Herziene Statenvertaling (HSV)
18

Waarschuwing tegen eerzucht

181Op

18:1
Mark. 9:34
Luk. 9:46
22:24
dat moment kwamen de discipelen bij Jezus en zeiden: Wie is toch de belangrijkste in het Koninkrijk der hemelen?

2En Jezus riep een kind bij Zich en zette dat in hun midden.

3En Hij zei: Voorwaar, Ik zeg u:

18:3
Matt. 19:14
1 Kor. 14:20
1 Petr. 2:2
Als u zich niet verandert en wordt als de kinderen, zult u het Koninkrijk der hemelen beslist niet binnengaan.

4

18:4
1 Petr. 5:6
Wie zich dan zal vernederen als dit kind, die is de belangrijkste in het Koninkrijk der hemelen.

5

18:5
Mark. 9:37
Luk. 9:48
Joh. 13:20
En wie zo'n kind ontvangt in Mijn Naam, die ontvangt Mij.

Waarschuwing tegen struikelblokken

6

18:6
Mark. 9:42
Luk. 17:2
Maar wie een van deze kleinen, die in Mij geloven, doet struikelen, het zou beter voor hem geweest zijn dat een molensteen aan zijn hals gehangen was en hij in de diepte van de zee gezonken was.

7Wee de wereld vanwege al haar struikelblokken,

18:7
1 Kor. 11:19
want het is noodzakelijk dat er struikelblokken komen;
18:7
Matt. 26:24
Hand. 2:23
4:27,28
maar wee die mens door wie zo'n struikelblok er komt!

8

18:8
Deut. 13:6
Matt. 5:29,30
Mark. 9:43
Als dan uw hand of uw voet u doet struikelen, hak hem af en werp hem van u. Het is beter voor u kreupel of verminkt tot het leven in te gaan, dan met twee handen of twee voeten in het eeuwige vuur geworpen te worden.

9Als uw oog u doet struikelen, ruk het uit en werp het van u. Het is beter voor u met één oog tot het leven in te gaan, dan met twee ogen in het helse vuur18:9 het helse vuur - Letterlijk: de hel van het vuur. geworpen te worden.

Het verloren schaap

10Pas op dat u niet een van deze kleinen veracht. Want Ik zeg u

18:10
Ps. 34:8
dat hun engelen in de hemelen altijd het aangezicht zien van Mijn Vader, Die in de hemelen is.

11

18:11
Luk. 19:10
Want de Zoon des mensen is gekomen om zalig te maken wat verloren is.

12

18:12
Luk. 15:3
Wat denkt u: als iemand honderd schapen heeft, en een daarvan afgedwaald is, zal hij niet de negenennegentig andere achterlaten en in de bergen het afgedwaalde gaan zoeken?

13En als het gebeurt dat hij het vindt, voorwaar, Ik zeg u dat hij zich daarover meer verblijdt dan over de negenennegentig die niet afgedwaald waren.

14Zo is het ook niet de wil van uw Vader, Die in de hemelen is, dat een van deze kleinen verloren gaat.

De kerkelijke tucht

15

18:15
Lev. 19:17
Spr. 17:10
Luk. 17:3
Jak. 5:19
Maar als uw broeder tegen u gezondigd heeft, ga naar hem toe en wijs hem terecht tussen u en hem alleen; als hij naar u luistert, hebt u uw broeder gewonnen.

16Maar als hij niet naar u luistert, neem er dan nog een of twee met u mee,

18:16
Num. 35:30
Deut. 17:6
19:15
Joh. 8:17
2 Kor. 13:1
Hebr. 10:28
opdat in de mond van twee of drie getuigen elk woord vaststaat.

17Als hij niet naar hen luistert,

18:17
2 Thess. 3:14
zeg het dan tegen de gemeente. En als hij ook niet naar de gemeente luistert,
18:17
1 Kor. 5:9
2 Thess. 3:14
laat hij dan voor u als de heiden en de tollenaar zijn.

