Herziene Statenvertaling (HSV)
12

Aren plukken op de sabbat

121In

12:1
Deut. 23:25
Mark. 2:23
Luk. 6:1
die tijd ging Jezus op een sabbat door de korenvelden, en Zijn discipelen hadden honger en begonnen aren te plukken en te eten.

2Toen de Farizeeën dat zagen, zeiden zij tegen Hem: Zie, Uw discipelen doen iets

12:2
Ex. 20:10
wat niet geoorloofd is te doen op de sabbat.

3Maar Hij zei tegen hen: Hebt u niet gelezen wat David deed toen hij honger had, en zij die bij hem waren?

4Hoe hij het huis van God binnengegaan is en de

12:4
1 Sam. 21:6
toonbroden gegeten heeft, die hij niet mocht eten, evenmin als zij die bij hem waren,
12:4
Ex. 29:33
Lev. 24:9
maar alleen de priesters?

5

12:5
Num. 28:9
Of hebt u niet gelezen in de Wet dat de priesters op de sabbatdagen de sabbat ontheiligen in de tempel, en toch onschuldig zijn?

6Ik zeg u echter dat hier

12:6
2 Kron. 6:18
Iemand is Die meer is dan de tempel.

7Maar als u geweten had wat het betekent:

12:7
Hos. 6:6
Micha 6:8
Matt. 9:13
23:23
Ik wil barmhartigheid en geen offer, dan zou u de onschuldigen niet veroordeeld hebben.

8

12:8
Mark. 2:28
Luk. 6:5
Want de Zoon des mensen is Heere, óók van de sabbat.

De man met de verschrompelde hand

9

12:9
Mark. 3:1
Luk. 6:6
En Hij vertrok vandaar en kwam in hun synagoge.

10En zie, er was iemand die een verschrompelde hand had. En ze vroegen Hem:

12:10
Luk. 14:3
Is het ook geoorloofd op de sabbatdagen te genezen? Dit om Hem te kunnen beschuldigen.

11Hij zei tegen hen: Welk mens onder u die één schaap heeft, zal het niet, als het op een sabbat

12:11
Ex. 23:4
Deut. 22:4
in een kuil valt, grijpen en eruit tillen?

12

12:12
Gen. 1:27
Hoeveel gaat niet een mens een schaap te boven! Daarom is het geoorloofd op de sabbatdagen goed te doen.

13Toen zei Hij tegen die man: Steek uw hand uit. En hij stak hem uit, en hij werd hersteld, gezond als de andere.

14

12:14
Mark. 3:6
Joh. 5:18
10:39
11:53
De Farizeeën gingen weg en beraadslaagden tegen Hem, hoe zij Hem om zouden kunnen brengen.

De Knecht des Heeren

15Maar Jezus wist dat en

12:15
Matt. 10:23
vertrok vandaar, en veel menigten volgden Hem en Hij genas hen allen.

16

12:16
Matt. 9:30
Luk. 5:14
En Hij gebood hun streng dat zij niet bekend zouden maken Wie Hij was,

17opdat vervuld zou worden wat gesproken is door de profeet Jesaja toen hij zei:

18

12:18
Jes. 42:1
Matt. 3:17
17:5
Mark. 1:11
Kol. 1:13
2 Petr. 1:17
Zie, Mijn Knecht, Die Ik uitverkoren heb, Mijn Geliefde, in Wie Mijn ziel een welbehagen heeft; Ik zal Mijn Geest op Hem leggen en Hij zal aan de heidenen het oordeel verkondigen.

19Hij zal niet twisten en niet roepen, en ook zal niemand Zijn stem op de straten horen.

20Het geknakte riet zal Hij niet breken en de walmende vlaspit zal Hij niet doven, totdat Hij het oordeel uitvoert tot overwinning.

21En op Zijn Naam zullen de heidenen hopen.

Jezus en Beëlzebul

22

12:22
Matt. 9:32
Luk. 11:14
Toen werd er iemand bij Hem gebracht die door een demon bezeten was en die blind was en niet kon spreken; en Hij genas hem, zodat hij die blind was en niet had kunnen spreken zowel kon spreken als zien.

23En heel de menigte was buiten zichzelf en zei:

12:23
Joh. 4:29
Is dit niet de Zoon van David?

24Maar de Farizeeën hoorden dit en zeiden:

12:24
Matt. 9:34
Mark. 3:22
Luk. 11:15
Deze drijft de demonen alleen maar uit door Beëlzebul, de aanvoerder van de demonen.

