Herziene Statenvertaling (HSV)
13

De zaaier

131

13:1
Mark. 4:1
Luk. 8:4,5
Op die dag verliet Jezus het huis en ging bij de zee zitten.

2En veel menigten verzamelden zich om Hem heen, zodat Hij

13:2
Luk. 5:3
in een schip ging zitten; en heel de menigte stond op de oever.

3En Hij sprak tot hen veel dingen door gelijkenissen. Hij zei: Zie, een zaaier ging eropuit om te zaaien.

4En toen hij zaaide, viel een deel van het zaad langs de weg; en de vogels kwamen en aten dat op.

5Een ander deel viel op steenachtige plaatsen, waar het niet veel aarde had; en het kwam meteen op, doordat het geen diepte van aarde had.

6En toen de zon opgegaan was, verschroeide het; en doordat het geen wortel had, verdorde het.

7Een ander deel viel tussen de dorens; en de dorens kwamen op en verstikten het.

8En weer een ander deel viel in de goede aarde en gaf vrucht, het ene honderd-, het andere zestig-, en een ander dertigvoudig.

9Wie oren heeft om te horen, laat hij horen.

Waarom Jezus door gelijkenissen sprak

10

13:10
Mark. 4:10
Luk. 8:9
En de discipelen kwamen naar Hem toe en zeiden tegen Hem: Waarom spreekt U tot hen door gelijkenissen?

11Hij antwoordde en zei tegen hen:

13:11
2 Kor. 3:14
Omdat het u gegeven is de geheimenissen van het Koninkrijk der hemelen te kennen, maar
13:11
Matt. 11:25
aan hen is het niet gegeven.

12

13:12
Matt. 25:29
Mark. 4:24,25
Luk. 8:18
19:26
Want wie heeft, aan hem zal gegeven worden, en hij zal overvloedig hebben; maar wie niet heeft, van hem zal afgenomen worden zelfs wat hij heeft.

13Daarom spreek Ik tot hen door gelijkenissen, omdat zij niet zien, ook al zien zij, en niet horen, ook al horen zij, en ook niet begrijpen.

14En in hen wordt de profetie van Jesaja vervuld die zegt:

13:14
Jes. 6:9
Mark. 4:12
Luk. 8:10
Joh. 12:40
Hand. 28:26
Rom. 11:8
Met het gehoor zult u horen, maar beslist niet begrijpen; en ziende zult u zien, maar beslist niet opmerken.

15Want het hart van dit volk is vet geworden, en zij hebben met de oren slecht gehoord, en hun ogen hebben zij dichtgedaan, opdat zij niet op enig moment met de ogen zouden zien en met de oren horen en met het hart begrijpen, en zij zich zouden bekeren en Ik hen zou genezen.

16

13:16
Luk. 10:23
Joh. 20:29
1 Petr. 1:8
Maar uw ogen zijn zalig omdat zij zien, en uw oren omdat zij horen.

17Want voorwaar, Ik zeg u

13:17
1 Petr. 1:10
dat veel profeten en rechtvaardigen verlangd hebben te zien wat u ziet, en zij hebben het niet gezien; en te horen wat u hoort, en zij hebben het niet gehoord.

Uitleg van de gelijkenis van de zaaier

18

13:18
Mark. 4:13
Luk. 8:11
Luistert ú dan naar de gelijkenis van de zaaier.

19Als iemand het Woord van het

13:19
Matt. 4:23
Koninkrijk hoort en het niet begrijpt, dan komt de boze en rukt weg wat in zijn hart gezaaid was; dat is hij bij wie langs de weg gezaaid is.

20Maar bij wie op de steenachtige grond gezaaid is, dat is hij die het Woord hoort en dat meteen met vreugde ontvangt.

21Hij heeft echter geen wortel in zichzelf, maar hij is iemand van het ogenblik; en als er verdrukking of vervolging komt omwille van het Woord, struikelt hij meteen.

22

13:22
Matt. 19:23
Mark. 10:23
Luk. 18:24
1 Tim. 6:9
En bij wie in de dorens gezaaid is, dat is hij die het Woord hoort; maar de zorgen van deze wereld en de verleiding van de rijkdom verstikken het Woord, en het wordt onvruchtbaar.

23Bij wie in de goede aarde gezaaid is, dat is hij die het Woord hoort en begrijpt, die ook vrucht draagt en voortbrengt, de één honderd-, de ander zestig-, en de ander dertigvoudig.

Het onkruid tussen de tarwe

24Een andere gelijkenis hield Hij hun voor. Hij zei: Het Koninkrijk der hemelen is gelijk aan iemand die goed zaad zaaide in zijn akker.