18

18:18
Matt. 16:19
Joh. 20:23
Voorwaar, Ik zeg u: Alles wat u op de aarde bindt, zal in de hemel gebonden zijn; en alles wat u op de aarde ontbindt, zal in de hemel ontbonden zijn.

19Verder zeg Ik u dat, als twee van u op de aarde iets, wat dan ook, eenstemmig verlangen, het hun ten deel zal vallen van Mijn Vader, Die in de hemelen is.

20

18:20
Luk. 24:15,36
Want waar twee of drie in Mijn Naam bijeengekomen zijn, daar ben Ik in hun midden.

De onbarmhartige knecht

21Toen kwam Petrus naar Hem toe en zei: Heere, hoeveel keer zal mijn broeder tegen mij zondigen en ik hem vergeven?

18:21
Luk. 17:4
Tot zevenmaal toe?

22Jezus zei tegen hem: Ik zeg u: niet tot zevenmaal, maar

18:22
Matt. 6:14
Mark. 11:25
Kol. 3:13
tot zeventig maal zevenmaal.

23Daarom kan het Koninkrijk der hemelen vergeleken worden met een zeker koning die afrekening wilde houden met zijn dienaren.

24Toen hij begon af te rekenen, werd er iemand bij hem gebracht die hem tienduizend talenten schuldig was.

25

18:25
Matt. 5:25
En toen hij niet kon betalen, gaf zijn heer opdracht dat men hem zou verkopen, én zijn vrouw en kinderen en alles wat hij had, en dat de schuld betaald moest worden.

26De dienaar dan knielde voor hem neer en zei: Heer, heb geduld met mij en ik zal u alles betalen.

27En de heer van deze dienaar was innerlijk met ontferming bewogen, liet hem gaan en schold hem de schuld kwijt.

28Maar deze dienaar ging naar buiten en trof een van zijn mededienaren aan, die hem honderd penningen18:28 penningen - Letterlijk: denarie, dat is het dagloon van een arbeider. schuldig was. Hij pakte hem beet, greep hem bij de keel en zei: Betaal mij wat u schuldig bent.

29Zijn mededienaar dan liet zich voor hem neervallen en smeekte hem: Heb geduld met mij en ik zal u alles betalen.

30Hij wilde echter niet, maar ging heen en wierp hem in de gevangenis, totdat hij de schuld betaald zou hebben.

31Toen zijn mededienaren zagen wat er gebeurd was, werden zij erg bedroefd; zij gingen naar hun heer en vertelden hem alles wat er gebeurd was.

32Toen riep zijn heer hem bij zich en zei tegen hem: Slechte dienaar, al die schuld heb ik u kwijtgescholden, omdat u mij dat smeekte.

33Had ook u geen medelijden moeten hebben met uw mededienaar, zoals ik ook medelijden met u had?

34En zijn heer, boos als hij was, gaf hem aan de pijnigers over, totdat hij alles wat hij hem schuldig was, betaald zou hebben.

35

18:35
Matt. 6:14
Mark. 11:26
Jak. 2:13
Zo zal ook Mijn hemelse Vader met u doen, als niet ieder van u van harte de misdaden van zijn broeder vergeeft.

19

De heiligheid van het huwelijk

191En

19:1
Mark. 10:1
het gebeurde, toen Jezus deze woorden geëindigd had, dat Hij uit Galilea vertrok en over de Jordaan naar het gebied van Judea ging.

2En een grote menigte volgde Hem, en Hij genas hen daar.

3

19:3
Mark. 10:2
En de Farizeeën kwamen naar Hem toe om Hem te verzoeken en zeiden tegen Hem: Is het een man toegestaan zijn vrouw om allerlei redenen te verstoten?