25Jezus echter kende hun gedachten en zei tegen hen: Ieder koninkrijk dat tegen zichzelf verdeeld is, wordt verwoest; en geen enkele stad of geen enkel huis dat tegen zichzelf verdeeld is, zal standhouden.

26En als de satan de satan uitdrijft, dan is hij tegen zichzelf verdeeld; hoe kan zijn rijk dan standhouden?

27En als Ik door Beëlzebul de demonen uitdrijf, door wie drijven uw zonen ze dan uit? Daarom zullen die uw rechters zijn.

28Maar als Ik door de Geest van God de demonen uitdrijf, dan is het Koninkrijk van God bij u gekomen.

29Of hoe kan iemand het huis van de sterke binnengaan en zijn huisraad roven, als hij niet eerst de sterke gebonden heeft? En dan zal hij zijn huis leegroven.

30Wie niet met Mij is, die is tegen Mij; en wie niet met Mij bijeenbrengt, die drijft uiteen.

31

12:31
Mark. 3:28
Luk. 12:10
1 Joh. 5:16
Daarom zeg Ik u: Alle zonde en lastering zal de mensen vergeven worden, maar de lastering tegen de Geest zal de mensen niet vergeven worden.

32

12:32
1 Sam. 2:25
En wie een woord spreekt tegen de Zoon des mensen, het zal hem vergeven worden;
12:32
Num. 15:30
1 Joh. 5:16
maar wie tegen de Heilige Geest spreekt, het zal hem niet vergeven worden, niet in deze eeuw, en ook niet in de komende.

De goede en de slechte mens

33

12:33
Matt. 7:18
Stel dat de boom goed is, dan is ook zijn vrucht goed; of dat de boom slecht is, dan is ook zijn vrucht slecht. Want aan de vrucht wordt de boom gekend.

34

12:34
Matt. 3:7
Adderengebroed! Hoe kunt u goede dingen spreken, terwijl u slecht bent?
12:34
Ps. 40:11
Luk. 6:45
Want uit de overvloed van het hart spreekt de mond.

35De goede mens brengt goede dingen voort uit de goede schat van het hart, en de slechte mens brengt slechte dingen voort uit de slechte schat.

36Maar Ik zeg u

12:36
Efez. 5:4
dat de mensen van elk nutteloos woord dat zij zullen spreken, rekenschap moeten geven
12:36
Pred. 12:14
op de dag van het oordeel.

37

12:37
2 Sam. 1:16
Luk. 19:22
Want op grond van uw woorden zult u rechtvaardig verklaard worden, en op grond van uw woorden zult u veroordeeld worden.

Het teken van Jona

38

12:38
Matt. 16:1
Mark. 8:11
Luk. 11:29
1 Kor. 1:22
Toen antwoordden sommigen van de schriftgeleerden en Farizeeën: Meester, wij zouden van U een teken willen zien.

39Maar Hij antwoordde en zei tegen hen: Een verdorven en overspelig geslacht verlangt een teken, maar het zal geen teken gegeven worden dan het teken van Jona, de profeet.

40

12:40
Jona 1:17
2:10
Want zoals Jona drie dagen en drie nachten in de buik van de grote vis was, zo zal de Zoon des mensen drie dagen en drie nachten in het hart van de aarde zijn.

41

12:41
Luk. 11:32
De mannen van Ninevé zullen opstaan in het oordeel samen met dit geslacht en zullen het veroordelen, want zij hebben zich bekeerd
12:41
Jona 3:5
op de prediking van Jona; en zie, meer dan Jona is hier!

42

12:42
1 Kon. 10:1
2 Kron. 9:1
Luk. 11:31
De koningin van het Zuiden zal opstaan in het oordeel samen met dit geslacht en het veroordelen, want zij is gekomen van de einden van de aarde om de wijsheid van Salomo te horen; en zie, meer dan Salomo is hier!

Terugkeer van de onreine geest

43

12:43
Luk. 11:24
Wanneer nu de onreine geest uit de mens weggegaan is, gaat hij door dorre plaatsen om rust te zoeken, maar hij vindt die niet.

44Dan zegt hij: Ik zal teruggaan naar mijn huis, waar ik uit weggegaan ben; en wanneer hij komt, vindt hij het leeg, geveegd en opgeruimd.

