Herziene Statenvertaling (HSV)
14

De dood van Johannes de Doper

141In

14:1
Mark. 6:14
Luk. 9:7
die tijd hoorde Herodes, de viervorst, het gerucht over Jezus,

2en hij zei tegen zijn knechten: Dat is Johannes de Doper; hij is opgewekt uit de doden, en daarom zijn die krachten werkzaam in hem.

3

14:3
Mark. 6:17
Luk. 3:19
Herodes had Johannes immers gevangengenomen, hem geboeid en in de gevangenis gezet, vanwege Herodias, de vrouw van zijn broer Filippus,

4want Johannes had tegen hem gezegd:

14:4
Lev. 18:16
Het is u niet geoorloofd haar te hebben.

5En hij wilde hem doden, maar hij was bevreesd voor de menigte,

14:5
Matt. 21:26
omdat zij hem voor een profeet hielden.

6Maar toen

14:6
Gen. 40:20
Mark. 6:21
de verjaardag van Herodes gevierd werd, danste de dochter van Herodias in hun midden, en zij behaagde Herodes.

7

14:7
Richt. 11:30
Daarom beloofde hij haar met een eed dat hij haar zou geven wat zij ook maar vragen zou.

8En daartoe opgestookt door haar moeder, zei ze: Geef mij hier op een schotel het hoofd van Johannes de Doper.

9En de koning werd bedroefd, maar omwille van de eden en om hen die met hem aanlagen, gaf hij bevel dat het haar gegeven zou worden;

10en hij stuurde iemand en liet Johannes in de gevangenis onthoofden.

11En zijn hoofd werd op een schotel gebracht en aan het meisje gegeven, en zij bracht het bij haar moeder.

12En zijn discipelen kwamen, namen het lichaam weg en begroeven het; zij gingen heen en berichtten het Jezus.

De eerste wonderbare spijziging

13

14:13
Matt. 12:15
Mark. 6:31
Luk. 9:10
En toen Jezus dit hoorde, vertrok Hij vandaar met een schip naar een eenzame plaats, alleen; en de menigte, die dat hoorde, volgde Hem te voet vanuit de steden.

14

14:14
Joh. 6:5
En toen Jezus uit het schip ging, zag Hij een grote menigte, en Hij
14:14
Matt. 9:36
was innerlijk met ontferming bewogen over hen en genas hun zieken.

15

14:15
Mark. 6:35
Luk. 9:12
Toen het avond werd, kwamen Zijn discipelen naar Hem toe en zeiden: Deze plaats is eenzaam en de tijd is nu verstreken; stuur de menigte weg, zodat zij naar de dorpen kunnen gaan om voor zichzelf voedsel te kopen.

16Jezus zei echter tegen hen: Het is niet nodig dat zij weggaan, geeft u hun te eten.

17Maar zij zeiden tegen Hem: Wij hebben hier niets dan vijf broden en twee vissen.

18Hij zei: Breng ze hier bij Mij.

19En Hij gaf de menigte opdracht op het gras te gaan zitten; en Hij nam de vijf broden en de twee vissen, en terwijl Hij opkeek naar de hemel,

14:19
1 Sam. 9:13
zegende Hij ze. En toen Hij ze gebroken had, gaf Hij de broden aan de discipelen, en de discipelen gaven ze aan de menigte.

20En zij aten allen en werden verzadigd, en ze raapten het overschot van de stukken brood op, twaalf manden vol.

21Zij die gegeten hadden, waren ongeveer vijfduizend mannen, de vrouwen en de kinderen niet meegeteld.

Jezus wandelt op de zee

22

14:22
Mark. 6:45
Joh. 6:17
En meteen dwong Jezus Zijn discipelen in het schip te gaan en voor Hem uit te varen naar de overkant, terwijl Hij de menigte weg zou sturen.

23

14:23
Mark. 6:46
Joh. 6:15
En toen Hij de menigte weggestuurd had, klom Hij de berg op om er in afzondering te bidden. Toen het avond was geworden, was Hij daar alleen.

24Het schip was al midden op de zee en verkeerde in nood door de golven, want ze hadden de wind tegen.

25Maar in de vierde nachtwake kwam Jezus naar hen toe, lopend over de zee.

26En toen de discipelen Hem over de zee zagen lopen, raakten zij in verwarring en zeiden: Het is een spook! En zij schreeuwden van angst.

27Maar meteen sprak Jezus hen aan en zei: Heb goede moed, Ik ben het; wees niet bevreesd.

28Petrus antwoordde Hem en zei: Heere, als U het bent, geef mij dan bevel over het water naar U toe te komen.