4En Hij antwoordde en zei tegen hen: Hebt u niet gelezen dat Hij Die de mens gemaakt heeft, hen

19:4
Gen. 1:27
van het begin af mannelijk en vrouwelijk gemaakt heeft,

5

19:5
Gen. 2:24
Efez. 5:31
en gezegd heeft: Daarom zal een man zijn vader en moeder verlaten en zich aan zijn vrouw hechten, en
19:5
1 Kor. 6:16
die twee zullen tot één vlees zijn,

6zodat zij niet meer twee zijn, maar één vlees? Dus,

19:6
1 Kor. 7:10
wat God samengevoegd heeft, laat de mens dat niet scheiden.

7Zij zeiden tegen Hem:

19:7
Deut. 24:1
Jer. 3:1
Waarom heeft Mozes dan geboden een echtscheidingsbrief te geven en haar te verstoten?

8Hij zei tegen hen: Mozes heeft vanwege de hardheid van uw hart u toegestaan uw vrouw te verstoten; maar van het begin af is het zo niet geweest.

9

19:9
Matt. 5:32
Mark. 10:11
Luk. 16:18
1 Kor. 7:10
Maar Ik zeg u: Wie zijn vrouw verstoot anders dan om hoererij en met een ander trouwt, die pleegt overspel, en wie met de verstotene trouwt, pleegt ook overspel.

10Zijn discipelen zeiden tegen Hem: Als de zaak van de man met de vrouw er zo voor staat, is het beter niet te trouwen.

11Maar Hij zei tegen hen:

19:11
1 Kor. 7:7,17
Niet allen vatten dit woord, maar alleen zij aan wie het gegeven is.

12Want er zijn ontmanden die uit de moederschoot zo geboren zijn; en er zijn ontmanden die door de mensen ontmand zijn; en er zijn ontmanden die zichzelf ontmand hebben om het Koninkrijk der hemelen. Wie dit vatten kan, laat die het vatten.

Jezus zegent de kinderen

13

19:13
Mark. 10:13
Luk. 18:15
Toen werden kinderen bij Hem gebracht, opdat Hij de handen op hen zou leggen en zou bidden; maar de discipelen bestraften hen.

14Maar Jezus zei:

19:14
Matt. 18:3
1 Kor. 14:20
1 Petr. 2:2
Laat de kinderen begaan en verhinder hen niet bij Mij te komen, want voor zodanigen is het Koninkrijk der hemelen.

15En nadat Hij de handen op hen gelegd had, vertrok Hij vandaar.

De rijke jongeman

16

19:16
Mark. 10:17
Luk. 18:18
En zie, er kwam iemand naar Hem toe en die zei tegen Hem: Goede Meester, wat voor goeds moet ik doen om het eeuwige leven te hebben?

17Hij zei tegen hem: Waarom noemt u Mij goed? Niemand is goed behalve Eén, namelijk God. Maar wilt u tot het leven ingaan, neem dan de geboden in acht.

18Hij zei tegen Hem: Welke? Jezus zei:

19:18
Ex. 20:12
Deut. 5:17
Rom. 13:9
U zult niet doden; u zult geen overspel plegen; u zult niet stelen; u zult geen vals getuigenis afleggen;

19eer uw vader en moeder; en:

19:19
Lev. 19:17
Matt. 22:39
Mark. 12:31
Gal. 5:14
Jak. 2:8
u zult uw naaste liefhebben als uzelf.

20De jongeman zei tegen Hem: Al deze dingen heb ik in acht genomen van mijn jeugd af; wat ontbreekt mij nog?

21Jezus zei tegen hem: Als u volmaakt wilt zijn,

19:21
Luk. 12:33
16:9
ga dan heen, verkoop wat u hebt,
19:21
Matt. 6:19
1 Tim. 6:19
en geef het aan de armen, en u zult een schat hebben in de hemel; en kom dan en volg Mij.

22Toen de jongeman dit woord gehoord had, ging hij bedroefd weg, want hij had veel bezittingen.

23Jezus zei tegen Zijn discipelen: Voorwaar, Ik zeg u

19:23
Spr. 11:28
Mark. 10:23
Luk. 18:24
dat een rijke moeilijk het Koninkrijk der hemelen kan binnengaan.

