Herziene Statenvertaling (HSV)
7

De hoofdman in Kapernaüm

71Nadat Hij al Zijn woorden beëindigd had ten aanhoren van het volk,

7:1
Matt. 8:5
ging Hij Kapernaüm binnen.

2En een dienaar van een zekere hoofdman over honderd, die hij zeer waardeerde, was ziek en lag op sterven.

3Toen hij over Jezus gehoord had, stuurde hij de oudsten van de Joden naar Hem toe en dezen vroegen Hem te komen en zijn dienaar gezond te maken.

4Toen die bij Jezus gekomen waren, smeekten zij Hem indringend en zeiden: Hij is het waard dat U dat voor hem doet,

5want hij heeft ons volk lief en heeft zelf de synagoge voor ons gebouwd.

6En Jezus ging met hen mee, maar toen Hij niet ver meer van het huis was, stuurde de hoofdman enkele vrienden naar Hem toe om tegen Hem te zeggen: Heere, doe geen moeite, want ik ben het niet waard dat U onder mijn dak komt.

7Daarom heb ik ook mijzelf niet waard geacht naar U toe te komen, maar spreek een woord en mijn knecht zal genezen zijn.

8Want ik ben ook iemand die onder gezag van anderen gesteld is, en heb zelf soldaten onder mij; ik zeg tegen de een: Ga! en hij gaat; en tegen de ander: Kom! en hij komt; en tegen mijn dienaar: Doe dat! en hij doet het.

9Toen Jezus dit hoorde, verwonderde Hij Zich over hem, en Hij keerde Zich om en zei tegen de menigte die Hem volgde: Ik zeg u: Ik heb zelfs in Israël zo'n groot geloof niet gevonden.

10En toen zij die gestuurd waren, in het huis teruggekeerd waren, vonden zij de zieke dienaar gezond.

De jongeman in Naïn

11En het gebeurde op de volgende dag dat Hij naar een stad ging die Naïn heette, en veel van Zijn discipelen en een grote menigte gingen met Hem mee.

12Toen Hij nu de poort van de stad naderde, ziedaar, er werd een dode uitgedragen. Hij was de enige zoon van zijn moeder, en zij was weduwe, en een grote menigte uit de stad was bij haar.

13En toen de Heere haar zag, was Hij innerlijk met ontferming bewogen over haar, en zei Hij tegen haar: Huil niet.

14En Hij ging naar de baar toe en raakte die aan (de dragers nu stonden stil) en Hij zei: Jongeman, Ik zeg u,

7:14
Hand. 9:40
sta op!

15En de dode ging overeind zitten en begon te spreken. En Hij gaf hem aan zijn moeder.

16En vrees greep hen allen aan en zij verheerlijkten God en zeiden:

7:16
Luk. 24:19
Joh. 4:19
6:14
9:17
Een groot Profeet is onder ons opgestaan; en:
7:16
Luk. 1:68
God heeft naar Zijn volk omgezien.

17En het gerucht over Hem ging rond in heel Judea en in heel de omgeving.

De vraag van Johannes de Doper

18

7:18
Matt. 11:2
En de discipelen van Johannes berichtten hem over al die dingen.

19En nadat Johannes twee van zijn discipelen bij zich geroepen had, stuurde hij hen naar Jezus met de vraag: Bent U het Die komen zou, of verwachten wij een ander?

20Toen de mannen bij Hem gekomen waren, zeiden zij: Johannes de Doper heeft ons naar U toe gestuurd met de vraag: Bent U Degene Die komen zou, of verwachten wij een ander?

21Op dat moment genas Hij velen van ziekten en aandoeningen en boze geesten; en aan veel blinden schonk Hij het gezichtsvermogen.

22En Jezus antwoordde en zei tegen hen: Ga heen en bericht Johannes wat u gezien en gehoord hebt, namelijk

7:22
Jes. 29:18
35:5
61:1
dat blinden ziende worden, kreupelen kunnen lopen, melaatsen gereinigd worden, doven kunnen horen, doden opgewekt worden en aan armen het Evangelie verkondigd wordt.

23En zalig is hij die aan Mij geen aanstoot neemt.

