Herziene Statenvertaling (HSV)
4

De verzoeking in de woestijn

41

4:1
Matt. 4:1
Mark. 1:12
Jezus, vol van de Heilige Geest, keerde terug van de Jordaan en werd door de Geest naar de woestijn geleid,

2waar Hij veertig dagen verzocht werd door de duivel.

4:2
Ex. 34:28
1 Kon. 19:8
En Hij at niets in die dagen en ten slotte, toen die voorbij waren, kreeg Hij honger.

3En de duivel zei tegen Hem: Als U Gods Zoon bent, zeg dan tegen deze steen dat hij brood wordt.

4Maar Jezus antwoordde hem:

4:4
Deut. 8:3
Matt. 4:4
Er staat geschreven dat de mens van brood alleen niet zal leven, maar van elk woord van God.

5En daarna bracht de duivel Hem op een hoge berg en liet Hem in een ogenblik tijd al de koninkrijken van de wereld zien.

6En de duivel zei tegen Hem: Ik zal U al deze macht en de heerlijkheid van deze koninkrijken geven, want die is aan mij overgegeven en ik geef die aan wie ik maar wil;

7dus, als U mij zult aanbidden, zal het allemaal van U zijn.

8Maar Jezus antwoordde en zei tegen hem: Ga weg van Mij, satan, want er staat geschreven:

4:8
Deut. 6:13
10:20
1 Sam. 7:3
U zult de Heere, uw God, aanbidden en Hem alleen dienen.

9En hij bracht Hem naar Jeruzalem en zette Hem op het hoogste gedeelte van de tempel, en hij zei tegen Hem: Als U de Zoon van God bent, werpt U Zich dan vanhier naar beneden,

10want er staat geschreven

4:10
Ps. 91:11
dat Hij Zijn engelen voor U bevel zal geven om U te bewaren,

11en dat zij U op de handen dragen zullen, opdat U Uw voet niet misschien aan een steen stoot.

12Maar Jezus antwoordde en zei tegen hem: Er is gezegd:

4:12
Deut. 6:16
U zult de Heere, uw God, niet verzoeken.

13En toen de duivel alle verzoeking beëindigd had, verliet hij Hem tot een bepaalde tijd.

Het begin van Jezus' prediking

14

4:14
Matt. 4:12
Mark. 1:14
Joh. 4:43
Hand. 10:37
En Jezus keerde door de kracht van de Geest terug naar Galilea, en het gerucht over Hem verspreidde zich door heel de omgeving.

15En Hij gaf onderwijs in hun synagogen en werd door allen geprezen.

Jezus in Nazareth verworpen

16

4:16
Matt. 13:54
Mark. 6:1
Joh. 4:43
En Hij kwam in Nazareth, waar Hij opgevoed was, en ging naar Zijn gewoonte op de dag van de sabbat naar de synagoge,
4:16
Neh. 8:5,6
en Hij stond op om te lezen.

17En aan Hem werd het boek van de profeet Jesaja gegeven, en toen Hij het boek opengedaan had, vond Hij de plaats waar geschreven stond:

18

4:18
Jes. 61:1
De Geest van de Heere is op Mij, omdat Hij Mij gezalfd heeft; Hij heeft Mij gezonden
4:18
Matt. 11:5
om aan armen het Evangelie te verkondigen, om te genezen wie gebroken van hart zijn,

19

4:19
Jes. 42:7
61:1,2
om aan gevangenen vrijlating te prediken en aan blinden het gezichtsvermogen, om verslagenen weg te zenden in vrijheid, om het jaar van het welbehagen van de Heere te prediken.

20En toen Hij het boek dichtgedaan en aan de dienaar teruggegeven had, ging Hij zitten, en de ogen van allen in de synagoge waren op Hem gevestigd.

21Hij begon tegen hen te zeggen: Heden is deze Schrift in uw oren in vervulling gegaan.

22En zij betuigden Hem allen hun instemming en

4:22
Jes. 50:4
Matt. 13:54
Mark. 6:2
Luk. 2:47
verwonderden zich over de woorden van genade die uit Zijn mond kwamen, en zij zeiden:
4:22
Joh. 6:42
Is Híj niet de Zoon van Jozef?

