Herziene Statenvertaling (HSV)
6

Aren plukken op de sabbat

61En

6:1
Deut. 23:25
Matt. 12:1
Mark. 2:23
het gebeurde op de tweede sabbat na het Paasfeest6:1 de tweede sabbat na het Paasfeest - Letterlijk: de tweede-eerste sabbat. dat Hij door de korenvelden ging; en Zijn discipelen plukten aren, wreven die met de handen stuk en aten ze op.

2Sommigen van de Farizeeën zeiden tegen hen: Waarom doet u

6:2
Ex. 20:10
wat niet geoorloofd is te doen op de sabbat?

3Jezus antwoordde en zei tegen hen: Hebt u ook dat niet gelezen wat

6:3
1 Sam. 21:6
David deed toen hij honger had, en zij die bij hem waren?

4Hoe hij het huis van God binnengegaan is en de toonbroden genomen en gegeten heeft en ook gegeven heeft aan hen die bij hem waren, broden die niemand mag eten

6:4
Lev. 24:9
dan alleen de priesters?

5En Hij zei tegen hen:

6:5
Matt. 12:8
Mark. 2:28
De Zoon des mensen is Heere, óók van de sabbat.

De tweede genezing op de sabbat

6

6:6
Matt. 12:9
Mark. 3:1
Het gebeurde ook op een andere sabbat dat Hij in de synagoge kwam en onderwijs gaf. En er was daar iemand van wie de rechterhand verschrompeld was.

7De schriftgeleerden en de Farizeeën letten scherp op Hem of Hij op de sabbat genezen zou, om iets te kunnen vinden om Hem te beschuldigen.

8Maar Hij kende hun overwegingen en zei tegen de man met de verschrompelde hand: Sta op en ga in het midden staan; en hij stond op en ging daar staan.

9Jezus nu zei tegen hen: Ik vraag u: wat is geoorloofd op de sabbat: goed te doen of kwaad te doen, een mens6:9 mens - Letterlijk: ziel. te behouden of om te laten komen?

10En nadat Hij hen allen rondom aangekeken had, zei Hij tegen de man: Steek uw hand uit. Hij deed dat

6:10
1 Kon. 13:6
en zijn hand werd hersteld, gezond als de andere.

11Zij waren vol woede en spraken er met elkaar over wat zij met Jezus zouden doen.

De roeping van de twaalf discipelen

12

6:12
Matt. 14:23
Het gebeurde in die dagen dat Hij naar buiten ging, naar de berg, om te bidden; en Hij bleef heel de nacht in gebed tot God.

13

6:13
Matt. 10:1
Mark. 3:13
6:7
Luk. 9:1
En toen het dag was geworden, riep Hij Zijn discipelen bij Zich en koos er twaalf van hen uit, die Hij ook apostelen noemde:

14Simon, die Hij ook Petrus noemde, en zijn broer Andreas, Jakobus en Johannes, Filippus en Bartholomeüs;

15Mattheüs en Thomas, Jakobus, de zoon van Alfeüs, en Simon die Zelotes genoemd werd,

16Judas, de broer van Jakobus, en Judas Iskariot, die ook de verrader geworden is.

De toeloop van de menigte

17

6:17
Matt. 4:25
Mark. 3:7
En toen Hij met hen afgedaald was, bleef Hij staan op een vlakke plaats en met Hem een menigte van Zijn discipelen en een grote menigte van het volk uit heel Judea en Jeruzalem en van de zeekant van Tyrus en Sidon,

18die gekomen waren om Hem te horen en om van hun ziekten genezen te worden, ook zij die gekweld werden door onreine geesten; en zij werden genezen.

19En heel de menigte probeerde Hem aan te raken,

6:19
Mark. 5:30
want er ging kracht van Hem uit, en Hij genas ze allen.

De zaligsprekingen

20

6:20
Matt. 5:2
En toen Hij Zijn ogen opgeslagen had naar Zijn discipelen, zei Hij: Zalig bent u, armen, want van u is het Koninkrijk van God.

21

6:21
Jes. 65:13
Zalig bent u die nu honger hebt, want u zult verzadigd worden.
6:21
Jes. 61:3
66:10
Zalig bent u die nu huilt, want u zult lachen.

22

6:22
Matt. 5:11
1 Petr. 2:19
3:14
4:14
Zalig bent u, wanneer de mensen u haten, en wanneer zij u uitstoten en u smaden en uw naam als slecht verwerpen omwille van de Zoon des mensen.