29Hij zei: Kom! En Petrus klom uit het schip en liep op het water om bij Jezus te komen.

30Maar toen hij op de sterke wind lette, werd hij bevreesd, en toen hij begon te zinken, riep hij: Heere, red mij!

31Jezus stak meteen Zijn hand uit, greep hem vast en zei tegen hem: Kleingelovige, waarom hebt u getwijfeld?

32En toen zij in het schip geklommen waren, ging de wind liggen.

33Zij die in het schip waren, kwamen Hem aanbidden en zeiden: Werkelijk, U bent de Zoon van God!

34En

14:34
Mark. 6:53
toen zij overgevaren waren, kwamen zij in het land Gennesaret.

35En toen de mannen van die plaats Hem herkenden, stuurden ze bericht rond in heel die streek en brachten allen bij Hem die er slecht aan toe waren;

36en zij smeekten Hem alleen maar de zoom van Zijn bovenkleed te mogen aanraken. En allen die Hem aanraakten, werden gezond.

15

De ware reinheid

151Toen

15:1
Mark. 7:1
kwamen enige schriftgeleerden en Farizeeën uit Jeruzalem bij Jezus en zeiden:

2Waarom overtreden Uw discipelen de overlevering van de ouden? Want zij wassen hun handen niet als zij brood gaan eten.

3Maar Hij antwoordde en zei tegen hen: Waarom overtreedt ook u het gebod van God door uw overlevering?

4

15:4
Ex. 20:12
Deut. 5:16
Efez. 6:2
God heeft immers geboden: Eer uw vader en moeder, en:
15:4
Ex. 21:17
Lev. 20:9
Spr. 20:20
Wie vader of moeder vervloekt, moet zeker sterven.

5Maar u zegt: Wie maar tegen vader of moeder zegt: Het is bestemd als offergave, wat u van mij had kunnen krijgen, en zijn vader en moeder niet zal eren, met hem is het in orde.

6

15:6
Mark. 7:13
1 Tim. 4:3
2 Tim. 3:2
En zo hebt u door uw overlevering het gebod van God krachteloos gemaakt.

7Huichelaars! Terecht heeft Jesaja over u geprofeteerd, toen hij zei:

8

15:8
Jes. 29:13
Ezech. 33:31
Mark. 7:6
Dit volk nadert tot Mij met hun mond en eert Mij met de lippen, maar hun hart houdt zich ver bij Mij vandaan;

9maar tevergeefs eren zij Mij, omdat zij leringen onderwijzen die

15:9
Mark. 7:6,7
Kol. 2:18,20,22
geboden van mensen zijn.

10

15:10
Mark. 7:14
En toen Hij de menigte bij Zich geroepen had, zei Hij tegen hen: Luister en begrijp het goed:

11

15:11
Hand. 10:15
Rom. 14:17,20
Tit. 1:15
Wat de mond ingaat, verontreinigt de mens niet; maar wat de mond uitkomt, dat verontreinigt de mens.

12Toen kwamen Zijn discipelen naar Hem toe en zeiden tegen Hem: Weet U wel dat toen de Farizeeën dit woord hoorden, zij er aanstoot aan namen?

13Maar Hij antwoordde en zei:

15:13
Joh. 15:2
Elke plant die Mijn hemelse Vader niet geplant heeft, zal uitgetrokken worden.

14Laat hen gaan;

15:14
Jes. 42:19
Luk. 6:39
het zijn blinde geleiders van blinden. Als nu een blinde een blinde geleidt, zullen zij beiden in een kuil vallen.

15

15:15
Mark. 7:17
Petrus antwoordde en zei tegen Hem: Verklaar ons deze gelijkenis.

16Maar Jezus zei: Bent ook u nog altijd onwetend?

17Ziet u niet in dat alles wat de mond ingaat, in de buik komt en in de afzondering weer uitgescheiden wordt?

18Maar de dingen die uit de mond komen, komen voort uit het hart, en die verontreinigen de mens.

19

15:19
Gen. 6:5
8:21
Spr. 6:14
Jer. 17:9
Want uit het hart komen voort kwaadaardige overwegingen, alle moord, overspel, ontucht, diefstal, valse getuigenissen, lasteringen.

20Deze dingen zijn het die de mens verontreinigen; maar het eten met ongewassen handen verontreinigt de mens niet.

De Kananese vrouw

21

15:21
Mark. 7:24
En Jezus ging vandaar weg en vertrok naar het gebied van Tyrus en Sidon.

22En zie, een Kananese vrouw, die uit dat gebied kwam, riep naar Hem: Heere, Zoon van David, ontferm U over mij! Mijn dochter is ernstig door een demon bezeten.