Jezus' getuigenis over Johannes

24

7:24
Matt. 11:7
Toen de boden van Johannes weggegaan waren, begon Hij tegen de menigte over Johannes te zeggen: Waar bent u in de woestijn naar gaan kijken? Naar een riet dat door de wind heen en weer bewogen wordt?

25Maar waar bent u dan naar gaan kijken? Naar iemand in kostbare kleren gekleed? Zie, zij die prachtige kleding dragen en in weelde leven, zijn in de paleizen.

26Maar waar bent u dan naar gaan kijken? Naar een profeet? Ja, Ik zeg u, zelfs naar veel meer dan een profeet.

27Deze is het over wie geschreven staat:

7:27
Mal. 3:1
Mark. 1:2
Zie, Ik zend Mijn engel voor Uw aangezicht, die voor U uit Uw weg gereed zal maken.

28Want Ik zeg u: Onder hen die uit vrouwen geboren zijn, is niemand een groter profeet dan Johannes de Doper, maar de minste in het Koninkrijk van God is groter dan hij.

29En heel het volk dat naar Hem luisterde, en de tollenaars die met de doop van Johannes gedoopt waren, rechtvaardigden God,

30maar de Farizeeën en de wetgeleerden verwierpen het raadsbesluit van God met betrekking tot zichzelf, omdat ze niet door hem gedoopt wilden worden.

31

7:31
Matt. 11:16
En de Heere zei: Met wie zal Ik dan de mensen van dit geslacht vergelijken en aan wie zijn zij gelijk?

32Zij zijn gelijk aan kinderen die op de markt zitten, en elkaar toeroepen en zeggen: Wij hebben voor jullie op de fluit gespeeld, maar jullie hebben niet gedanst; wij hebben klaagliederen voor jullie gezongen, maar jullie hebben niet gehuild.

33

7:33
Matt. 3:4
Mark. 1:6
Want Johannes de Doper is gekomen, hij at geen brood en hij dronk geen wijn, en u zegt: Hij heeft een demon.

34De Zoon des mensen is gekomen, Die wel at en dronk, en u zegt: Ziedaar, een vraatzuchtig mens en drinker, een vriend van tollenaars en zondaars.

35Maar de Wijsheid is gerechtvaardigd door al Haar kinderen.

De zalving bij Simon de Farizeeër

36

7:36
Matt. 26:6
Mark. 14:3
Joh. 11:2
12:3
En een van de Farizeeën vroeg of Hij bij hem kwam eten; en toen Hij het huis van de Farizeeër binnengegaan was, lag Hij aan.

37En zie, een vrouw in de stad die een zondares was, kwam te weten dat Hij in het huis van de Farizeeër aanlag, en zij bracht een albasten fles met zalf mee.

38En staande achter Zijn voeten, begon zij huilend Zijn voeten nat te maken met tranen, en zij droogde ze af met het haar van haar hoofd, en zij kuste Zijn voeten en zalfde ze met de zalf.

39Toen de Farizeeër die Hem uitgenodigd had, dat zag, zei hij bij zichzelf:

7:39
Luk. 15:2
Deze Man zou, als Hij een profeet was, wel weten wie en wat voor vrouw het is die Hem aanraakt, want zij is een zondares.

40Maar Jezus antwoordde en zei tegen hem: Simon, Ik heb u iets te zeggen. Hij zei: Meester, zeg het.

41Jezus zei: Een zekere schuldeiser had twee schuldenaars; de één was vijfhonderd penningen7:41 penningen - Letterlijk: denarie, dat is het dagloon van een arbeider. schuldig en de ander vijftig.

42Toen zij niets hadden om te betalen, schold hij het hun beiden kwijt. Zeg dan: Wie van hen zal hem meer liefhebben?

43Simon antwoordde en zei: Ik denk dat hij het is aan wie hij het meeste kwijtgescholden heeft. Hij zei tegen hem: U hebt juist geoordeeld.

44En Hij keerde Zich om naar de vrouw en zei tegen Simon: Ziet u deze vrouw? Ik ben in uw huis gekomen: water voor Mijn voeten hebt u niet gegeven, maar zij heeft Mijn voeten met tranen natgemaakt en met het haar van haar hoofd afgedroogd;

45u hebt Mij geen kus gegeven, maar vanaf het moment dat zij binnengekomen is, heeft zij niet opgehouden Mijn voeten te kussen;

46met olie hebt u Mijn hoofd niet gezalfd, maar zij heeft Mijn voeten met zalf gezalfd.