25Maar toen de mensen sliepen, kwam zijn vijand en zaaide onkruid tussen de tarwe, en ging weg.

26Toen het gewas opkwam en vrucht voortbracht, kwam ook het onkruid tevoorschijn.

27De dienaren van de heer des huizes gingen naar hem toe en zeiden: Heer, hebt u niet goed zaad in uw akker gezaaid? Waar komt dan dit onkruid vandaan?

28Hij zei tegen hen: Een vijandig mens heeft dat gedaan. De dienaren zeiden tegen hem: Wilt u dan dat wij erheen gaan en het verzamelen?

29Maar hij zei: Nee, opdat u bij het verzamelen van het onkruid niet misschien tegelijk ook de tarwe zelf uittrekt.

30Laat ze allebei samen tot de oogst opgroeien, en in de oogsttijd zal ik tegen de maaiers zeggen: Verzamel eerst het onkruid en bind het in bossen om het te verbranden,

13:30
Matt. 3:12
maar breng de tarwe bijeen in mijn schuur.

Het mosterdzaad en het zuurdeeg

31Een andere gelijkenis hield Hij hun voor. Hij zei:

13:31
Mark. 4:30
Luk. 13:18
Het Koninkrijk der hemelen is gelijk aan een mosterdzaad, dat iemand nam en in zijn akker zaaide.

32Dat is wel het kleinste van al de zaden, maar als het opgegroeid is, is het het grootste van de tuingewassen en het wordt een boom, zodat de vogels in de lucht een nest komen maken in zijn takken.

33Een andere gelijkenis sprak Hij tot hen:

13:33
Luk. 13:20,21
Het Koninkrijk der hemelen is gelijk aan zuurdeeg, dat een vrouw nam en in drie maten meel verborg, totdat het helemaal doorzuurd was.

34

13:34
Mark. 4:33
Al deze dingen sprak Jezus tot de menigte door gelijkenissen, en zonder gelijkenis sprak Hij tot hen niet,

35opdat vervuld zou worden wat gesproken is door de profeet, toen hij zei:

13:35
Ps. 78:2
Ik zal Mijn mond opendoen met gelijkenissen; Ik zal over dingen spreken die verborgen waren vanaf de grondlegging van de wereld.

Uitleg van de gelijkenis van het onkruid

36Toen Jezus de menigte had laten weggaan, ging Hij naar huis. En Zijn discipelen kwamen bij Hem en zeiden: Verklaar ons de gelijkenis van het onkruid op de akker.

37Hij antwoordde en zei tegen hen: Hij die het goede zaad zaait, is de Zoon des mensen.

38De akker is de wereld, het goede zaad zijn de kinderen van het Koninkrijk en het onkruid zijn de kinderen van de boze.

39De vijand die het gezaaid heeft, is de duivel;

13:39
Joël 3:13
Openb. 14:15
de oogst is de voleinding van de wereld en de maaiers zijn engelen.

40Zoals dan het onkruid verzameld en met vuur verbrand wordt, zo zal het ook zijn bij de voleinding van deze wereld:

41de Zoon des mensen zal Zijn engelen uitzenden, en zij zullen uit Zijn Koninkrijk verzamelen alle struikelblokken, en hen die de wetteloosheid doen,

42en zij zullen hen in de vurige oven werpen;

13:42
Matt. 8:12
22:13
24:51
25:30
Luk. 13:28
daar zal gejammer zijn en tandengeknars.

43

13:43
Dan. 12:3
1 Kor. 15:42
Dan zullen de rechtvaardigen stralen als de zon, in het Koninkrijk van hun Vader. Wie oren heeft om te horen, laat hij horen.

De schat in de akker en de parel van grote waarde

44Het Koninkrijk der hemelen is ook gelijk aan een schat, in de akker verborgen, die iemand vond en verborg; en van blijdschap daarover

13:44
Filipp. 3:7
gaat hij heen en verkoopt alles wat hij heeft, en koopt die akker.

45Ook is het Koninkrijk der hemelen gelijk aan een koopman die mooie parels zoekt.

46Toen hij één parel van grote waarde gevonden had, ging hij heen en verkocht alles wat hij had, en hij kocht hem.

Het visnet

47Het Koninkrijk der hemelen is ook gelijk aan een net, uitgeworpen in de zee, dat allerlei soorten vissen bijeenbrengt.

48Als het vol geworden is, trekken de vissers het op de oever. Ze gaan zitten en verzamelen de goede vissen in vaten, maar de slechte gooien zij weg.