23Maar Hij antwoordde haar met geen woord. En Zijn discipelen kwamen naar Hem toe en vroegen Hem: Stuur haar weg, want zij roept ons na.

24Hij antwoordde en zei:

15:24
Matt. 10:6
Hand. 13:46
Ik ben alleen maar gezonden naar de verloren schapen van het huis van Israël.

25Maar zij kwam dichterbij, knielde voor Hem neer en zei: Heere, help mij!

26Hij antwoordde echter en zei: Het is niet behoorlijk het brood van de kinderen te nemen en naar de hondjes te werpen.

27Zij zei: Ja, Heere, maar de hondjes eten ook van de kruimels die er vallen van de tafel van hun bezitter.

28Toen antwoordde Jezus en zei tegen haar: O vrouw, groot is uw geloof; het zal gebeuren zoals u wilt. En haar dochter was vanaf dat moment gezond.

Genezing bij de zee van Galilea

29

15:29
Mark. 7:31
En Jezus vertrok vandaar en kwam bij de zee van Galilea; en Hij klom de berg op en ging daar zitten.

30

15:30
Jes. 29:18
35:5
Matt. 11:5
Luk. 7:22
En er kwam een grote menigte naar Hem toe en zij hadden kreupelen, blinden, mensen die niet konden spreken en verlamden bij zich, en vele anderen. En zij legden ze voor de voeten van Jezus en Hij genas hen,

31zodat de menigte zich verwonderde, toen zij zagen dat zij die niet hadden kunnen spreken, konden spreken, de verlamden gezond waren, de kreupelen konden lopen en de blinden konden zien; en zij verheerlijkten de God van Israël.

De tweede wonderbare spijziging

32

15:32
Mark. 8:1
En Jezus riep Zijn discipelen bij Zich en zei: Ik ben innerlijk met ontferming bewogen over de menigte, omdat zij al drie dagen bij Mij gebleven zijn, en zij hebben niets wat zij kunnen eten; Ik wil hen niet nuchter wegsturen, opdat zij onderweg niet bezwijken.

33En Zijn discipelen zeiden tegen Hem: Waar halen wij in een afgelegen plaats zoveel broden vandaan dat wij zo'n grote menigte kunnen verzadigen?

34En Jezus zei tegen hen: Hoeveel broden hebt u? Zij zeiden: Zeven, en enkele visjes.

35En Hij gaf de menigte opdracht op de grond te gaan zitten.

36En Hij nam de zeven broden en de vissen, en nadat Hij

15:36
1 Sam. 9:13
gedankt had, brak Hij ze en gaf ze aan Zijn discipelen; en de discipelen gaven ze aan de menigte.

37En zij aten allen en werden verzadigd. En zij raapten het overschot van de stukken brood op, zeven manden vol.

38Zij die daar gegeten hadden, waren vierduizend mannen, de vrouwen en kinderen niet meegeteld.

39En nadat Hij de menigte had weggestuurd, ging Hij in het schip en kwam in het gebied van Magdala.

16

Een wonderteken geweigerd

161En

16:1
Matt. 12:38
Mark. 8:11
Luk. 11:29
12:54
Joh. 6:30
de Farizeeën en de Sadduceeën kwamen naar Hem toe om Hem te verzoeken, en zij vroegen Hem of Hij hun een teken uit de hemel wilde laten zien.

2Maar Hij antwoordde en zei tegen hen:

16:2
Luk. 12:54
Als het avond geworden is, zegt u: Mooi weer, want de hemel is rood;

3en 's morgens: Vandaag storm, want de hemel is somber rood. Huichelaars! De aanblik van de lucht weet u wel te onderscheiden, en kunt u de tekenen van de tijden niet onderscheiden?

4

16:4
Matt. 12:39
Luk. 11:29
Het verdorven en overspelig geslacht verlangt een teken; maar hun zal geen teken gegeven worden dan het teken van
16:4
Jona 1:17
Jona, de profeet. En Hij verliet hen en ging weg.

5En toen Zijn discipelen aan de overkant gekomen waren, bleek dat zij vergeten hadden broden mee te nemen.

6

16:6
Mark. 8:15
Luk. 12:1
Jezus zei tegen hen: Kijk uit, en wees op uw hoede voor het zuurdeeg van de Farizeeën en de Sadduceeën.

7Zij spraken erover met elkaar en zeiden: Dit zegt Hij, omdat wij geen broden meegenomen hebben.

8En Jezus, Die dat wist, zei tegen hen: Waarom spreekt u er met elkaar over, kleingelovigen, dat u geen broden meegenomen hebt?