45Dan gaat hij weg en neemt zeven andere geesten met zich mee, die meer verdorven zijn dan hijzelf,

12:45
Hebr. 6:4,5
10:26
2 Petr. 2:20
en wanneer zij naar binnen gegaan zijn, gaan zij daar wonen; en het einde van die mens wordt erger dan het begin. Zo zal het ook met dit verdorven geslacht zijn.

Jezus' echte familie

46

12:46
Mark. 3:31
Luk. 8:20
En terwijl Hij nog tot de menigte sprak, zie, Zijn moeder en broers stonden buiten en zochten Hem om met Hem te spreken.

47Iemand zei tegen Hem: Zie, Uw moeder en Uw broers staan buiten en zoeken U om met U te spreken.

48Maar Hij antwoordde en zei tegen hem die dat tegen Hem zei: Wie is Mijn moeder en wie zijn Mijn broers?

49En Hij strekte Zijn hand uit over Zijn discipelen en zei: Zie, Mijn moeder en Mijn broeders.

50

12:50
Joh. 15:14
2 Kor. 5:16
Gal. 5:6
6:15
Kol. 3:11
Want wie de wil van Mijn Vader doet, Die in de hemelen is, die is Mijn broeder en zuster en moeder.

13

De zaaier

131

13:1
Mark. 4:1
Luk. 8:4,5
Op die dag verliet Jezus het huis en ging bij de zee zitten.

2En veel menigten verzamelden zich om Hem heen, zodat Hij

13:2
Luk. 5:3
in een schip ging zitten; en heel de menigte stond op de oever.

3En Hij sprak tot hen veel dingen door gelijkenissen. Hij zei: Zie, een zaaier ging eropuit om te zaaien.

4En toen hij zaaide, viel een deel van het zaad langs de weg; en de vogels kwamen en aten dat op.

5Een ander deel viel op steenachtige plaatsen, waar het niet veel aarde had; en het kwam meteen op, doordat het geen diepte van aarde had.

6En toen de zon opgegaan was, verschroeide het; en doordat het geen wortel had, verdorde het.

7Een ander deel viel tussen de dorens; en de dorens kwamen op en verstikten het.

8En weer een ander deel viel in de goede aarde en gaf vrucht, het ene honderd-, het andere zestig-, en een ander dertigvoudig.

9Wie oren heeft om te horen, laat hij horen.

Waarom Jezus door gelijkenissen sprak

10

13:10
Mark. 4:10
Luk. 8:9
En de discipelen kwamen naar Hem toe en zeiden tegen Hem: Waarom spreekt U tot hen door gelijkenissen?

11Hij antwoordde en zei tegen hen:

13:11
2 Kor. 3:14
Omdat het u gegeven is de geheimenissen van het Koninkrijk der hemelen te kennen, maar
13:11
Matt. 11:25
aan hen is het niet gegeven.

12

13:12
Matt. 25:29
Mark. 4:24,25
Luk. 8:18
19:26
Want wie heeft, aan hem zal gegeven worden, en hij zal overvloedig hebben; maar wie niet heeft, van hem zal afgenomen worden zelfs wat hij heeft.

13Daarom spreek Ik tot hen door gelijkenissen, omdat zij niet zien, ook al zien zij, en niet horen, ook al horen zij, en ook niet begrijpen.

14En in hen wordt de profetie van Jesaja vervuld die zegt:

13:14
Jes. 6:9
Mark. 4:12
Luk. 8:10
Joh. 12:40
Hand. 28:26
Rom. 11:8
Met het gehoor zult u horen, maar beslist niet begrijpen; en ziende zult u zien, maar beslist niet opmerken.

15Want het hart van dit volk is vet geworden, en zij hebben met de oren slecht gehoord, en hun ogen hebben zij dichtgedaan, opdat zij niet op enig moment met de ogen zouden zien en met de oren horen en met het hart begrijpen, en zij zich zouden bekeren en Ik hen zou genezen.

16

13:16
Luk. 10:23
Joh. 20:29
1 Petr. 1:8
Maar uw ogen zijn zalig omdat zij zien, en uw oren omdat zij horen.

17Want voorwaar, Ik zeg u

13:17
1 Petr. 1:10
dat veel profeten en rechtvaardigen verlangd hebben te zien wat u ziet, en zij hebben het niet gezien; en te horen wat u hoort, en zij hebben het niet gehoord.