49Zo zal het bij de voleinding van de wereld zijn: de engelen zullen uitgaan en de slechten uit het midden van de rechtvaardigen afzonderen,

50en zij zullen hen in de vurige oven werpen;

13:50
Vers 42
daar zal gejammer zijn en tandengeknars.

51Jezus zei tegen hen: Hebt u dit alles begrepen? Zij zeiden tegen Hem: Ja, Heere.

52Hij zei tegen hen: Daarom, iedere schriftgeleerde, in het Koninkrijk der hemelen onderwezen, is gelijk aan een heer des huizes die uit zijn voorraad nieuwe en oude dingen tevoorschijn haalt.

Jezus in Nazareth verworpen

53

13:53
Mark. 6:1
Luk. 4:16
En toen Jezus deze gelijkenissen geëindigd had, gebeurde het dat Hij vandaar vertrok.

54En Hij kwam in Zijn vaderstad en onderwees hen in hun synagoge, zodat zij versteld stonden en zeiden:

13:54
Mark. 6:2
Waar heeft Deze die wijsheid en krachten vandaan?

55

13:55
Joh. 6:42
Is Dit niet de Zoon van de timmerman? En heet Zijn moeder niet Maria, en Zijn broers Jakobus en Joses, en Simon en Judas?

56En Zijn zusters, zijn zij niet allen onder ons? Waar heeft Deze dan dit alles vandaan?

57En zij namen aanstoot aan Hem. Maar Jezus zei tegen hen:

13:57
Mark. 6:4
Luk. 4:24
Joh. 4:44
Een profeet is niet ongeëerd, behalve in zijn vaderstad en in zijn huis.

58En Hij deed daar niet veel krachten vanwege hun ongeloof.

14

De dood van Johannes de Doper

141In

14:1
Mark. 6:14
Luk. 9:7
die tijd hoorde Herodes, de viervorst, het gerucht over Jezus,

2en hij zei tegen zijn knechten: Dat is Johannes de Doper; hij is opgewekt uit de doden, en daarom zijn die krachten werkzaam in hem.

3

14:3
Mark. 6:17
Luk. 3:19
Herodes had Johannes immers gevangengenomen, hem geboeid en in de gevangenis gezet, vanwege Herodias, de vrouw van zijn broer Filippus,

4want Johannes had tegen hem gezegd:

14:4
Lev. 18:16
Het is u niet geoorloofd haar te hebben.

5En hij wilde hem doden, maar hij was bevreesd voor de menigte,

14:5
Matt. 21:26
omdat zij hem voor een profeet hielden.

6Maar toen

14:6
Gen. 40:20
Mark. 6:21
de verjaardag van Herodes gevierd werd, danste de dochter van Herodias in hun midden, en zij behaagde Herodes.

7

14:7
Richt. 11:30
Daarom beloofde hij haar met een eed dat hij haar zou geven wat zij ook maar vragen zou.

8En daartoe opgestookt door haar moeder, zei ze: Geef mij hier op een schotel het hoofd van Johannes de Doper.

9En de koning werd bedroefd, maar omwille van de eden en om hen die met hem aanlagen, gaf hij bevel dat het haar gegeven zou worden;

10en hij stuurde iemand en liet Johannes in de gevangenis onthoofden.

11En zijn hoofd werd op een schotel gebracht en aan het meisje gegeven, en zij bracht het bij haar moeder.

12En zijn discipelen kwamen, namen het lichaam weg en begroeven het; zij gingen heen en berichtten het Jezus.

De eerste wonderbare spijziging

13

14:13
Matt. 12:15
Mark. 6:31
Luk. 9:10
En toen Jezus dit hoorde, vertrok Hij vandaar met een schip naar een eenzame plaats, alleen; en de menigte, die dat hoorde, volgde Hem te voet vanuit de steden.

14

14:14
Joh. 6:5
En toen Jezus uit het schip ging, zag Hij een grote menigte, en Hij
14:14
Matt. 9:36
was innerlijk met ontferming bewogen over hen en genas hun zieken.

15

14:15
Mark. 6:35
Luk. 9:12
Toen het avond werd, kwamen Zijn discipelen naar Hem toe en zeiden: Deze plaats is eenzaam en de tijd is nu verstreken; stuur de menigte weg, zodat zij naar de dorpen kunnen gaan om voor zichzelf voedsel te kopen.

16Jezus zei echter tegen hen: Het is niet nodig dat zij weggaan, geeft u hun te eten.

17Maar zij zeiden tegen Hem: Wij hebben hier niets dan vijf broden en twee vissen.

18Hij zei: Breng ze hier bij Mij.

