebeurd opdat vervuld zou worden wat gesproken is door de profeet, toen hij zei:

5

21:5
Jes. 62:11
Zach. 9:9
Joh. 12:15
Zeg tegen de dochter van Sion: Zie, uw Koning komt tot u, zachtmoedig en gezeten op een ezelin en een veulen dat een jong van een jukdragende ezelin is.

6En de discipelen gingen heen en deden zoals Jezus hun bevolen had;

7zij brachten de ezelin en het veulen,

21:7
2 Kon. 9:13
en zij legden hun kleren erop en
21:7
Joh. 12:14
zetten Hem daarop.

8En het grootste deel van de menigte spreidde hun kleren uit op de weg en anderen hakten takken van de bomen en spreidden ze uit op de weg.

9De menigte die vooropliep en die volgde, riep: Hosanna, de Zoon van David!

21:9
Ps. 118:25,26
Gezegend Hij Die komt in de Naam van de Heere! Hosanna, in de hoogste hemelen!

10Toen Hij Jeruzalem binnenkwam, raakte heel de stad in opschudding en men zei: Wie is Dat?

11De menigte zei: Dat is Jezus, de Profeet uit Nazareth in Galilea.

De tempelreiniging

12

21:12
Deut. 14:26
Mark. 11:15
Luk. 19:45
Joh. 2:14
En Jezus ging de tempel van God binnen en dreef allen die in de tempel verkochten en kochten naar buiten, en keerde de tafels van de wisselaars om en de stoelen van hen die de duiven verkochten.

13En Hij zei tegen hen: Er is geschreven:

21:13
1 Kon. 8:29
Jes. 56:7
Jer. 7:11
Luk. 19:46
Mijn huis zal een huis van gebed genoemd worden; maar u hebt er een rovershol van gemaakt.

14En er kwamen blinden en kreupelen bij Hem in de tempel en Hij genas hen.

15

21:15
Mark. 11:27
Toen de overpriesters en schriftgeleerden de wonderen zagen die Hij deed, en de kinderen die in de tempel riepen: Hosanna, de Zoon van David! namen zij Hem dat zeer kwalijk,

16en zeiden tegen Hem: Hoort U wel wat deze kinderen zeggen? Jezus zei tegen hen: Ja. Hebt u nooit gelezen:

21:16
Ps. 8:3
Uit de mond van jonge kinderen en van zuigelingen hebt U voor Uzelf lof tot stand gebracht?

17En Hij verliet hen en ging vandaar de stad uit naar Bethanië en overnachtte daar.

De verdorde vijgenboom

18

21:18
Mark. 11:12,20
's Morgens vroeg, toen Hij terugkeerde naar de stad, kreeg Hij honger.

19En toen Hij een vijgenboom langs de weg zag, ging Hij ernaartoe en vond er niets aan dan alleen bladeren. Hij zei tegen hem: Laat er aan u geen vrucht meer groeien in eeuwigheid! En de vijgenboom verdorde onmiddellijk.

20Toen de discipelen dat zagen, verwonderden zij zich en zeiden: Hoe is de vijgenboom zo ineens verdord?

21Maar Jezus antwoordde en zei tegen hen: Voorwaar, Ik zeg u:

21:21
Matt. 17:20
Luk. 17:6
Als u geloof had en niet twijfelde, zou u niet alleen doen wat er met de vijgenboom is gedaan, maar zelfs als u tegen deze berg zou zeggen: Word opgeheven en in de zee geworpen, dan zou het gebeuren.

22

21:22
Matt. 7:7
Mark. 11:24
Luk. 11:9
Joh. 14:13
16:24
Jak. 1:5
1 Joh. 3:22
En alles wat u in het gebed vraagt, in geloof, zult u ontvangen.

De vraag naar Jezus' bevoegdheid

23

21:23
Mark. 11:27
Luk. 20:1
En toen Hij in de tempel gekomen was, kwamen de overpriesters en de oudsten van het volk naar Hem toe, terwijl Hij onderwijs gaf, en zeiden:
21:23
Ex. 2:14
Hand. 4:7
7:27
Met welke bevoegdheid doet U deze dingen? En wie heeft U deze bevoegdheid gegeven?

24Jezus antwoordde en zei tegen hen: Ik zal u ook één ding vragen; als u Mij dat zegt, zal Ik u ook zeggen met welke bevoegdheid Ik deze dingen doe.

25De doop van Johannes, vanwaar was die, uit de hemel of uit de mensen? En zij overlegden met elkaar, en zeiden: Als wij zeggen: Uit de hemel, dan zal Hij tegen ons zeggen: Waarom hebt u hem dan niet geloofd?