Uitleg van de gelijkenis van de zaaier

18

13:18
Mark. 4:13
Luk. 8:11
Luistert ú dan naar de gelijkenis van de zaaier.

19Als iemand het Woord van het

13:19
Matt. 4:23
Koninkrijk hoort en het niet begrijpt, dan komt de boze en rukt weg wat in zijn hart gezaaid was; dat is hij bij wie langs de weg gezaaid is.

20Maar bij wie op de steenachtige grond gezaaid is, dat is hij die het Woord hoort en dat meteen met vreugde ontvangt.

21Hij heeft echter geen wortel in zichzelf, maar hij is iemand van het ogenblik; en als er verdrukking of vervolging komt omwille van het Woord, struikelt hij meteen.

22

13:22
Matt. 19:23
Mark. 10:23
Luk. 18:24
1 Tim. 6:9
En bij wie in de dorens gezaaid is, dat is hij die het Woord hoort; maar de zorgen van deze wereld en de verleiding van de rijkdom verstikken het Woord, en het wordt onvruchtbaar.

23Bij wie in de goede aarde gezaaid is, dat is hij die het Woord hoort en begrijpt, die ook vrucht draagt en voortbrengt, de één honderd-, de ander zestig-, en de ander dertigvoudig.

Het onkruid tussen de tarwe

24Een andere gelijkenis hield Hij hun voor. Hij zei: Het Koninkrijk der hemelen is gelijk aan iemand die goed zaad zaaide in zijn akker.

25Maar toen de mensen sliepen, kwam zijn vijand en zaaide onkruid tussen de tarwe, en ging weg.

26Toen het gewas opkwam en vrucht voortbracht, kwam ook het onkruid tevoorschijn.

27De dienaren van de heer des huizes gingen naar hem toe en zeiden: Heer, hebt u niet goed zaad in uw akker gezaaid? Waar komt dan dit onkruid vandaan?

28Hij zei tegen hen: Een vijandig mens heeft dat gedaan. De dienaren zeiden tegen hem: Wilt u dan dat wij erheen gaan en het verzamelen?

29Maar hij zei: Nee, opdat u bij het verzamelen van het onkruid niet misschien tegelijk ook de tarwe zelf uittrekt.

30Laat ze allebei samen tot de oogst opgroeien, en in de oogsttijd zal ik tegen de maaiers zeggen: Verzamel eerst het onkruid en bind het in bossen om het te verbranden,

13:30
Matt. 3:12
maar breng de tarwe bijeen in mijn schuur.

Het mosterdzaad en het zuurdeeg

31Een andere gelijkenis hield Hij hun voor. Hij zei:

13:31
Mark. 4:30
Luk. 13:18
Het Koninkrijk der hemelen is gelijk aan een mosterdzaad, dat iemand nam en in zijn akker zaaide.

32Dat is wel het kleinste van al de zaden, maar als het opgegroeid is, is het het grootste van de tuingewassen en het wordt een boom, zodat de vogels in de lucht een nest komen maken in zijn takken.

33Een andere gelijkenis sprak Hij tot hen:

13:33
Luk. 13:20,21
Het Koninkrijk der hemelen is gelijk aan zuurdeeg, dat een vrouw nam en in drie maten meel verborg, totdat het helemaal doorzuurd was.

34

13:34
Mark. 4:33
Al deze dingen sprak Jezus tot de menigte door gelijkenissen, en zonder gelijkenis sprak Hij tot hen niet,

35opdat vervuld zou worden wat gesproken is door de profeet, toen hij zei:

13:35
Ps. 78:2
Ik zal Mijn mond opendoen met gelijkenissen; Ik zal over dingen spreken die verborgen waren vanaf de grondlegging van de wereld.

Uitleg van de gelijkenis van het onkruid

36Toen Jezus de menigte had laten weggaan, ging Hij naar huis. En Zijn discipelen kwamen bij Hem en zeiden: Verklaar ons de gelijkenis van het onkruid op de akker.

37Hij antwoordde en zei tegen hen: Hij die het goede zaad zaait, is de Zoon des mensen.

38De akker is de wereld, het goede zaad zijn de kinderen van het Koninkrijk en het onkruid zijn de kinderen van de boze.

39De vijand die het gezaaid heeft, is de duivel;

13:39
Joël 3:13
Openb. 14:15
de oogst is de voleinding van de wereld en de maaiers zijn engelen.