47Daarom zeg Ik u: Haar zonden, die veel waren, zijn haar vergeven, want zij heeft veel liefgehad; maar aan wie weinig vergeven wordt, die heeft weinig lief.

48En Hij zei tegen haar:

7:48
Matt. 9:2
Uw zonden zijn u vergeven.

49En zij die mee aanlagen, begonnen bij zichzelf te zeggen:

7:49
Matt. 9:3
Wie is Deze Die ook zonden vergeeft?

50Maar Hij zei tegen de vrouw: Uw geloof heeft u behouden; ga heen in vrede!

8

De dienende vrouwen

81En het gebeurde daarna dat Hij van stad tot stad en van dorp tot dorp trok en er predikte en het Evangelie van het Koninkrijk van God verkondigde. En de twaalf waren bij Hem,

2

8:2
Matt. 27:55,56
en sommige vrouwen die van boze geesten en ziekten genezen waren, namelijk Maria, die Magdalena genoemd werd,
8:2
Mark. 16:9
van wie zeven demonen uitgegaan waren,

3en Johanna, de vrouw van Chusas, de rentmeester van Herodes, en Susanna en vele anderen, die Hem dienden met hun eigen bezittingen.

De zaaier

4

8:4
Matt. 13:3
Mark. 4:2
Toen nu een grote menigte bijeenkwam en ze van alle steden naar Hem toe kwamen, zei Hij met een gelijkenis:

5Een zaaier ging eropuit om zijn zaad te zaaien. En toen hij zaaide, viel het ene deel langs de weg, en het werd vertrapt en de vogels in de lucht aten het op.

6En een ander deel viel op de rots, en toen het opgegroeid was, verdorde het door gebrek aan vocht.

7En een ander deel viel te midden van de dorens, en de dorens, die mee opgroeiden, verstikten het.

8En een ander deel viel in de goede aarde en toen het opgegroeid was, bracht het honderdvoudige vrucht voort. Toen Hij dit gezegd had, riep Hij: Wie oren heeft om te horen, laat hij horen.

9

8:9
Matt. 13:10
Mark. 4:10
En Zijn discipelen vroegen Hem: Wat betekent deze gelijkenis?

10Hij zei: Aan u is het

8:10
2 Kor. 3:5
gegeven de geheimenissen van het Koninkrijk van God te kennen,
8:10
Matt. 11:25
2 Kor. 3:14
maar tot de anderen spreek Ik in gelijkenissen,
8:10
Jes. 6:9
Ezech. 12:2
Matt. 13:14
Mark. 4:12
Joh. 12:40
Hand. 28:26
Rom. 11:8
opdat zij niet zien, ook al zien zij, en niet begrijpen, ook al horen zij.

11

8:11
Matt. 13:18
Mark. 4:13
Dit is de gelijkenis: Het zaad is het Woord van God.

12Zij bij wie langs de weg gezaaid wordt, zijn zij die het horen; maar daarna komt de duivel en neemt het Woord uit hun hart weg, opdat zij niet geloven en zalig worden.

13

8:13
Matt. 13:20
Mark. 4:16
Zij bij wie op de rots gezaaid wordt, zijn zij die het Woord met vreugde ontvangen, wanneer zij het gehoord hebben. Maar dezen, die maar voor een bepaalde tijd geloven, hebben geen wortel, en in een tijd van verzoeking worden zij afvallig.

14En bij wie het zaad in de dorens valt, dat zijn zij die het hebben gehoord, maar die gaandeweg door de zorgen en rijkdom en genietingen van het leven

8:14
Matt. 19:23
Mark. 10:23
Luk. 18:24
1 Tim. 6:9
verstikt worden en geen vrucht dragen.

15En waar het zaad in de goede aarde valt, dat zijn zij die het Woord horen, het in een oprecht en goed hart vasthouden, en in volharding vruchten voortbrengen.