19En Hij gaf de menigte opdracht op het gras te gaan zitten; en Hij nam de vijf broden en de twee vissen, en terwijl Hij opkeek naar de hemel,

14:19
1 Sam. 9:13
zegende Hij ze. En toen Hij ze gebroken had, gaf Hij de broden aan de discipelen, en de discipelen gaven ze aan de menigte.

20En zij aten allen en werden verzadigd, en ze raapten het overschot van de stukken brood op, twaalf manden vol.

21Zij die gegeten hadden, waren ongeveer vijfduizend mannen, de vrouwen en de kinderen niet meegeteld.

Jezus wandelt op de zee

22

14:22
Mark. 6:45
Joh. 6:17
En meteen dwong Jezus Zijn discipelen in het schip te gaan en voor Hem uit te varen naar de overkant, terwijl Hij de menigte weg zou sturen.

23

14:23
Mark. 6:46
Joh. 6:15
En toen Hij de menigte weggestuurd had, klom Hij de berg op om er in afzondering te bidden. Toen het avond was geworden, was Hij daar alleen.

24Het schip was al midden op de zee en verkeerde in nood door de golven, want ze hadden de wind tegen.

25Maar in de vierde nachtwake kwam Jezus naar hen toe, lopend over de zee.

26En toen de discipelen Hem over de zee zagen lopen, raakten zij in verwarring en zeiden: Het is een spook! En zij schreeuwden van angst.

27Maar meteen sprak Jezus hen aan en zei: Heb goede moed, Ik ben het; wees niet bevreesd.

28Petrus antwoordde Hem en zei: Heere, als U het bent, geef mij dan bevel over het water naar U toe te komen.

29Hij zei: Kom! En Petrus klom uit het schip en liep op het water om bij Jezus te komen.

30Maar toen hij op de sterke wind lette, werd hij bevreesd, en toen hij begon te zinken, riep hij: Heere, red mij!

31Jezus stak meteen Zijn hand uit, greep hem vast en zei tegen hem: Kleingelovige, waarom hebt u getwijfeld?

32En toen zij in het schip geklommen waren, ging de wind liggen.

33Zij die in het schip waren, kwamen Hem aanbidden en zeiden: Werkelijk, U bent de Zoon van God!

34En

14:34
Mark. 6:53
toen zij overgevaren waren, kwamen zij in het land Gennesaret.

35En toen de mannen van die plaats Hem herkenden, stuurden ze bericht rond in heel die streek en brachten allen bij Hem die er slecht aan toe waren;

36en zij smeekten Hem alleen maar de zoom van Zijn bovenkleed te mogen aanraken. En allen die Hem aanraakten, werden gezond.

15

De ware reinheid

151Toen

15:1
Mark. 7:1
kwamen enige schriftgeleerden en Farizeeën uit Jeruzalem bij Jezus en zeiden:

2Waarom overtreden Uw discipelen de overlevering van de ouden? Want zij wassen hun handen niet als zij brood gaan eten.

3Maar Hij antwoordde en zei tegen hen: Waarom overtreedt ook u het gebod van God door uw overlevering?

4

15:4
Ex. 20:12
Deut. 5:16
Efez. 6:2
God heeft immers geboden: Eer uw vader en moeder, en:
15:4
Ex. 21:17
Lev. 20:9
Spr. 20:20
Wie vader of moeder vervloekt, moet zeker sterven.

5Maar u zegt: Wie maar tegen vader of moeder zegt: Het is bestemd als offergave, wat u van mij had kunnen krijgen, en zijn vader en moeder niet zal eren, met hem is het in orde.

6

15:6
Mark. 7:13
1 Tim. 4:3
2 Tim. 3:2
En zo hebt u door uw overlevering het gebod van God krachteloos gemaakt.

7Huichelaars! Terecht heeft Jesaja over u geprofeteerd, toen hij zei:

8

15:8
Jes. 29:13
Ezech. 33:31
Mark. 7:6
Dit volk nadert tot Mij met hun mond en eert Mij met de lippen, maar hun hart houdt zich ver bij Mij vandaan;

9maar tevergeefs eren zij Mij, omdat zij leringen onderwijzen die

15:9
Mark. 7:6,7
Kol. 2:18,20,22
geboden van mensen zijn.

10

15:10
Mark. 7:14
En toen Hij de menigte bij Zich geroepen had, zei Hij tegen hen: Luister en begrijp het goed:

11

15:11
Hand. 10:15
Rom. 14:17,20
Tit. 1:15
Wat de mond ingaat, verontreinigt de mens niet; maar wat de mond uitkomt, dat verontreinigt de mens.