23Maar Hij zei tegen hen: U zult Mij ongetwijfeld dit spreekwoord voorhouden: Dokter, genees uzelf; alles waarvan wij gehoord hebben

4:23
Matt. 4:13
dat het in Kapernaüm gebeurd is, doe dat ook hier in Uw vaderstad.

24Hij zei: Voorwaar, Ik zeg u

4:24
Matt. 13:57
Mark. 6:4
Joh. 4:44
dat geen profeet welgevallig is in zijn vaderstad.

25Maar Ik zeg u naar waarheid: Er waren

4:25
1 Kon. 17:7
Jak. 5:17
veel weduwen in Israël in de dagen van Elia, toen de hemel drie jaar en zes maanden gesloten was, zodat er grote hongersnood kwam over heel het land,

26en naar geen van hen werd Elia gezonden, maar wel naar Zarfath bij Sidon, naar een vrouw, een weduwe.

27Ook waren er

4:27
2 Kon. 5:14
veel melaatsen in Israël in de tijd van de profeet Elisa, en geen van hen werd gereinigd, maar wel Naäman, de Syriër.

28En allen in de synagoge werden met woede vervuld toen zij dit hoorden,

29en zij stonden op, dreven Hem de stad uit en brachten Hem op de top van de berg waarop hun stad gebouwd was, om Hem van de steilte af te werpen.

30Maar Hij liep midden tussen hen door en ging weg.

De eerste genezing op de sabbat

31

4:31
Matt. 4:13
Mark. 1:21
En Hij daalde af naar Kapernaüm, een stad in Galilea, en onderwees hen op de sabbatdagen.

32

4:32
Matt. 7:29
Mark. 1:22
En zij stonden versteld van Zijn onderricht, want Zijn woord was met gezag.

33

4:33
Mark. 1:23
En in de synagoge was een man die een geest van een onreine demon had, en die riep met luide stem:

34Ga weg! Wat hebben wij met U te maken, Jezus de Nazarener? Bent U gekomen om ons te gronde te richten? Ik weet Wie U bent, namelijk de Heilige van God.

35Maar Jezus bestrafte hem en zei: Zwijg! Ga uit hem weg! En de demon ging uit hem weg, nadat hij hem in het midden geworpen had, zonder hem in enig opzicht letsel te bezorgen.

36En zij werden allen erg verbaasd.4:36 werden … verbaasd - Letterlijk: er kwam verbazing over … Zij spraken met elkaar en zeiden: Wat is dit voor woord, dat Hij met gezag en kracht de onreine geesten bevel geeft en zij weggaan?

37En de roep over Hem verspreidde zich naar elke plaats in de omgeving.

De schoonmoeder van Petrus

38

4:38
Matt. 8:14
Mark. 1:29
Nadat Jezus opgestaan en uit de synagoge vertrokken was, ging Hij naar het huis van Simon. De schoonmoeder van Simon had hoge koorts en ze vroegen Hem om hulp voor haar.

39En Hij boog Zich over haar heen en bestrafte de koorts en die verliet haar. Zij stond onmiddellijk op en diende hen.

40

4:40
Matt. 8:16
Mark. 1:32
Toen de zon onderging, brachten allen die zieken hadden, door allerlei kwalen gekweld, deze zieken bij Hem;
4:40
Mark. 7:32
8:23,25
en Hij legde ieder van hen de handen op en genas hen.

41

4:41
Mark. 1:34
3:11
Ook gingen er van velen demonen uit, die schreeuwden en zeiden: U bent de Christus, de Zoon van God! Maar Hij bestrafte hen en liet hun niet toe te spreken, omdat zij wisten dat Hij de Christus was.

Prediking in heel Galilea

42

4:42
Mark. 1:35
Toen het dag geworden was, ging Hij naar buiten en begaf Zich naar een eenzame plaats. De menigten zochten Hem en kwamen bij Hem en probeerden Hem tegen te houden, opdat Hij niet van hen weg zou gaan.

43Maar Hij zei tegen hen: Ik moet ook andere steden het Evangelie van het Koninkrijk van God verkondigen, want daarvoor ben Ik uitgezonden.

44En Hij predikte in de synagogen van Galilea.