Het licht op de kandelaar

16

8:16
Matt. 5:15
Mark. 4:21
Luk. 11:33
En niemand die een lamp aansteekt, plaatst er een vat overheen of zet hem onder een bed, maar hij zet hem op een standaard, opdat zij die binnenkomen, het licht kunnen zien.

17

8:17
Job 12:22
Matt. 10:26
Mark. 4:22
Luk. 12:2
Want er is niets verborgen wat niet openbaar zal worden; en er is niets geheim wat niet bekend zal worden en in de openbaarheid komen.

18Let er dan op hoe u luistert,

8:18
Matt. 13:12
25:29
Mark. 4:25
Luk. 19:26
want wie heeft, aan hem zal gegeven worden; en wie niet heeft, ook wat hij denkt te hebben, zal van hem afgenomen worden.

De echte familie van Jezus

19

8:19
Matt. 12:46
13:55
Mark. 3:31
Zijn moeder en Zijn broers kwamen naar Hem toe, maar zij konden niet bij Hem komen vanwege de menigte.

20En sommigen berichtten Hem: Uw moeder en Uw broers staan buiten en willen U zien.

21Maar Hij antwoordde en zei tegen hen:

8:21
Joh. 15:14
2 Kor. 5:16
Mijn moeder en Mijn broeders zijn dezen, die het Woord van God horen en dat doen.

De storm gestild

22

8:22
Matt. 8:23
Mark. 4:35,36
Het gebeurde op een van die dagen dat Hij met Zijn discipelen aan boord van een schip ging. En Hij zei tegen hen: Laten wij overvaren naar de overkant van het meer. En zij voeren weg.

23Toen zij voeren, viel Hij in slaap. En er viel een stormwind neer op het meer, en hun schip liep vol water8:23 en hun schip liep vol water - Letterlijk: en zij liepen vol. en zij waren in nood.

24Zij gingen naar Hem toe, wekten Hem en zeiden: Meester, Meester, wij vergaan! Toen stond Hij op en bestrafte de wind en de golven. En ze gingen liggen en er kwam stilte.

25Hij zei tegen hen: Waar is uw geloof? Maar zij waren bevreesd en verwonderden zich, en zij zeiden tegen elkaar:

8:25
Job 26:12
Ps. 107:25
Wie is Deze toch, dat Hij ook de winden en het water bevel geeft en ze Hem gehoorzaam zijn?

De Gadareense bezetene

26

8:26
Matt. 8:28
Mark. 5:1
En zij voeren verder naar het land van de Gadarenen, dat tegenover Galilea ligt.

27Toen Hij aan land gegaan was, kwam een man uit de stad Hem tegemoet, die al lange tijd door demonen bezeten was. Hij had geen kleren aan en verbleef niet in een huis, maar in de grafspelonken.

28Toen hij Jezus zag, viel hij schreeuwend voor Hem neer en zei met luide stem: Wat heb ik met U te maken, Jezus, Zoon van God, de Allerhoogste? Ik bid U dat U mij niet pijnigt.

29Want Hij had de onreine geest bevolen van de man uit te gaan. Die had hem namelijk vele malen aangegrepen, en men had hem met ketenen en met boeien gebonden om hem in bewaring te houden, maar hij verbrak de boeien en werd door de demon naar de woeste plaatsen gedreven.

30Jezus vroeg hem: Wat is uw naam? Hij zei: Legio; want er waren veel demonen in hem gegaan.

31En zij smeekten Hem dat Hij hun niet zou bevelen in de afgrond te gaan.

32En er was daar een grote kudde varkens aan het weiden op de berg. Zij smeekten Hem dat Hij hun zou toestaan daarin te gaan. En Hij stond het hun toe.

33En de demonen gingen uit de man weg en gingen in de varkens; en de kudde stortte van de steilte af het meer in, en verdronk.

34Toen zij die hen weidden, zagen wat er gebeurd was, vluchtten zij en berichtten het in de stad en op het land.

35Ze gingen op weg om te zien wat er gebeurd was, en ze kwamen bij Jezus en vonden de man van wie de demonen uitgegaan waren, zittend aan de voeten van Jezus, gekleed en goed bij zijn verstand; en ze werden bevreesd.

