Herziene Statenvertaling (HSV)
2

Strafprediking tegen de priesters

21Nu dan, tot u komt dit gebod, priesters!

2Als u niet luistert en als u het niet ter harte neemt om Mijn Naam eer te geven, zegt de HEERE van de legermachten, zal Ik de

2:2
Lev. 26:14
Deut. 28:15
vloek onder u zenden en uw zegeningen vervloeken. Ja, Ik heb ze al vervloekt, want u neemt het niet ter harte.

3Zie, Ik ga uw nageslacht bestraffen:

Ik zal mest op uw gezicht strooien,

de mest van uw feesten,

en daarmee zal men u wegdragen.

4Dan zult u weten dat Ik dit gebod

tot u gezonden heb,

opdat Mijn verbond met Levi blijven zou,

zegt de HEERE van de legermachten.

5Mijn verbond met hem was:

het leven en de vrede.

Die gaf Ik hem, tot vrees voor Mij,

en hij vreesde Mij

en in de tegenwoordigheid van Mijn Naam

was hij verschrikt.

6Betrouwbaar onderwijs in de wet was in zijn mond,

geen ongerechtigheid werd op zijn lippen gevonden.

In vrede en oprechtheid wandelde hij met Mij

en velen bekeerde hij van ongerechtigheid.

7Voorzeker, de lippen van een priester moeten kennis bewaren,

uit zijn mond moet men onderwijs in de wet zoeken,

want hij is een gezant van de HEERE van de legermachten.

8U echter, u bent afgeweken van de weg:

velen hebt u door uw onderwijs in de wet doen struikelen.

U hebt het verbond met Levi tenietgedaan,

zegt de HEERE van de legermachten.

9Daarom heb Ik ook u verachtelijk gemaakt

en onbeduidend voor heel het volk,

want u neemt Mijn wegen niet in acht

en ziet bij uw onderwijs in de wet de persoon aan.2:9 ziet de persoon aan - Letterlijk: u heft aangezichten op.

Volkszonden

10Hebben wij niet allen één Vader? Heeft niet één God ons geschapen? Waarom handelen wij dan trouweloos, eenieder tegen zijn broeder, door het verbond met onze vaderen te ontheiligen?

11Juda handelt trouweloos en er wordt een gruweldaad begaan in Israël en in Jeruzalem. Want Juda ontheiligt het heilige van de HEERE, dat Hij liefheeft: hij is met de dochter van een vreemde god getrouwd.

12Moge de HEERE eenieder die dat doet, uitroeien uit de tenten van Jakob, wie waakt en wie antwoordt, zelfs wie een graanoffer brengt aan de HEERE van de legermachten.

13In de tweede plaats doet u dit:

het altaar van de HEERE bedekken met tranen,

met geween en gekerm,

omdat Hij Zich niet langer tot het graanoffer wendt

en dat in welgevallen uit uw hand aanneemt.

14Dan zegt u: Waarom?

Omdat de HEERE Getuige is tussen u

en de vrouw van uw jeugd,

tegen wie ú trouweloos handelt,

terwijl zíj toch uw metgezellin

en de vrouw van uw verbond is.

15Heeft Hij er niet maar één gemaakt,

hoewel Hij nog geest overhad?

En waarom die ene?

Hij zocht een goddelijk nageslacht.

Daarom, wees op uw hoede met uw geest,

en handel niet trouweloos tegen de vrouw van uw jeugd.

16Want de HEERE, de God van Israël, zegt

dat Hij het wegsturen van de eigen vrouw haat,

hoewel men het geweld bedekt met zijn gewaad,

zegt de HEERE van de legermachten.

Wees dus op uw hoede met uw geest

en handel niet trouweloos.

17U vermoeit de HEERE met uw woorden,

toch zegt u: Waarmee vermoeien wij Hem?

Doordat u zegt: Iedereen die kwaad doet,

is in de ogen van de HEERE goed,

Híj is hun genegen.

Of: Waar is de God van het oordeel?