23

6:23
Hand. 5:41
Verblijd u op die dag en spring op van vreugde, want zie, uw loon is groot in de hemel.
6:23
Hand. 7:51
Hun vaderen deden immers evenzo met de profeten.

24

6:24
Amos 6:1,8
Maar wee u, rijken, want u hebt uw troost al.

25

6:25
Jes. 65:13
Wee u, die verzadigd bent, want u zult hongerlijden. Wee u die nu lacht,
6:25
Jak. 4:9
5:1
want u zult treuren en huilen.

26Wee u, wanneer alle mensen goed van u spreken, want hun vaderen deden evenzo met de valse profeten.

Heb uw vijanden lief

27Maar Ik zeg tegen u die dit hoort:

6:27
Ex. 23:4
Spr. 25:21
Matt. 5:44
Rom. 12:20
1 Kor. 4:12
Heb uw vijanden lief; doe goed aan hen die u haten.

28Zegen hen die u vervloeken, en

6:28
Luk. 23:34
Hand. 7:60
bid voor hen die u belasteren.

29

6:29
1 Kor. 6:7
Bied hem die u op de ene wang slaat, ook de andere. Verhinder hem die het bovenkleed van u afpakt, niet ook uw onderkleed te nemen.

30

6:30
Deut. 15:7
Matt. 5:42
Maar geef aan ieder die iets van u vraagt, en eis niet terug van hem die neemt wat van u is.

31

6:31
Matt. 7:12
En zoals u wilt dat de mensen u doen, doet u hun ook zo.

32

6:32
Matt. 5:46
En als u hen liefhebt die u liefhebben, wat voor dank komt u daarvoor toe? Immers, ook de zondaars hebben degenen lief die hen liefhebben.

33En als u goeddoet aan hen die u goeddoen, wat voor dank komt u daarvoor toe? Immers, ook de zondaars doen hetzelfde.

34

6:34
Deut. 15:8
Matt. 5:42
En als u leent aan hen van wie u hoopt terug te ontvangen, wat voor dank komt u daarvoor toe? Immers, ook de zondaars lenen aan zondaars, om hetzelfde terug te ontvangen.

35Maar heb uw vijanden lief en doe goed, en leen zonder te hopen iets terug te krijgen. Dan zal uw loon groot zijn en zult u

6:35
Matt. 5:45
kinderen van de Allerhoogste zijn, want Hij is goedertieren over de ondankbaren en slechten.

36Wees dan barmhartig, zoals ook uw Vader barmhartig is.

De splinter en de balk

37

6:37
Matt. 7:1
Rom. 2:1
1 Kor. 4:5
Oordeel niet en u zult niet geoordeeld worden; veroordeel niet en u zult niet veroordeeld worden; laat los en u zult losgelaten worden.

38

6:38
Spr. 10:22
19:17
Geef en aan u zal gegeven worden: een goede, vastgedrukte, geschudde, overlopende maat zal men u in de schoot geven,
6:38
Matt. 7:2
Mark. 4:24
want met dezelfde maat waarmee u meet, zal er bij u ook gemeten worden.

39Hij sprak tot hen een gelijkenis:

6:39
Jes. 42:19
Matt. 15:14
Een blinde kan toch niet een blinde op de weg geleiden? Zullen zij niet beiden in een kuil vallen?

40

6:40
Matt. 10:24
Joh. 13:16
15:20
Een discipel staat niet boven zijn meester, maar iedere volmaakte discipel zal net als zijn meester zijn.

41

6:41
Matt. 7:3
Waarom ziet u wel de splinter in het oog van uw broeder, maar merkt u de balk in uw eigen oog niet op?

42Of hoe kunt u tegen uw broeder zeggen: Broeder, laat toe dat ik de splinter, die in uw oog is, eruit haal, terwijl u zelf de balk in uw oog niet ziet? Huichelaar,

6:42
Spr. 18:17
haal eerst de balk uit uw oog en dan zult u goed kunnen zien om de splinter, die in het oog van uw broeder is, eruit te halen.

De boom en zijn vruchten

43

6:43
Matt. 7:17
12:33
Want er is geen goede boom die slechte vrucht voortbrengt, en geen slechte boom die goede vrucht voortbrengt.