36En ook zij die het gezien hadden, vertelden hun hoe de bezetene verlost was.

37En heel de menigte uit de omgeving van het land van de Gadarenen vroeg Hem

8:37
Hand. 16:39
van hen weg te gaan, want zij waren met grote vrees bevangen. Hij ging in het schip en keerde terug.

38

8:38
Mark. 5:18
De man van wie de demonen uitgegaan waren, bad Hem of hij bij Hem mocht blijven, maar Jezus stuurde hem weg en zei:

39Keer terug naar uw huis en vertel wat voor grote dingen God aan u gedaan heeft. En hij ging heel de stad door en verkondigde wat voor grote dingen Jezus aan hem gedaan had.

Het dochtertje van Jaïrus en de bloedvloeiende vrouw

40Het gebeurde, toen Jezus terugkeerde, dat de menigte Hem ontving, want ze waren allen op Hem blijven wachten.

41

8:41
Matt. 9:18
Mark. 5:22
En zie, er kwam een man, van wie de naam Jaïrus was. Hij was een leidinggevende in de synagoge. Hij viel aan de voeten van Jezus en smeekte Hem naar zijn huis te komen.

42Hij had namelijk één kind, een dochter van ongeveer twaalf jaar, en die lag op sterven. Toen Hij erheen ging, drong de menigte zich om Hem heen.

43

8:43
Matt. 9:20
Mark. 5:25
En een vrouw die al twaalf jaar
8:43
Lev. 15:25
bloedvloeiingen had en die al haar bezit aan dokters uitgegeven had, maar door niemand genezen had kunnen worden,

44kwam van achteren naar Hem toe en raakte de zoom van Zijn bovenkleed aan; en onmiddellijk hield het vloeien van haar bloed op.

45En Jezus zei: Wie is het die Mij heeft aangeraakt? Toen zij het allen ontkenden, zeiden Petrus en die bij hem waren: Meester, de menigte duwt tegen U aan en verdringt U, en U zegt: Wie is het die Mij aangeraakt heeft?

46Jezus zei: Iemand heeft Mij aangeraakt, want Ik heb gemerkt dat er kracht van Mij uitgegaan is.

47Toen de vrouw zag dat zij niet onopgemerkt was, kwam zij bevend naar Hem toe, en nadat zij voor Hem neergevallen was, vertelde zij voor heel het volk om welke reden zij Hem aangeraakt had en dat zij onmiddellijk genezen was.

48Hij zei tegen haar: Heb goede moed, dochter, uw geloof heeft u behouden; ga heen in vrede!

49

8:49
Mark. 5:35
Terwijl Hij nog sprak, kwam er iemand van het huis van het hoofd van de synagoge en zei tegen hem: Uw dochter is gestorven; val de Meester niet lastig.

50Maar toen Jezus dat hoorde, antwoordde Hij hem: Wees niet bevreesd, geloof alleen, en zij zal behouden worden.

51Toen Hij in het huis gekomen was, liet Hij niemand binnenkomen dan Petrus, Jakobus, Johannes, en de vader en de moeder van het kind.

52Allen huilden luid en bedreven rouw over haar. Hij zei: Huil niet; zij is niet gestorven,

8:52
Joh. 11:11
maar zij slaapt.

53En zij lachten Hem uit, omdat zij wisten dat zij gestorven was.

54Maar toen Hij hen allen naar buiten gestuurd had, pakte Hij haar hand en riep: Kind, sta op!

55En haar geest keerde terug en zij stond onmiddellijk op; en Hij gaf opdracht dat men haar te eten zou geven.

56En haar ouders waren buiten zichzelf, en Hij beval hun dat zij niemand zouden zeggen wat er gebeurd was.

9

De uitzending van de twaalf

91Hij riep

9:1
Matt. 10:1
Mark. 3:13
6:7
Luk. 6:13
Zijn twaalf discipelen bijeen en gaf aan hen kracht en macht over alle demonen, en om ziekten te genezen,

2

9:2
Matt. 10:7
en Hij zond hen op weg om het Koninkrijk van God te prediken en de zieken te genezen.