5

De wonderbare visvangst

51En

5:1
Matt. 13:2
Mark. 4:1
het gebeurde, toen de menigte op Hem aandrong om het Woord van God te horen, dat Hij bij het meer Gennesaret stond.

2En Hij zag twee schepen aan de oever van het meer liggen; de vissers waren eruit gegaan en spoelden de netten.

3Hij ging aan boord van een van die schepen, dat van Simon was, en vroeg hem een eindje van het land af te varen, en Hij ging zitten en onderwees de menigte vanuit het schip.

4Toen Hij ophield met spreken, zei Hij tegen Simon:

5:4
Joh. 21:6
Vaar naar het diepe gedeelte en werp uw netten uit om te vangen.

5Maar Simon antwoordde en zei tegen Hem: Meester, wij hebben heel de nacht gewerkt en niets gevangen, maar op Uw woord zal ik het net uitwerpen.

6En nadat zij dat gedaan hadden, vingen zij een grote hoeveelheid vissen en hun net begon te scheuren.

7En zij wenkten hun metgezellen, die in het andere schip waren, dat zij hen moesten komen helpen. Die kwamen en zij vulden beide schepen, zodat zij bijna zonken.

8Toen Simon Petrus dat zag, viel hij neer voor de knieën van Jezus en zei: Heere, ga weg van mij, want ik ben een zondig mens.

9Want grote verbazing had hem en allen die met hem waren, bevangen, over de vangst van de vissen die zij gedaan hadden;

10en evenzo ook Jakobus en Johannes, de zonen van Zebedeüs, die metgezellen van Simon waren. En Jezus zei tegen Simon: Wees niet bevreesd,

5:10
Jer. 16:16
Ezech. 47:9
Matt. 4:19
Mark. 1:17
van nu aan zult u mensen vangen.

11En nadat zij de schepen aan land gebracht hadden,

5:11
Matt. 4:20
19:27
Mark. 10:28
Luk. 18:28
lieten zij alles achter en volgden Hem.

De reiniging van een melaatse

12

5:12
Matt. 8:2
Mark. 1:40
En toen Hij in een van die steden was, gebeurde het, zie, dat er een man vol melaatsheid was. En toen hij Jezus zag, wierp hij zich met het gezicht ter aarde en bad Hem: Heere, als U wilt, kunt U mij reinigen.

13En Hij stak Zijn hand uit, raakte hem aan en zei: Ik wil het, word gereinigd. En meteen verliet de melaatsheid hem.

14En Hij beval hem dat hij het aan niemand zou vertellen. Maar ga heen, zei Hij, laat uzelf aan de priester zien, en breng een offer voor uw reiniging,

5:14
Lev. 13:2
14:2
Matt. 8:4
zoals Mozes bevolen heeft, tot een getuigenis voor hen.

15Het gerucht over Hem verspreidde zich echter des te meer en een grote menigte kwam bijeen om Hem te horen en door Hem genezen te worden van hun ziekten.

16Maar Hij vertrok naar de woestijnen en bad daar.

De genezing van een verlamde

17En het gebeurde op een van die dagen dat Hij onderwijs gaf en dat er Farizeeën en leraars van de wet zaten, die van alle dorpen van Galilea en Judea en uit Jeruzalem gekomen waren. En er was kracht van de Heere om hen te genezen.

18

5:18
Matt. 9:1
Mark. 2:3
Hand. 9:33
En zie, enkele mannen brachten op een bed een man die verlamd was, en zij probeerden hem binnen te brengen en voor Hem neer te leggen;

19maar toen zij vanwege de menigte geen mogelijkheid vonden om hem naar binnen te brengen, klommen zij het dak op en lieten hem, tussen de daktegels door, met het bed neer in het midden, vóór Jezus.

20En toen Hij hun geloof zag, zei Hij tegen hem: Man, uw zonden zijn u vergeven.

21En de schriftgeleerden en de Farizeeën begonnen te overleggen: Wie is deze Man Die godslastering spreekt?

5:21
Ps. 32:5
Jes. 43:25
Wie kan zonden vergeven dan God alleen?

22Maar Jezus, Die hun overwegingen kende, antwoordde en zei tegen hen: Wat overlegt u in uw hart?

23Wat is gemakkelijker, te zeggen: Uw zonden zijn u vergeven, of te zeggen: Sta op en ga lopen?