12Toen kwamen Zijn discipelen naar Hem toe en zeiden tegen Hem: Weet U wel dat toen de Farizeeën dit woord hoorden, zij er aanstoot aan namen?

13Maar Hij antwoordde en zei:

15:13
Joh. 15:2
Elke plant die Mijn hemelse Vader niet geplant heeft, zal uitgetrokken worden.

14Laat hen gaan;

15:14
Jes. 42:19
Luk. 6:39
het zijn blinde geleiders van blinden. Als nu een blinde een blinde geleidt, zullen zij beiden in een kuil vallen.

15

15:15
Mark. 7:17
Petrus antwoordde en zei tegen Hem: Verklaar ons deze gelijkenis.

16Maar Jezus zei: Bent ook u nog altijd onwetend?

17Ziet u niet in dat alles wat de mond ingaat, in de buik komt en in de afzondering weer uitgescheiden wordt?

18Maar de dingen die uit de mond komen, komen voort uit het hart, en die verontreinigen de mens.

19

15:19
Gen. 6:5
8:21
Spr. 6:14
Jer. 17:9
Want uit het hart komen voort kwaadaardige overwegingen, alle moord, overspel, ontucht, diefstal, valse getuigenissen, lasteringen.

20Deze dingen zijn het die de mens verontreinigen; maar het eten met ongewassen handen verontreinigt de mens niet.

De Kananese vrouw

21

15:21
Mark. 7:24
En Jezus ging vandaar weg en vertrok naar het gebied van Tyrus en Sidon.

22En zie, een Kananese vrouw, die uit dat gebied kwam, riep naar Hem: Heere, Zoon van David, ontferm U over mij! Mijn dochter is ernstig door een demon bezeten.

23Maar Hij antwoordde haar met geen woord. En Zijn discipelen kwamen naar Hem toe en vroegen Hem: Stuur haar weg, want zij roept ons na.

24Hij antwoordde en zei:

15:24
Matt. 10:6
Hand. 13:46
Ik ben alleen maar gezonden naar de verloren schapen van het huis van Israël.

25Maar zij kwam dichterbij, knielde voor Hem neer en zei: Heere, help mij!

26Hij antwoordde echter en zei: Het is niet behoorlijk het brood van de kinderen te nemen en naar de hondjes te werpen.

27Zij zei: Ja, Heere, maar de hondjes eten ook van de kruimels die er vallen van de tafel van hun bezitter.

28Toen antwoordde Jezus en zei tegen haar: O vrouw, groot is uw geloof; het zal gebeuren zoals u wilt. En haar dochter was vanaf dat moment gezond.

Genezing bij de zee van Galilea

29

15:29
Mark. 7:31
En Jezus vertrok vandaar en kwam bij de zee van Galilea; en Hij klom de berg op en ging daar zitten.

30

15:30
Jes. 29:18
35:5
Matt. 11:5
Luk. 7:22
En er kwam een grote menigte naar Hem toe en zij hadden kreupelen, blinden, mensen die niet konden spreken en verlamden bij zich, en vele anderen. En zij legden ze voor de voeten van Jezus en Hij genas hen,

31zodat de menigte zich verwonderde, toen zij zagen dat zij die niet hadden kunnen spreken, konden spreken, de verlamden gezond waren, de kreupelen konden lopen en de blinden konden zien; en zij verheerlijkten de God van Israël.

De tweede wonderbare spijziging

32

15:32
Mark. 8:1
En Jezus riep Zijn discipelen bij Zich en zei: Ik ben innerlijk met ontferming bewogen over de menigte, omdat zij al drie dagen bij Mij gebleven zijn, en zij hebben niets wat zij kunnen eten; Ik wil hen niet nuchter wegsturen, opdat zij onderweg niet bezwijken.

33En Zijn discipelen zeiden tegen Hem: Waar halen wij in een afgelegen plaats zoveel broden vandaan dat wij zo'n grote menigte kunnen verzadigen?

34En Jezus zei tegen hen: Hoeveel broden hebt u? Zij zeiden: Zeven, en enkele visjes.

35En Hij gaf de menigte opdracht op de grond te gaan zitten.

36En Hij nam de zeven broden en de vissen, en nadat Hij

15:36
1 Sam. 9:13
gedankt had, brak Hij ze en gaf ze aan Zijn discipelen; en de discipelen gaven ze aan de menigte.

37En zij aten allen en werden verzadigd. En zij raapten het overschot van de stukken brood op, zeven manden vol.

38Zij die daar gegeten hadden, waren vierduizend mannen, de vrouwen en kinderen niet meegeteld.

39En nadat Hij de menigte had weggestuurd, ging Hij in het schip en kwam in het gebied van Magdala.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]