3En Hij zei tegen hen:

9:3
Matt. 10:9
Mark. 6:8
Luk. 22:35
Neem niets mee voor onderweg: geen staf, geen reiszak, geen brood, geen geld. Ook mag niemand van u twee stel onderkleren bij zich hebben.

4En welk huis u ook zult binnengaan, blijf daar en vertrek van daaruit.

5

9:5
Matt. 10:14
Mark. 6:11
Luk. 10:11
Hand. 13:51
18:6
En als ze u niet zullen ontvangen, vertrek dan uit die stad en schud ook het stof af van uw voeten, tot een getuigenis tegen hen.

6Zij vertrokken en reisden door alle dorpen, en zij verkondigden het Evangelie en genazen overal de zieken.

Herodes wil Jezus zien

7

9:7
Matt. 14:1
Mark. 6:14
Herodes, de viervorst, hoorde al de dingen die door Hem gebeurden. En hij verkeerde in onzekerheid, omdat door sommigen gezegd werd dat Johannes uit de doden was opgewekt,

8en door anderen dat Elia verschenen was, en door weer anderen dat een van de oude profeten opgestaan was.

9En Herodes zei: Johannes heb ik onthoofd. Wie is Deze dan over Wie ik zulke dingen hoor? En hij probeerde Hem te zien te krijgen.

De eerste wonderbare spijziging

10

9:10
Mark. 6:30
En toen de apostelen teruggekeerd waren, vertelden zij Hem alles wat zij gedaan hadden.
9:10
Matt. 14:13
Mark. 6:31,32
Hij nam hen mee en vertrok, alleen met hen, naar een eenzame plaats bij een stad die Bethsaïda heette.

11Toen de menigte dat merkte, volgden zij Hem. Hij ontving hen en sprak tot hen over het Koninkrijk van God; en hen die genezing nodig hadden, maakte Hij gezond.

12

9:12
Matt. 14:15
Mark. 6:35
Joh. 6:5
De dag begon te dalen. De twaalf kwamen naar Hem toe en zeiden tegen Hem: Stuur de menigte weg, opdat zij naar de omliggende dorpen en gehuchten gaan om onderdak en voedsel te vinden, want wij zijn hier op een eenzame plaats.

13

9:13
Matt. 14:16
Mark. 6:37
Joh. 6:9
Maar Hij zei tegen hen: Geeft u hun te eten. Zij zeiden: Wij hebben niet meer dan vijf broden en twee vissen, of wij zouden voor al dit volk voedsel moeten gaan kopen.

14Er waren namelijk ongeveer vijfduizend mannen. Maar Hij zei tegen Zijn discipelen: Laat hen gaan zitten in groepen, elk van vijftig.

15En zij deden dat en lieten allen plaatsnemen.

16En nadat Hij de vijf broden en de twee vissen genomen had, keek Hij op naar de hemel,

9:16
1 Sam. 9:13
en Hij zegende ze, brak ze en gaf ze aan de discipelen om aan de menigte voor te zetten.

17En zij aten en werden allen verzadigd. Wat zij overhadden van de stukken brood, werd opgeraapt: twaalf manden.

De belijdenis van Petrus

18

9:18
Matt. 16:13
Mark. 8:27
En het gebeurde, toen Hij in persoonlijk gebed was, dat de discipelen in Zijn nabijheid waren. En Hij vroeg hun: Wie zeggen de menigten dat Ik ben?

19Zij antwoordden en zeiden:

9:19
Matt. 14:2
Johannes de Doper, en anderen: Elia, en weer anderen dat een van de oude profeten opgestaan is.

20Hij zei tegen hen: Maar u, wie zegt u dat Ik ben? Petrus antwoordde en zei:

9:20
Joh. 6:69
De Christus van God.

Eerste aankondiging van het lijden

21En Hij sprak hen streng toe en beval dat zij dit tegen niemand zeggen zouden.

22Hij zei:

9:22
Matt. 16:21
17:22
Mark. 8:31
9:31
10:33
Luk. 18:31
24:7
De Zoon des mensen moet veel lijden en verworpen worden door de oudsten, overpriesters en schriftgeleerden, en Hij moet gedood en op de derde dag opgewekt worden.