40Zoals dan het onkruid verzameld en met vuur verbrand wordt, zo zal het ook zijn bij de voleinding van deze wereld:

41de Zoon des mensen zal Zijn engelen uitzenden, en zij zullen uit Zijn Koninkrijk verzamelen alle struikelblokken, en hen die de wetteloosheid doen,

42en zij zullen hen in de vurige oven werpen;

13:42
Matt. 8:12
22:13
24:51
25:30
Luk. 13:28
daar zal gejammer zijn en tandengeknars.

43

13:43
Dan. 12:3
1 Kor. 15:42
Dan zullen de rechtvaardigen stralen als de zon, in het Koninkrijk van hun Vader. Wie oren heeft om te horen, laat hij horen.

De schat in de akker en de parel van grote waarde

44Het Koninkrijk der hemelen is ook gelijk aan een schat, in de akker verborgen, die iemand vond en verborg; en van blijdschap daarover

13:44
Filipp. 3:7
gaat hij heen en verkoopt alles wat hij heeft, en koopt die akker.

45Ook is het Koninkrijk der hemelen gelijk aan een koopman die mooie parels zoekt.

46Toen hij één parel van grote waarde gevonden had, ging hij heen en verkocht alles wat hij had, en hij kocht hem.

Het visnet

47Het Koninkrijk der hemelen is ook gelijk aan een net, uitgeworpen in de zee, dat allerlei soorten vissen bijeenbrengt.

48Als het vol geworden is, trekken de vissers het op de oever. Ze gaan zitten en verzamelen de goede vissen in vaten, maar de slechte gooien zij weg.

49Zo zal het bij de voleinding van de wereld zijn: de engelen zullen uitgaan en de slechten uit het midden van de rechtvaardigen afzonderen,

50en zij zullen hen in de vurige oven werpen;

13:50
Vers 42
daar zal gejammer zijn en tandengeknars.

51Jezus zei tegen hen: Hebt u dit alles begrepen? Zij zeiden tegen Hem: Ja, Heere.

52Hij zei tegen hen: Daarom, iedere schriftgeleerde, in het Koninkrijk der hemelen onderwezen, is gelijk aan een heer des huizes die uit zijn voorraad nieuwe en oude dingen tevoorschijn haalt.

Jezus in Nazareth verworpen

53

13:53
Mark. 6:1
Luk. 4:16
En toen Jezus deze gelijkenissen geëindigd had, gebeurde het dat Hij vandaar vertrok.

54En Hij kwam in Zijn vaderstad en onderwees hen in hun synagoge, zodat zij versteld stonden en zeiden:

13:54
Mark. 6:2
Waar heeft Deze die wijsheid en krachten vandaan?

55

13:55
Joh. 6:42
Is Dit niet de Zoon van de timmerman? En heet Zijn moeder niet Maria, en Zijn broers Jakobus en Joses, en Simon en Judas?

56En Zijn zusters, zijn zij niet allen onder ons? Waar heeft Deze dan dit alles vandaan?

57En zij namen aanstoot aan Hem. Maar Jezus zei tegen hen:

13:57
Mark. 6:4
Luk. 4:24
Joh. 4:44
Een profeet is niet ongeëerd, behalve in zijn vaderstad en in zijn huis.

58En Hij deed daar niet veel krachten vanwege hun ongeloof.

14

De dood van Johannes de Doper

141In

14:1
Mark. 6:14
Luk. 9:7
die tijd hoorde Herodes, de viervorst, het gerucht over Jezus,

2en hij zei tegen zijn knechten: Dat is Johannes de Doper; hij is opgewekt uit de doden, en daarom zijn die krachten werkzaam in hem.

3

14:3
Mark. 6:17
Luk. 3:19
Herodes had Johannes immers gevangengenomen, hem geboeid en in de gevangenis gezet, vanwege Herodias, de vrouw van zijn broer Filippus,

4want Johannes had tegen hem gezegd:

14:4
Lev. 18:16
Het is u niet geoorloofd haar te hebben.

5En hij wilde hem doden, maar hij was bevreesd voor de menigte,

14:5
Matt. 21:26
omdat zij hem voor een profeet hielden.

6Maar toen

14:6
Gen. 40:20
Mark. 6:21
de verjaardag van Herodes gevierd werd, danste de dochter van Herodias in hun midden, en zij behaagde Herodes.

7

14:7
Richt. 11:30
Daarom beloofde hij haar met een eed dat hij haar zou geven wat zij ook maar vragen zou.