24Nogmaals zeg Ik u: Het is gemakkelijker dat een kameel door het oog van een naald gaat, dan dat een rijke het Koninkrijk van God binnengaat.

25Toen Zijn discipelen dit hoorden, stonden zij versteld en zeiden: Wie kan dan zalig worden?

26Maar Jezus keek hen aan en zei tegen hen: Bij de mensen is dat onmogelijk,

19:26
Job 42:2
Jer. 32:17
Zach. 8:6
Luk. 1:37
18:27
maar bij God zijn alle dingen mogelijk.

27

19:27
Matt. 4:20
Mark. 10:28
Luk. 5:11
18:28
Toen antwoordde Petrus en zei tegen Hem: Zie, wij hebben alles verlaten en zijn U gevolgd; wat zal dan ons deel zijn?

28En Jezus zei tegen hen: Voorwaar, Ik zeg u dat u die Mij gevolgd bent, in de wedergeboorte, als de Zoon des mensen zal zitten op de troon van Zijn heerlijkheid,

19:28
Luk. 22:30
ook zult zitten op twaalf tronen en de twaalf stammen van Israël zult oordelen.

29

19:29
Deut. 33:9
En al wie huizen of broers of zusters of vader of moeder of vrouw of kinderen of akkers zal verlaten hebben omwille van Mijn Naam,
19:29
Job 42:12
die zal honderdvoudig ontvangen en het eeuwige leven beërven.

30

19:30
Mark. 10:31
Luk. 13:30
Maar veel eersten zullen de laatsten zijn, en veel laatsten de eersten.

20

De arbeiders in de wijngaard

201Want het Koninkrijk der hemelen is als een heer des huizes, die 's morgens vroeg eropuit ging om arbeiders voor zijn wijngaard in te huren.

2Nadat hij het met de arbeiders eens geworden was voor een penning20:2 penning - Letterlijk: denarie, dat is het dagloon van een arbeider; zie ook de verzen 9, 10, en 13. per dag, stuurde hij hen zijn wijngaard in.

3En toen hij omstreeks het derde uur eropuit ging, zag hij anderen werkloos op de markt staan.

4Ook tegen hen zei hij: Gaat u ook naar de wijngaard, en ik zal u geven wat rechtvaardig is. En zij gingen.

5Toen hij nogmaals eropuit gegaan was, omstreeks het zesde en het negende uur, deed hij hetzelfde.

6En toen hij omstreeks het elfde uur eropuit ging, vond hij weer anderen werkloos staan en hij zei tegen hen: Waarom staat u hier heel de dag werkloos?

7Zij zeiden tegen hem: Omdat niemand ons ingehuurd heeft. Hij zei tegen hen: Gaat u ook naar de wijngaard en u zult ontvangen wat rechtvaardig is.

8Toen het avond geworden was, zei de heer van de wijngaard tegen zijn rentmeester: Roep de arbeiders en geef hun het loon, te beginnen bij de laatsten, tot de eersten.

9En toen zij kwamen die omstreeks het elfde uur ingehuurd waren, ontvingen zij ieder een penning.

10En toen de eersten kwamen, dachten zij dat zij meer ontvangen zouden; maar ook zij ontvingen ieder een penning.

11Toen zij die ontvangen hadden, morden zij tegen de heer des huizes

12en zeiden: Deze laatsten hebben maar één uur gewerkt, en u hebt ze gelijkgesteld met ons, die de last van de dag en de hitte verdragen hebben.

13Maar hij antwoordde en zei tegen een van hen: Vriend, ik doe u geen onrecht; bent u het niet met mij eens geworden over een penning?

14Neem wat van u is, en vertrek. Ik wil aan hem die het laatst kwam, hetzelfde geven als aan u.

15

20:15
Rom. 9:21
Of is het mij niet geoorloofd met het mijne te doen wat ik wil? Of bent u afgunstig20:15 bent u afgunstig - Letterlijk: is uw oog boos. omdat ik goed ben?