Aansporing tot zelfverloochening

23Hij zei tegen allen:

9:23
Matt. 10:38
16:24
Mark. 8:34
Luk. 14:27
Als iemand achter Mij wil komen, moet hij zichzelf verloochenen, zijn kruis dagelijks opnemen en Mij volgen.

24

9:24
Matt. 10:39
16:25
Mark. 8:35
Luk. 17:33
Joh. 12:25
Want wie zijn leven wil behouden, die zal het verliezen; maar wie zijn leven verliezen zal omwille van Mij, die zal het behouden.

25Want wat baat het een mens heel de wereld te winnen en zichzelf te verliezen of zelf schade te lijden?

26

9:26
Matt. 10:33
Mark. 8:38
Luk. 12:9
2 Tim. 2:12
1 Joh. 2:23
Want wie zich voor Mij en Mijn woorden geschaamd zal hebben, voor hem zal de Zoon des mensen Zich schamen, wanneer Hij zal komen in Zijn heerlijkheid en in die van de Vader en in die van de heilige engelen.

27

9:27
Matt. 16:28
Mark. 9:1
En Ik zeg u in waarheid: Er zijn sommigen van hen die hier staan, die de dood niet zullen proeven, voordat zij het Koninkrijk van God gezien hebben.

De verheerlijking op de berg

28

9:28
Matt. 17:1
Mark. 9:2
Het gebeurde ongeveer acht dagen na deze woorden dat Hij Petrus en Johannes en Jakobus meenam en de berg opklom om te bidden.

29En het gebeurde terwijl Hij bad, dat de aanblik van Zijn gezicht veranderd werd9:29 veranderd werd - Letterlijk: een andere werd. en Zijn kleding blinkend wit werd.

30En zie, twee mannen spraken met Hem; het waren Mozes en Elia.

31Zij verschenen in heerlijkheid en spraken over Zijn heengaan, dat Hij zou volbrengen in Jeruzalem.

32Petrus en zij die bij hem waren, waren bevangen door slaap. Toen ze wakker geworden waren, zagen zij Zijn heerlijkheid en de twee mannen die bij Hem stonden.

33En het gebeurde, toen zij bij Hem vandaan zouden gaan, dat Petrus tegen Jezus zei: Meester, het is goed dat wij hier zijn. Laten wij drie tenten maken, voor U een, voor Mozes een en voor Elia een; hij wist echter niet wat hij zei.

34Terwijl hij dit zei, kwam er een wolk, en die overschaduwde hen. Zij werden bevreesd toen zij de wolk ingingen.

35

9:35
Jes. 42:1
Matt. 3:17
17:5
Mark. 1:11
9:7
Luk. 3:22
Kol. 1:13
2 Petr. 1:17
En er kwam een stem uit de wolk, die zei: Dit is Mijn geliefde Zoon,
9:35
Deut. 18:19
Hand. 3:22
luister naar Hem!

36En toen de stem geklonken had, bevond Jezus Zich daar alleen. En zij zwegen en vertelden in die dagen niemand iets van wat zij gezien hadden.

De maanzieke jongen

37

9:37
Matt. 17:14
Mark. 9:17
Het gebeurde de volgende dag, toen zij van de berg afdaalden, dat een grote menigte Hem tegemoet kwam.

38En zie, een man uit de menigte riep: Meester, ik bid U, kijk toch naar mijn zoon, want hij is mijn enig kind.

39En zie, een geest grijpt hem en meteen schreeuwt hij; en hij doet hem zo stuiptrekken dat hij schuim op zijn mond krijgt; hij gaat nauwelijks bij hem vandaan en mishandelt hem.

40En ik heb Uw discipelen gevraagd hem uit te drijven, maar zij konden het niet.

41Jezus antwoordde en zei: O ongelovig en ontaard geslacht, hoelang zal Ik nog bij u zijn en u verdragen? Breng uw zoon hier.

42Terwijl hij naar Hem toe ging, wierp de demon hem tegen de grond en deed hem stuiptrekken. Maar Jezus bestrafte de onreine geest, genas het kind en gaf het aan zijn vader terug.