44Want iedere boom wordt aan zijn eigen vrucht gekend.

6:44
Matt. 7:16
Men plukt immers geen vijgen van dorens en men oogst geen druif van doornstruiken.

45

6:45
Matt. 12:35
De goede mens brengt het goede voort uit de goede schat van zijn hart, en de slechte mens brengt het slechte voort uit de slechte schat van zijn hart,
6:45
Matt. 12:34
want uit de overvloed van het hart spreekt zijn mond.

De wijze en de dwaze bouwer

46

6:46
Mal. 1:6
Matt. 7:21
25:11
Luk. 13:25
Rom. 2:13
Jak. 1:22
Waarom noemt u Mij: Heere, Heere, en doet niet wat Ik zeg?

47

6:47
Matt. 7:24
Ieder die naar Mij toe komt en Mijn woorden hoort en ze doet, Ik zal u laten zien aan wie hij gelijk is.

48Hij is gelijk aan een man die een huis bouwde: hij groef en diepte uit en legde het fundament op de rots. Toen de hoge vloed kwam, sloeg de waterstroom tegen dat huis aan en kon het niet doen wankelen, want het was op de rots gefundeerd.

49Maar wie ze gehoord en niet gedaan zal hebben, is gelijk aan een man die een huis bouwde op de aarde zonder fundament. Toen de waterstroom ertegenaan sloeg, stortte het meteen in, en de val van dat huis was groot.

7

De hoofdman in Kapernaüm

71Nadat Hij al Zijn woorden beëindigd had ten aanhoren van het volk,

7:1
Matt. 8:5
ging Hij Kapernaüm binnen.

2En een dienaar van een zekere hoofdman over honderd, die hij zeer waardeerde, was ziek en lag op sterven.

3Toen hij over Jezus gehoord had, stuurde hij de oudsten van de Joden naar Hem toe en dezen vroegen Hem te komen en zijn dienaar gezond te maken.

4Toen die bij Jezus gekomen waren, smeekten zij Hem indringend en zeiden: Hij is het waard dat U dat voor hem doet,

5want hij heeft ons volk lief en heeft zelf de synagoge voor ons gebouwd.

6En Jezus ging met hen mee, maar toen Hij niet ver meer van het huis was, stuurde de hoofdman enkele vrienden naar Hem toe om tegen Hem te zeggen: Heere, doe geen moeite, want ik ben het niet waard dat U onder mijn dak komt.

7Daarom heb ik ook mijzelf niet waard geacht naar U toe te komen, maar spreek een woord en mijn knecht zal genezen zijn.

8Want ik ben ook iemand die onder gezag van anderen gesteld is, en heb zelf soldaten onder mij; ik zeg tegen de een: Ga! en hij gaat; en tegen de ander: Kom! en hij komt; en tegen mijn dienaar: Doe dat! en hij doet het.

9Toen Jezus dit hoorde, verwonderde Hij Zich over hem, en Hij keerde Zich om en zei tegen de menigte die Hem volgde: Ik zeg u: Ik heb zelfs in Israël zo'n groot geloof niet gevonden.

10En toen zij die gestuurd waren, in het huis teruggekeerd waren, vonden zij de zieke dienaar gezond.

De jongeman in Naïn

11En het gebeurde op de volgende dag dat Hij naar een stad ging die Naïn heette, en veel van Zijn discipelen en een grote menigte gingen met Hem mee.

12Toen Hij nu de poort van de stad naderde, ziedaar, er werd een dode uitgedragen. Hij was de enige zoon van zijn moeder, en zij was weduwe, en een grote menigte uit de stad was bij haar.

13En toen de Heere haar zag, was Hij innerlijk met ontferming bewogen over haar, en zei Hij tegen haar: Huil niet.

14En Hij ging naar de baar toe en raakte die aan (de dragers nu stonden stil) en Hij zei: Jongeman, Ik zeg u,

7:14
Hand. 9:40
sta op!

15En de dode ging overeind zitten en begon te spreken. En Hij gaf hem aan zijn moeder.

16En vrees greep hen allen aan en zij verheerlijkten God en zeiden:

7:16
Luk. 24:19
Joh. 4:19
6:14
9:17
Een groot Profeet is onder ons opgestaan; en:
7:16
Luk. 1:68
God heeft naar Zijn volk omgezien.

17En het gerucht over Hem ging rond in heel Judea en in heel de omgeving.