16

20:16
Matt. 19:30
Mark. 10:31
Luk. 13:30
Zo zullen de laatsten de eersten zijn, en de eersten de laatsten;
20:16
Matt. 22:14
want velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren.

Derde aankondiging van het lijden

17

20:17
Mark. 10:32
Luk. 18:31
24:7
En toen Jezus naar Jeruzalem ging, nam Hij de twaalf discipelen onderweg apart bij Zich en zei tegen hen:

18Zie, wij gaan naar Jeruzalem en de Zoon des mensen zal aan de overpriesters en schriftgeleerden overgeleverd worden, en zij zullen Hem ter dood veroordelen;

19

20:19
Matt. 27:2
Luk. 23:1
Joh. 18:28,31
Hand. 3:23
en zij zullen Hem aan de heidenen overleveren om Hem te bespotten en te geselen en te kruisigen; maar op de derde dag zal Hij opgewekt worden.

De zonen van Zebedeüs

20

20:20
Mark. 10:35
Toen kwam de moeder van de zonen van Zebedeüs met haar zonen naar Hem toe. Zij knielde voor Hem neer om Hem iets te vragen.

21Hij zei tegen haar: Wat wilt u? Zij zei tegen Hem: Zeg dat deze twee zonen van mij mogen zitten, de één aan Uw rechter- en de ander aan Uw linkerhand in Uw Koninkrijk.

22Maar Jezus antwoordde en zei:

20:22
Rom. 8:26
U weet niet wat u vraagt; kunt u de drinkbeker drinken die Ik drinken zal, en met de doop gedoopt worden
20:22
Luk. 12:50
waarmee Ik gedoopt word? Zij zeiden tegen Hem: Dat kunnen wij.

23En Hij zei tegen hen: Mijn drinkbeker zult u wel drinken, en met de doop waarmee Ik gedoopt word, zult u gedoopt worden; maar het zitten aan Mijn rechter- en aan Mijn linkerhand is niet aan Mij om te geven, maar het zal gegeven worden aan hen voor wie het bestemd is

20:23
Matt. 25:34
door Mijn Vader.

24En toen de andere tien dit hoorden, namen zij het de twee broers zeer kwalijk.

25En toen Jezus hen bij Zich geroepen had, zei Hij:

20:25
Mark. 10:42
Luk. 22:25
U weet dat de leiders van de volken heerschappij over hen voeren, en de groten macht over hen uitoefenen.

26

20:26
1 Petr. 5:3
Maar zo zal het onder u niet zijn; maar wie onder u groot wil worden, die moet uw dienaar zijn;

27

20:27
Matt. 23:11
Mark. 9:35
10:43
en wie onder u de eerste wil zijn, die moet uw dienaar zijn,

28

20:28
Luk. 22:27
Joh. 13:14
Filipp. 2:7
zoals ook de Zoon des mensen niet gekomen is om gediend te worden, maar om te dienen, en
20:28
Efez. 1:7
1 Tim. 2:6
1 Petr. 1:19
Zijn ziel te geven tot een losprijs voor velen.

De blinden van Jericho

29

20:29
Mark. 10:46
Luk. 18:35
En toen zij Jericho uit gingen, volgde een grote menigte Hem.

30En zie, twee blinden, die aan de weg zaten, riepen, toen zij hoorden dat Jezus voorbijging: Heere, Zoon van David, ontferm U over ons!

31De menigte bestrafte hen, opdat zij zouden zwijgen; maar zij riepen des te meer: Ontferm U over ons, Heere, Zoon van David!

32En Jezus stond stil, riep hen en zei: Wat wilt u dat Ik voor u doen zal?

33Zij zeiden tegen Hem: Heere, dat onze ogen geopend worden.

34En Jezus, Die innerlijk met ontferming bewogen was, raakte hun ogen aan; en meteen werden hun ogen ziende, en zij volgden Hem.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]