8En daartoe opgestookt door haar moeder, zei ze: Geef mij hier op een schotel het hoofd van Johannes de Doper.

9En de koning werd bedroefd, maar omwille van de eden en om hen die met hem aanlagen, gaf hij bevel dat het haar gegeven zou worden;

10en hij stuurde iemand en liet Johannes in de gevangenis onthoofden.

11En zijn hoofd werd op een schotel gebracht en aan het meisje gegeven, en zij bracht het bij haar moeder.

12En zijn discipelen kwamen, namen het lichaam weg en begroeven het; zij gingen heen en berichtten het Jezus.

De eerste wonderbare spijziging

13

14:13
Matt. 12:15
Mark. 6:31
Luk. 9:10
En toen Jezus dit hoorde, vertrok Hij vandaar met een schip naar een eenzame plaats, alleen; en de menigte, die dat hoorde, volgde Hem te voet vanuit de steden.

14

14:14
Joh. 6:5
En toen Jezus uit het schip ging, zag Hij een grote menigte, en Hij
14:14
Matt. 9:36
was innerlijk met ontferming bewogen over hen en genas hun zieken.

15

14:15
Mark. 6:35
Luk. 9:12
Toen het avond werd, kwamen Zijn discipelen naar Hem toe en zeiden: Deze plaats is eenzaam en de tijd is nu verstreken; stuur de menigte weg, zodat zij naar de dorpen kunnen gaan om voor zichzelf voedsel te kopen.

16Jezus zei echter tegen hen: Het is niet nodig dat zij weggaan, geeft u hun te eten.

17Maar zij zeiden tegen Hem: Wij hebben hier niets dan vijf broden en twee vissen.

18Hij zei: Breng ze hier bij Mij.

19En Hij gaf de menigte opdracht op het gras te gaan zitten; en Hij nam de vijf broden en de twee vissen, en terwijl Hij opkeek naar de hemel,

14:19
1 Sam. 9:13
zegende Hij ze. En toen Hij ze gebroken had, gaf Hij de broden aan de discipelen, en de discipelen gaven ze aan de menigte.

20En zij aten allen en werden verzadigd, en ze raapten het overschot van de stukken brood op, twaalf manden vol.

21Zij die gegeten hadden, waren ongeveer vijfduizend mannen, de vrouwen en de kinderen niet meegeteld.

Jezus wandelt op de zee

22

14:22
Mark. 6:45
Joh. 6:17
En meteen dwong Jezus Zijn discipelen in het schip te gaan en voor Hem uit te varen naar de overkant, terwijl Hij de menigte weg zou sturen.

23

14:23
Mark. 6:46
Joh. 6:15
En toen Hij de menigte weggestuurd had, klom Hij de berg op om er in afzondering te bidden. Toen het avond was geworden, was Hij daar alleen.

24Het schip was al midden op de zee en verkeerde in nood door de golven, want ze hadden de wind tegen.

25Maar in de vierde nachtwake kwam Jezus naar hen toe, lopend over de zee.

26En toen de discipelen Hem over de zee zagen lopen, raakten zij in verwarring en zeiden: Het is een spook! En zij schreeuwden van angst.

27Maar meteen sprak Jezus hen aan en zei: Heb goede moed, Ik ben het; wees niet bevreesd.

28Petrus antwoordde Hem en zei: Heere, als U het bent, geef mij dan bevel over het water naar U toe te komen.

29Hij zei: Kom! En Petrus klom uit het schip en liep op het water om bij Jezus te komen.

30Maar toen hij op de sterke wind lette, werd hij bevreesd, en toen hij begon te zinken, riep hij: Heere, red mij!

31Jezus stak meteen Zijn hand uit, greep hem vast en zei tegen hem: Kleingelovige, waarom hebt u getwijfeld?

32En toen zij in het schip geklommen waren, ging de wind liggen.

33Zij die in het schip waren, kwamen Hem aanbidden en zeiden: Werkelijk, U bent de Zoon van God!

34En

14:34
Mark. 6:53
toen zij overgevaren waren, kwamen zij in het land Gennesaret.

35En toen de mannen van die plaats Hem herkenden, stuurden ze bericht rond in heel die streek en brachten allen bij Hem die er slecht aan toe waren;

36en zij smeekten Hem alleen maar de zoom van Zijn bovenkleed te mogen aanraken. En allen die Hem aanraakten, werden gezond.