9

16:9
Matt. 14:17
Mark. 6:38
Luk. 9:13
Joh. 6:9
Ziet u het nog niet in? En herinnert u zich niet de vijf broden voor de vijfduizend, en hoeveel korven u opgehaald hebt?

10

16:10
Matt. 15:34
En ook niet de zeven broden voor de vierduizend, en hoeveel manden u opgehaald hebt?

11Waarom ziet u dan niet in dat Ik tot u niet over brood gesproken heb, toen Ik zei dat u op uw hoede moest zijn voor het zuurdeeg van de Farizeeën en de Sadduceeën?

12Toen begrepen zij dat Hij niet gezegd had dat zij op hun hoede moesten zijn voor het zuurdeeg van het brood, maar voor het onderricht van de Farizeeën en de Sadduceeën.

De belijdenis van Petrus

13

16:13
Mark. 8:27
Luk. 9:18
Toen Jezus gekomen was in het gebied van Caesarea Filippi, vroeg Hij aan Zijn discipelen: Wie zeggen de mensen dat Ik, de Zoon des mensen, ben?

14Zij zeiden:

16:14
Matt. 14:2
Sommigen: Johannes de Doper, en anderen: Elia, en weer anderen: Jeremia of een van de profeten.

15Hij zei tegen hen: Maar u, wie zegt u dat Ik ben?

16

16:16
Joh. 6:69
Simon Petrus antwoordde en zei: U bent de Christus, de Zoon van de levende God.

17En Jezus antwoordde en zei tegen hem: Zalig bent u, Simon Barjona, want vlees en bloed hebben u dat niet geopenbaard,

16:17
Matt. 11:25
maar Mijn Vader, Die in de hemelen is.

18

16:18
Ps. 118:22
Joh. 1:43
En Ik zeg u ook dat u Petrus bent, en op
16:18
Jes. 28:16
1 Kor. 3:11
deze petra zal Ik Mijn gemeente bouwen, en de
16:18
Jes. 33:20
poorten van de hel zullen haar niet overweldigen.

19

16:19
Matt. 18:18
Joh. 20:22
En Ik zal u de sleutels van het Koninkrijk der hemelen geven; en wat u bindt op de aarde, zal in de hemelen gebonden zijn; en wat u ontbindt op de aarde, zal in de hemelen ontbonden zijn.

20Toen verbood Hij Zijn discipelen dat zij tegen iemand zouden zeggen dat Hij, Jezus, de Christus, was.

Eerste aankondiging van het lijden

21

16:21
Matt. 17:22
20:18
Mark. 8:31
9:31
10:33
Luk. 9:22
18:31
24:7
Van toen aan begon Jezus Zijn discipelen te laten zien dat Hij naar Jeruzalem moest gaan en veel zou moeten lijden van de kant van de oudsten en de overpriesters en de schriftgeleerden, en dat Hij gedood zou worden en op de derde dag zou worden opgewekt.

22En Petrus nam Hem apart en begon Hem te bestraffen; hij zei: God zij U genadig, Heere, dit zal beslist niet met U gebeuren!

23Maar Hij keerde Zich om en zei tegen Petrus: Ga weg achter Mij, satan!

16:23
2 Sam. 19:22
U bent een struikelblok voor Mij, want u bedenkt niet de dingen van God, maar die van de mensen.

Aansporing tot zelfverloochening

24Toen zei Jezus tegen Zijn discipelen:

16:24
Matt. 10:38
Mark. 8:34
Luk. 9:23
14:27
Als iemand achter Mij aan wil komen, moet hij zichzelf verloochenen, zijn kruis opnemen en Mij volgen.

25

16:25
Matt. 10:39
Mark. 8:35
Luk. 9:24
17:33
Joh. 12:25
Want wie zijn leven16:25 leven - Letterlijk: ziel. zal willen behouden, die zal het verliezen; maar wie zijn leven zal verliezen om Mij, die zal het vinden.

26

16:26
Luk. 9:25
Want wat baat het een mens, als hij heel de wereld wint en aan zijn ziel schade lijdt? Of
16:26
Ps. 49:9
Mark. 8:37
wat zal een mens geven als losprijs voor zijn ziel?

27

16:27
Matt. 24:30
25:31
26:64
Want de Zoon des mensen zal komen in de
16:27
Matt. 25:31
heerlijkheid van Zijn Vader, met Zijn engelen,
16:27
Job 34:11
Ps. 62:13
Rom. 2:6
en dan zal Hij ieder vergelden naar zijn daden.

28

16:28
Mark. 9:1
Luk. 9:27
Voorwaar, Ik zeg u: Er zijn sommigen van hen die hier staan, die de dood niet zullen proeven voordat zij de Zoon des mensen hebben zien komen in Zijn Koninkrijk.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]