Herziene Statenvertaling (HSV)
1

Opschrift

11Een last,1:1 Een last - Dat wil zeggen: een woord van God dat de profeet als een last is opgelegd. het woord van de HEERE tot Israël, door de dienst van Maleachi.

Israëls ondankbaarheid

2Ik heb u liefgehad, zegt de HEERE,

maar u zegt: Waarin hebt U ons liefgehad?

Was Ezau niet de broer van Jakob? spreekt de HEERE.

1:2
Rom. 9:13
Toch heb Ik Jakob liefgehad,

3en Ezau heb Ik gehaat.

Ik heb zijn bergen gemaakt tot een woestenij,

en zijn erfelijk bezit prijsgegeven aan de jakhalzen van de woestijn.

4Hoewel Edom zegt: Als wij verwoest worden,

bouwen wij de puinhopen weer op,

zegt de HEERE van de legermachten dit:

Zullen zíj bouwen, dan zal Ík afbreken,

en men zal hen noemen: Goddeloos gebied,

en: Het volk waarop de HEERE tot in eeuwigheid toornig is.

5Uw eigen ogen zullen het zien,

en u zult zelf zeggen: Groot is de HEERE,

tot over de grenzen van Israël!

Bestraffing vanwege onheilige offers

6Een zoon eert zijn vader en een slaaf zijn heer. Als Ik dan een Vader ben, waar is de eerbied voor Mij? En als Ik een Heer ben, waar is de vrees voor Mij? zegt de HEERE van de legermachten tegen u, priesters die Mijn Naam verachten. Maar u zegt: Waardoor verachten wij Uw Naam?

7Doordat u onrein brood op Mijn altaar brengt. En u zegt: Waardoor maken wij U onrein? Doordat u zegt: De tafel van de HEERE, die is verachtelijk.

8En als u een blind dier ten offer brengt: Dat is niet erg! En als u een kreupel of ziek dier ten offer brengt: Dat is niet erg! Bied het maar eens aan uw landvoogd aan. Zou hij u goedgezind zijn of u ter wille zijn?1:8 u ter wille zijn - Letterlijk: uw gezicht verheffen; zie ook vers 9. Dit zegt de HEERE van de legermachten.

9Nu dan, tracht toch het aangezicht van God gunstig te stemmen, dat Hij ons genadig zal zijn. Dit gebeurt door uw hand: zou Hij u ter wille zijn? zegt de HEERE van de legermachten.

10Was er ook maar iemand onder u die de deuren zou sluiten, dan zou u niet zonder reden Mijn altaar aansteken. Ik heb geen welgevallen in u, zegt de HEERE van de legermachten,

1:10
Jes. 1:11
Jer. 6:20
Amos 5:21,22
en een graanoffer uit uw hand aanvaard Ik niet.

11Want vanwaar de zon opkomt tot waar hij ondergaat, zal Mijn Naam groot zijn onder de heidenvolken; in elke plaats zal aan Mijn Naam een reukoffer gebracht worden, en een rein graanoffer. Voorzeker, Mijn Naam zal groot zijn onder de heidenvolken, zegt de HEERE van de legermachten.

12Maar u ontheiligt hem, wanneer u zegt: De tafel van de Heere, die is onrein, en wat zij oplevert, haar voedsel, is verachtelijk.

13Verder zegt u: Zie, wat een vermoeienis! Maar u zou het kunnen wegblazen, zegt de HEERE van de legermachten. U brengt wat geroofd, kreupel en ziek is. Als u dat graanoffer brengt, zou Ik dat uit uw hand aanvaarden? zegt de HEERE.

14Ja, vervloekt is de bedrieger die een mannetjesdier in zijn kudde heeft, en een gelofte doet, maar aan de Heere offert wat geschonden is! Voorzeker, Ik ben een groot Koning, zegt de HEERE van de legermachten, en Mijn Naam is ontzagwekkend onder de volken.