De vraag van Johannes de Doper

18

7:18
Matt. 11:2
En de discipelen van Johannes berichtten hem over al die dingen.

19En nadat Johannes twee van zijn discipelen bij zich geroepen had, stuurde hij hen naar Jezus met de vraag: Bent U het Die komen zou, of verwachten wij een ander?

20Toen de mannen bij Hem gekomen waren, zeiden zij: Johannes de Doper heeft ons naar U toe gestuurd met de vraag: Bent U Degene Die komen zou, of verwachten wij een ander?

21Op dat moment genas Hij velen van ziekten en aandoeningen en boze geesten; en aan veel blinden schonk Hij het gezichtsvermogen.

22En Jezus antwoordde en zei tegen hen: Ga heen en bericht Johannes wat u gezien en gehoord hebt, namelijk

7:22
Jes. 29:18
35:5
61:1
dat blinden ziende worden, kreupelen kunnen lopen, melaatsen gereinigd worden, doven kunnen horen, doden opgewekt worden en aan armen het Evangelie verkondigd wordt.

23En zalig is hij die aan Mij geen aanstoot neemt.

Jezus' getuigenis over Johannes

24

7:24
Matt. 11:7
Toen de boden van Johannes weggegaan waren, begon Hij tegen de menigte over Johannes te zeggen: Waar bent u in de woestijn naar gaan kijken? Naar een riet dat door de wind heen en weer bewogen wordt?

25Maar waar bent u dan naar gaan kijken? Naar iemand in kostbare kleren gekleed? Zie, zij die prachtige kleding dragen en in weelde leven, zijn in de paleizen.

26Maar waar bent u dan naar gaan kijken? Naar een profeet? Ja, Ik zeg u, zelfs naar veel meer dan een profeet.

27Deze is het over wie geschreven staat:

7:27
Mal. 3:1
Mark. 1:2
Zie, Ik zend Mijn engel voor Uw aangezicht, die voor U uit Uw weg gereed zal maken.

28Want Ik zeg u: Onder hen die uit vrouwen geboren zijn, is niemand een groter profeet dan Johannes de Doper, maar de minste in het Koninkrijk van God is groter dan hij.

29En heel het volk dat naar Hem luisterde, en de tollenaars die met de doop van Johannes gedoopt waren, rechtvaardigden God,

30maar de Farizeeën en de wetgeleerden verwierpen het raadsbesluit van God met betrekking tot zichzelf, omdat ze niet door hem gedoopt wilden worden.

31

7:31
Matt. 11:16
En de Heere zei: Met wie zal Ik dan de mensen van dit geslacht vergelijken en aan wie zijn zij gelijk?

32Zij zijn gelijk aan kinderen die op de markt zitten, en elkaar toeroepen en zeggen: Wij hebben voor jullie op de fluit gespeeld, maar jullie hebben niet gedanst; wij hebben klaagliederen voor jullie gezongen, maar jullie hebben niet gehuild.

33

7:33
Matt. 3:4
Mark. 1:6
Want Johannes de Doper is gekomen, hij at geen brood en hij dronk geen wijn, en u zegt: Hij heeft een demon.

34De Zoon des mensen is gekomen, Die wel at en dronk, en u zegt: Ziedaar, een vraatzuchtig mens en drinker, een vriend van tollenaars en zondaars.

35Maar de Wijsheid is gerechtvaardigd door al Haar kinderen.

De zalving bij Simon de Farizeeër

36

7:36
Matt. 26:6
Mark. 14:3
Joh. 11:2
12:3
En een van de Farizeeën vroeg of Hij bij hem kwam eten; en toen Hij het huis van de Farizeeër binnengegaan was, lag Hij aan.

37En zie, een vrouw in de stad die een zondares was, kwam te weten dat Hij in het huis van de Farizeeër aanlag, en zij bracht een albasten fles met zalf mee.

38En staande achter Zijn voeten, begon zij huilend Zijn voeten nat te maken met tranen, en zij droogde ze af met het haar van haar hoofd, en zij kuste Zijn voeten en zalfde ze met de zalf.

39Toen de Farizeeër die Hem uitgenodigd had, dat zag, zei hij bij zichzelf:

7:39
Luk. 15:2
Deze Man zou, als Hij een profeet was, wel weten wie en wat voor vrouw het is die Hem aanraakt, want zij is een zondares.