Tweede aankondiging van het lijden

43Zij allen stonden versteld van de grootheid van God. Toen zij zich allen verwonderden over alle dingen die Hij deed, zei Jezus tegen Zijn discipelen:

44Laat deze woorden tot uw oren doordringen,9:44 Laat … doordringen - Letterlijk: Legt u deze woorden in uw oren. want

9:44
Matt. 17:22
Mark. 9:31
de Zoon des mensen zal overgeleverd worden in de handen van mensen.

45

9:45
Luk. 2:50
18:34
Maar zij begrepen dat woord niet en het bleef voor hen verborgen, zodat het niet tot hen doordrong. En zij vreesden Hem een vraag te stellen over dat woord.

Waarschuwing tegen eerzucht

46

9:46
Matt. 18:1
Mark. 9:33
Luk. 22:24
Er ontstond een meningsverschil onder hen over de vraag wie van hen de belangrijkste was.

47Maar toen Jezus de overweging van hun hart zag, nam Hij een kind en zette dat bij Zich.

48

9:48
Matt. 18:5
Mark. 9:37
Joh. 13:20
En Hij zei tegen hen: Wie dit kind ontvangt in Mijn Naam, die ontvangt Mij,
9:48
Luk. 10:16
Joh. 13:20
en wie Mij ontvangt, ontvangt Hem Die Mij gezonden heeft.
9:48
Matt. 23:11
Luk. 14:11
18:14
Want wie de minste onder u allen is, die zal belangrijk zijn.

49

9:49
Mark. 9:38
Johannes antwoordde en zei: Meester, wij hebben iemand gezien die in Uw Naam demonen uitdreef, en wij hebben het hem verboden, omdat hij U niet samen met ons volgt.

50En Jezus zei tegen hem: Verbied het niet, want

9:50
Matt. 12:30
Luk. 11:23
wie niet tegen ons is, die is voor ons.

Jezus door Samaritanen verworpen

51Het geschiedde, toen de dagen van Zijn

9:51
Mark. 16:19
Hand. 1:2
1 Tim. 3:16
opneming vervuld werden, dat Hij Zijn aangezicht naar Jeruzalem keerde om daarheen te reizen.

52En Hij stuurde boden voor Zijn aangezicht uit. Op hun reis kwamen zij in een dorp van de Samaritanen om voor Hem voorbereidingen te treffen.

53Maar zij ontvingen Hem niet,

9:53
Joh. 4:9
omdat Hij op reis was naar Jeruzalem, waarheen Zijn aangezicht gericht was.

54Toen de discipelen Jakobus en Johannes dat zagen, zeiden zij: Heere, wilt U dat wij zeggen dat er vuur van de hemel moet neerdalen en hen verteren, zoals ook

9:54
2 Kon. 1:10,12
Elia gedaan heeft?

55Maar Hij keerde Zich om, bestrafte hen en zei: U beseft niet wat voor Geest u hebt,

56

9:56
Joh. 3:17
12:47
want de Zoon des mensen is niet gekomen om zielen van mensen te gronde te richten, maar om ze te behouden. En zij gingen naar een ander dorp.

Het volgen van Jezus

57

9:57
Matt. 8:19
Het gebeurde, toen zij onderweg waren, dat iemand tegen Hem zei: Heere, ik zal U volgen waar U ook heen gaat.

58Maar Jezus zei tegen hem: De vossen hebben holen, en de vogels in de lucht nesten, maar de Zoon des mensen heeft niets waarop Hij het hoofd kan neerleggen.

59

9:59
Matt. 8:21
Tegen een ander zei Hij: Volg Mij. Maar die zei: Heere, sta mij toe dat ik wegga om eerst mijn vader te begraven.

60

9:60
Matt. 8:22
Maar Jezus zei tegen hem: Laat de doden hun doden begraven, maar u, ga heen en verkondig het Koninkrijk van God.

61Weer een ander zei: Heere, ik zal U volgen, maar

9:61
1 Kon. 19:20
sta mij eerst toe dat ik afscheid neem van hen die in mijn huis zijn.

62Jezus zei tegen hem:

9:62
Spr. 26:11
Filipp. 3:14
Hebr. 6:5
2 Petr. 2:20
Niemand die zijn hand aan de ploeg slaat en kijkt naar wat achter hem ligt, is geschikt voor het Koninkrijk van God.