26Maar als wij zeggen: Uit de mensen, dan zijn wij bevreesd voor de menigte,

21:26
Matt. 14:5
Mark. 6:20
want zij houden allen Johannes voor een profeet.

27En zij antwoordden Jezus en zeiden: Wij weten het niet. Hij zei tegen hen: Dan zeg Ik u ook niet met wat voor bevoegdheid Ik dit doe.

De twee zonen

28Maar wat denkt u? Iemand had twee zonen, en hij ging naar de eerste en zei: Zoon, ga vandaag in mijn wijngaard werken.

29Maar hij antwoordde en zei: Ik wil niet. Later kreeg hij berouw en ging erheen.

30En hij ging naar de tweede en zei hetzelfde, en deze antwoordde en zei:

21:30
Ezech. 33:31
Ik ga, heer! Maar hij ging niet.

31Wie van deze twee heeft de wil van de vader gedaan? Zij zeiden tegen Hem: De eerste. Jezus zei tegen hen: Voorwaar, Ik zeg u dat de tollenaars en de hoeren u voorgaan in het Koninkrijk van God.

32

21:32
Matt. 3:1
Want Johannes is bij u gekomen in de weg van de gerechtigheid, en u hebt hem niet geloofd; maar de tollenaars en de hoeren hebben hem geloofd; en hoewel u dat zag, hebt u later geen berouw gehad zodat ook u hem geloofde.

De slechte landbouwers

33Luister naar een andere gelijkenis.

21:33
Ps. 80:9
Jes. 5:1
Jer. 2:21
12:10
Mark. 12:1
Luk. 20:9
Er was iemand, een heer des huizes, die een wijngaard plantte. Hij zette er een omheining omheen, groef er een wijnpersbak in uit en bouwde een toren. En hij verhuurde hem aan landbouwers en ging naar het buitenland.

34Toen de tijd van de vruchten naderde, stuurde hij zijn dienaren naar de landbouwers om zijn vruchten te ontvangen.

35En de landbouwers namen zijn dienaren, sloegen de één, doodden een ander, en

21:35
2 Kron. 24:21
stenigden een derde.

36Nogmaals stuurde hij andere dienaren, meer in aantal dan de eerste, en zij deden met hen hetzelfde.

37Ten slotte stuurde hij zijn zoon naar hen toe en zei: Voor mijn zoon zullen zij ontzag hebben.

38Maar toen de landbouwers de zoon zagen, zeiden zij onder elkaar:

21:38
Ps. 2:8
Hebr. 1:2
Dit is de erfgenaam.
21:38
Gen. 37:18
Ps. 2:1
Matt. 26:3
27:1
Joh. 11:53
Kom, laten we hem doden en zijn erfenis voor onszelf houden.

39Toen ze hem gegrepen hadden, wierpen zij hem buiten de wijngaard en doodden hem.

40Wanneer dan de heer van de wijngaard komen zal, wat zal hij met die landbouwers doen?

41Zij zeiden tegen Hem: Hij zal die kwaaddoeners een kwade dood doen sterven en zal de wijngaard aan andere landbouwers verhuren, die hem de vruchten op hun tijd zullen geven.

42Jezus zei tegen hen: Hebt u nooit gelezen in de Schriften:

21:42
Ps. 118:22
Jes. 8:14
28:16
Mark. 12:10
Luk. 20:17
Hand. 4:11
Rom. 9:33
1 Petr. 2:6
De steen die de bouwers verworpen hadden, die is tot een hoeksteen geworden; dit is door de Heere geschied, en het is wonderlijk in onze ogen?

43Daarom zeg Ik u

21:43
Ex. 32:10
Matt. 8:12
dat het Koninkrijk van God van u weggenomen zal worden en
21:43
Jes. 55:5
aan een volk gegeven dat de vruchten ervan voortbrengt.

44

21:44
Jes. 8:15
Zach. 12:3
Luk. 20:18
En wie op deze steen valt, zal verpletterd worden; en
21:44
Dan. 2:34
op wie hij valt, die zal hij vermorzelen.

45

21:45
Luk. 20:19
En toen de overpriesters en Farizeeën deze gelijkenissen van Hem hoorden, begrepen zij dat Hij over hen sprak.

46En zij probeerden Hem te grijpen, maar zij waren bevreesd voor de menigten, omdat die Hem

21:46
Luk. 7:16
Joh. 7:40
voor een profeet hielden.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]