40Maar Jezus antwoordde en zei tegen hem: Simon, Ik heb u iets te zeggen. Hij zei: Meester, zeg het.

41Jezus zei: Een zekere schuldeiser had twee schuldenaars; de één was vijfhonderd penningen7:41 penningen - Letterlijk: denarie, dat is het dagloon van een arbeider. schuldig en de ander vijftig.

42Toen zij niets hadden om te betalen, schold hij het hun beiden kwijt. Zeg dan: Wie van hen zal hem meer liefhebben?

43Simon antwoordde en zei: Ik denk dat hij het is aan wie hij het meeste kwijtgescholden heeft. Hij zei tegen hem: U hebt juist geoordeeld.

44En Hij keerde Zich om naar de vrouw en zei tegen Simon: Ziet u deze vrouw? Ik ben in uw huis gekomen: water voor Mijn voeten hebt u niet gegeven, maar zij heeft Mijn voeten met tranen natgemaakt en met het haar van haar hoofd afgedroogd;

45u hebt Mij geen kus gegeven, maar vanaf het moment dat zij binnengekomen is, heeft zij niet opgehouden Mijn voeten te kussen;

46met olie hebt u Mijn hoofd niet gezalfd, maar zij heeft Mijn voeten met zalf gezalfd.

47Daarom zeg Ik u: Haar zonden, die veel waren, zijn haar vergeven, want zij heeft veel liefgehad; maar aan wie weinig vergeven wordt, die heeft weinig lief.

48En Hij zei tegen haar:

7:48
Matt. 9:2
Uw zonden zijn u vergeven.

49En zij die mee aanlagen, begonnen bij zichzelf te zeggen:

7:49
Matt. 9:3
Wie is Deze Die ook zonden vergeeft?

50Maar Hij zei tegen de vrouw: Uw geloof heeft u behouden; ga heen in vrede!

8

De dienende vrouwen

81En het gebeurde daarna dat Hij van stad tot stad en van dorp tot dorp trok en er predikte en het Evangelie van het Koninkrijk van God verkondigde. En de twaalf waren bij Hem,

2

8:2
Matt. 27:55,56
en sommige vrouwen die van boze geesten en ziekten genezen waren, namelijk Maria, die Magdalena genoemd werd,
8:2
Mark. 16:9
van wie zeven demonen uitgegaan waren,

3en Johanna, de vrouw van Chusas, de rentmeester van Herodes, en Susanna en vele anderen, die Hem dienden met hun eigen bezittingen.

De zaaier

4

8:4
Matt. 13:3
Mark. 4:2
Toen nu een grote menigte bijeenkwam en ze van alle steden naar Hem toe kwamen, zei Hij met een gelijkenis:

5Een zaaier ging eropuit om zijn zaad te zaaien. En toen hij zaaide, viel het ene deel langs de weg, en het werd vertrapt en de vogels in de lucht aten het op.

6En een ander deel viel op de rots, en toen het opgegroeid was, verdorde het door gebrek aan vocht.

7En een ander deel viel te midden van de dorens, en de dorens, die mee opgroeiden, verstikten het.

8En een ander deel viel in de goede aarde en toen het opgegroeid was, bracht het honderdvoudige vrucht voort. Toen Hij dit gezegd had, riep Hij: Wie oren heeft om te horen, laat hij horen.

9

8:9
Matt. 13:10
Mark. 4:10
En Zijn discipelen vroegen Hem: Wat betekent deze gelijkenis?

10Hij zei: Aan u is het

8:10
2 Kor. 3:5
gegeven de geheimenissen van het Koninkrijk van God te kennen,
8:10
Matt. 11:25
2 Kor. 3:14
maar tot de anderen spreek Ik in gelijkenissen,
8:10
Jes. 6:9
Ezech. 12:2
Matt. 13:14
Mark. 4:12
Joh. 12:40
Hand. 28:26
Rom. 11:8
opdat zij niet zien, ook al zien zij, en niet begrijpen, ook al horen zij.

11

8:11
Matt. 13:18
Mark. 4:13
Dit is de gelijkenis: Het zaad is het Woord van God.

12Zij bij wie langs de weg gezaaid wordt, zijn zij die het horen; maar daarna komt de duivel en neemt het Woord uit hun hart weg, opdat zij niet geloven en zalig worden.