2

Strafprediking tegen de priesters

21Nu dan, tot u komt dit gebod, priesters!

2Als u niet luistert en als u het niet ter harte neemt om Mijn Naam eer te geven, zegt de HEERE van de legermachten, zal Ik de

2:2
Lev. 26:14
Deut. 28:15
vloek onder u zenden en uw zegeningen vervloeken. Ja, Ik heb ze al vervloekt, want u neemt het niet ter harte.

3Zie, Ik ga uw nageslacht bestraffen:

Ik zal mest op uw gezicht strooien,

de mest van uw feesten,

en daarmee zal men u wegdragen.

4Dan zult u weten dat Ik dit gebod

tot u gezonden heb,

opdat Mijn verbond met Levi blijven zou,

zegt de HEERE van de legermachten.

5Mijn verbond met hem was:

het leven en de vrede.

Die gaf Ik hem, tot vrees voor Mij,

en hij vreesde Mij

en in de tegenwoordigheid van Mijn Naam

was hij verschrikt.

6Betrouwbaar onderwijs in de wet was in zijn mond,

geen ongerechtigheid werd op zijn lippen gevonden.

In vrede en oprechtheid wandelde hij met Mij

en velen bekeerde hij van ongerechtigheid.

7Voorzeker, de lippen van een priester moeten kennis bewaren,

uit zijn mond moet men onderwijs in de wet zoeken,

want hij is een gezant van de HEERE van de legermachten.

8U echter, u bent afgeweken van de weg:

velen hebt u door uw onderwijs in de wet doen struikelen.

U hebt het verbond met Levi tenietgedaan,

zegt de HEERE van de legermachten.

9Daarom heb Ik ook u verachtelijk gemaakt

en onbeduidend voor heel het volk,

want u neemt Mijn wegen niet in acht

en ziet bij uw onderwijs in de wet de persoon aan.2:9 ziet de persoon aan - Letterlijk: u heft aangezichten op.

Volkszonden

10Hebben wij niet allen één Vader? Heeft niet één God ons geschapen? Waarom handelen wij dan trouweloos, eenieder tegen zijn broeder, door het verbond met onze vaderen te ontheiligen?

11Juda handelt trouweloos en er wordt een gruweldaad begaan in Israël en in Jeruzalem. Want Juda ontheiligt het heilige van de HEERE, dat Hij liefheeft: hij is met de dochter van een vreemde god getrouwd.

12Moge de HEERE eenieder die dat doet, uitroeien uit de tenten van Jakob, wie waakt en wie antwoordt, zelfs wie een graanoffer brengt aan de HEERE van de legermachten.

13In de tweede plaats doet u dit:

het altaar van de HEERE bedekken met tranen,

met geween en gekerm,

omdat Hij Zich niet langer tot het graanoffer wendt

en dat in welgevallen uit uw hand aanneemt.

14Dan zegt u: Waarom?

Omdat de HEERE Getuige is tussen u

en de vrouw van uw jeugd,

tegen wie ú trouweloos handelt,

terwijl zíj toch uw metgezellin

en de vrouw van uw verbond is.

15Heeft Hij er niet maar één gemaakt,

hoewel Hij nog geest overhad?

En waarom die ene?

Hij zocht een goddelijk nageslacht.

Daarom, wees op uw hoede met uw geest,

en handel niet trouweloos tegen de vrouw van uw jeugd.

16Want de HEERE, de God van Israël, zegt

dat Hij het wegsturen van de eigen vrouw haat,

hoewel men het geweld bedekt met zijn gewaad,

zegt de HEERE van de legermachten.

Wees dus op uw hoede met uw geest

en handel niet trouweloos.

17U vermoeit de HEERE met uw woorden,

toch zegt u: Waarmee vermoeien wij Hem?

Doordat u zegt: Iedereen die kwaad doet,

is in de ogen van de HEERE goed,

Híj is hun genegen.

Of: Waar is de God van het oordeel?