13

8:13
Matt. 13:20
Mark. 4:16
Zij bij wie op de rots gezaaid wordt, zijn zij die het Woord met vreugde ontvangen, wanneer zij het gehoord hebben. Maar dezen, die maar voor een bepaalde tijd geloven, hebben geen wortel, en in een tijd van verzoeking worden zij afvallig.

14En bij wie het zaad in de dorens valt, dat zijn zij die het hebben gehoord, maar die gaandeweg door de zorgen en rijkdom en genietingen van het leven

8:14
Matt. 19:23
Mark. 10:23
Luk. 18:24
1 Tim. 6:9
verstikt worden en geen vrucht dragen.

15En waar het zaad in de goede aarde valt, dat zijn zij die het Woord horen, het in een oprecht en goed hart vasthouden, en in volharding vruchten voortbrengen.

Het licht op de kandelaar

16

8:16
Matt. 5:15
Mark. 4:21
Luk. 11:33
En niemand die een lamp aansteekt, plaatst er een vat overheen of zet hem onder een bed, maar hij zet hem op een standaard, opdat zij die binnenkomen, het licht kunnen zien.

17

8:17
Job 12:22
Matt. 10:26
Mark. 4:22
Luk. 12:2
Want er is niets verborgen wat niet openbaar zal worden; en er is niets geheim wat niet bekend zal worden en in de openbaarheid komen.

18Let er dan op hoe u luistert,

8:18
Matt. 13:12
25:29
Mark. 4:25
Luk. 19:26
want wie heeft, aan hem zal gegeven worden; en wie niet heeft, ook wat hij denkt te hebben, zal van hem afgenomen worden.

De echte familie van Jezus

19

8:19
Matt. 12:46
13:55
Mark. 3:31
Zijn moeder en Zijn broers kwamen naar Hem toe, maar zij konden niet bij Hem komen vanwege de menigte.

20En sommigen berichtten Hem: Uw moeder en Uw broers staan buiten en willen U zien.

21Maar Hij antwoordde en zei tegen hen:

8:21
Joh. 15:14
2 Kor. 5:16
Mijn moeder en Mijn broeders zijn dezen, die het Woord van God horen en dat doen.

De storm gestild

22

8:22
Matt. 8:23
Mark. 4:35,36
Het gebeurde op een van die dagen dat Hij met Zijn discipelen aan boord van een schip ging. En Hij zei tegen hen: Laten wij overvaren naar de overkant van het meer. En zij voeren weg.

23Toen zij voeren, viel Hij in slaap. En er viel een stormwind neer op het meer, en hun schip liep vol water8:23 en hun schip liep vol water - Letterlijk: en zij liepen vol. en zij waren in nood.

24Zij gingen naar Hem toe, wekten Hem en zeiden: Meester, Meester, wij vergaan! Toen stond Hij op en bestrafte de wind en de golven. En ze gingen liggen en er kwam stilte.

25Hij zei tegen hen: Waar is uw geloof? Maar zij waren bevreesd en verwonderden zich, en zij zeiden tegen elkaar:

8:25
Job 26:12
Ps. 107:25
Wie is Deze toch, dat Hij ook de winden en het water bevel geeft en ze Hem gehoorzaam zijn?

De Gadareense bezetene

26

8:26
Matt. 8:28
Mark. 5:1
En zij voeren verder naar het land van de Gadarenen, dat tegenover Galilea ligt.

27Toen Hij aan land gegaan was, kwam een man uit de stad Hem tegemoet, die al lange tijd door demonen bezeten was. Hij had geen kleren aan en verbleef niet in een huis, maar in de grafspelonken.

28Toen hij Jezus zag, viel hij schreeuwend voor Hem neer en zei met luide stem: Wat heb ik met U te maken, Jezus, Zoon van God, de Allerhoogste? Ik bid U dat U mij niet pijnigt.

29Want Hij had de onreine geest bevolen van de man uit te gaan. Die had hem namelijk vele malen aangegrepen, en men had hem met ketenen en met boeien gebonden om hem in bewaring te houden, maar hij verbrak de boeien en werd door de demon naar de woeste plaatsen gedreven.

30Jezus vroeg hem: Wat is uw naam? Hij zei: Legio; want er waren veel demonen in hem gegaan.

31En zij smeekten Hem dat Hij hun niet zou bevelen in de afgrond te gaan.

32En er was daar een grote kudde varkens aan het weiden op de berg. Zij smeekten Hem dat Hij hun zou toestaan daarin te gaan. En Hij stond het hun toe.

33En de demonen gingen uit de man weg en gingen in de varkens; en de kudde stortte van de steilte af het meer in, en verdronk.

34Toen zij die hen weidden, zagen wat er gebeurd was, vluchtten zij en berichtten het in de stad en op het land.

35Ze gingen op weg om te zien wat er gebeurd was, en ze kwamen bij Jezus en vonden de man van wie de demonen uitgegaan waren, zittend aan de voeten van Jezus, gekleed en goed bij zijn verstand; en ze werden bevreesd.

36En ook zij die het gezien hadden, vertelden hun hoe de bezetene verlost was.

37En heel de menigte uit de omgeving van het land van de Gadarenen vroeg Hem

8:37
Hand. 16:39
van hen weg te gaan, want zij waren met grote vrees bevangen. Hij ging in het schip en keerde terug.

38

8:38
Mark. 5:18
De man van wie de demonen uitgegaan waren, bad Hem of hij bij Hem mocht blijven, maar Jezus stuurde hem weg en zei:

39Keer terug naar uw huis en vertel wat voor grote dingen God aan u gedaan heeft. En hij ging heel de stad door en verkondigde wat voor grote dingen Jezus aan hem gedaan had.

Het dochtertje van Jaïrus en de bloedvloeiende vrouw

40Het gebeurde, toen Jezus terugkeerde, dat de menigte Hem ontving, want ze waren allen op Hem blijven wachten.

41

8:41
Matt. 9:18
Mark. 5:22
En zie, er kwam een man, van wie de naam Jaïrus was. Hij was een leidinggevende in de synagoge. Hij viel aan de voeten van Jezus en smeekte Hem naar zijn huis te komen.

42Hij had namelijk één kind, een dochter van ongeveer twaalf jaar, en die lag op sterven. Toen Hij erheen ging, drong de menigte zich om Hem heen.

43

8:43
Matt. 9:20
Mark. 5:25
En een vrouw die al twaalf jaar
8:43
Lev. 15:25
bloedvloeiingen had en die al haar bezit aan dokters uitgegeven had, maar door niemand genezen had kunnen worden,

44kwam van achteren naar Hem toe en raakte de zoom van Zijn bovenkleed aan; en onmiddellijk hield het vloeien van haar bloed op.

45En Jezus zei: Wie is het die Mij heeft aangeraakt? Toen zij het allen ontkenden, zeiden Petrus en die bij hem waren: Meester, de menigte duwt tegen U aan en verdringt U, en U zegt: Wie is het die Mij aangeraakt heeft?

46Jezus zei: Iemand heeft Mij aangeraakt, want Ik heb gemerkt dat er kracht van Mij uitgegaan is.

47Toen de vrouw zag dat zij niet onopgemerkt was, kwam zij bevend naar Hem toe, en nadat zij voor Hem neergevallen was, vertelde zij voor heel het volk om welke reden zij Hem aangeraakt had en dat zij onmiddellijk genezen was.

48Hij zei tegen haar: Heb goede moed, dochter, uw geloof heeft u behouden; ga heen in vrede!

49

8:49
Mark. 5:35
Terwijl Hij nog sprak, kwam er iemand van het huis van het hoofd van de synagoge en zei tegen hem: Uw dochter is gestorven; val de Meester niet lastig.

50Maar toen Jezus dat hoorde, antwoordde Hij hem: Wees niet bevreesd, geloof alleen, en zij zal behouden worden.

51Toen Hij in het huis gekomen was, liet Hij niemand binnenkomen dan Petrus, Jakobus, Johannes, en de vader en de moeder van het kind.

52Allen huilden luid en bedreven rouw over haar. Hij zei: Huil niet; zij is niet gestorven,

8:52
Joh. 11:11
maar zij slaapt.

53En zij lachten Hem uit, omdat zij wisten dat zij gestorven was.

54Maar toen Hij hen allen naar buiten gestuurd had, pakte Hij haar hand en riep: Kind, sta op!

55En haar geest keerde terug en zij stond onmiddellijk op; en Hij gaf opdracht dat men haar te eten zou geven.

56En haar ouders waren buiten zichzelf, en Hij beval hun dat zij niemand zouden zeggen wat er gebeurd was.