24Maar opdat u zult weten dat de Zoon des mensen macht heeft op de aarde om zonden te vergeven (zei Hij tegen de verlamde): Ik zeg u, sta op, neem uw bed op en ga naar uw huis.

25En hij stond onmiddellijk voor hun ogen op, en nadat hij datgene opgenomen had waarop hij gelegen had, ging hij naar zijn huis, terwijl hij God verheerlijkte.

26En ontsteltenis greep hen allen aan en zij verheerlijkten God, en werden vervuld met vrees en zeiden: Wij hebben vandaag ongelofelijke dingen gezien.

De roeping van Levi

27

5:27
Matt. 9:9
Mark. 2:14,15
En hierna ging Hij weg, en Hij zag een tollenaar, van wie de naam Levi was, in het tolhuis zitten en Hij zei tegen hem: Volg Mij!

28En hij stond op, liet alles achter en volgde Hem.

29En Levi bereidde voor Hem een grote maaltijd in zijn huis

5:29
Matt. 9:10
Mark. 2:15
Luk. 15:1
en er was een grote menigte van tollenaars en van anderen die met hen aanlagen.

30En hun schriftgeleerden en de Farizeeën morden tegen Zijn discipelen en zeiden: Waarom eet en drinkt u met tollenaars en zondaars?

31Maar Jezus antwoordde en zei tegen hen: Wie gezond zijn, hebben geen dokter nodig, maar wie ziek zijn.

32

5:32
Matt. 9:13
Luk. 19:10
1 Tim. 1:15
Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen tot bekering te roepen, maar zondaars.

Het vasten

33

5:33
Matt. 9:14
En zij zeiden tegen Hem: Waarom vasten de discipelen van Johannes dikwijls en doen zij gebeden, en evenzo ook de discipelen van de Farizeeën, maar die van U eten en drinken?

34Maar Hij zei tegen hen:

5:34
Jes. 62:5
2 Kor. 11:2
Kunt u de bruiloftsgasten laten vasten, terwijl de Bruidegom bij hen is?

35De dagen zullen echter komen, wanneer de Bruidegom van hen weggenomen zal zijn; dan, in die dagen, zullen zij vasten.

36Hij sprak ook tot hen een gelijkenis: Niemand zet een lap van een nieuw bovenkleed op een oud bovenkleed; anders zal de nieuwe lap het oude bovenkleed doen scheuren, en de lap van het nieuwe past niet bij het oude.

37En niemand doet

5:37
Matt. 9:17
Mark. 2:22
nieuwe wijn in oude leren zakken; anders zal de nieuwe wijn de zakken doen barsten en de wijn zelf zal eruit stromen en de zakken zullen verloren gaan.

38Maar nieuwe wijn moet men in nieuwe zakken doen en beide blijven ze behouden.

39En niemand die oude wijn drinkt, wil meteen nieuwe, want hij zegt: De oude is beter.

6

Aren plukken op de sabbat

61En

6:1
Deut. 23:25
Matt. 12:1
Mark. 2:23
het gebeurde op de tweede sabbat na het Paasfeest6:1 de tweede sabbat na het Paasfeest - Letterlijk: de tweede-eerste sabbat. dat Hij door de korenvelden ging; en Zijn discipelen plukten aren, wreven die met de handen stuk en aten ze op.

2Sommigen van de Farizeeën zeiden tegen hen: Waarom doet u

6:2
Ex. 20:10
wat niet geoorloofd is te doen op de sabbat?

3Jezus antwoordde en zei tegen hen: Hebt u ook dat niet gelezen wat

6:3
1 Sam. 21:6
David deed toen hij honger had, en zij die bij hem waren?

4Hoe hij het huis van God binnengegaan is en de toonbroden genomen en gegeten heeft en ook gegeven heeft aan hen die bij hem waren, broden die niemand mag eten

6:4
Lev. 24:9
dan alleen de priesters?

5En Hij zei tegen hen:

6:5
Matt. 12:8
Mark. 2:28
De Zoon des mensen is Heere, óók van de sabbat.

De tweede genezing op de sabbat

6

6:6
Matt. 12:9
Mark. 3:1
Het gebeurde ook op een andere sabbat dat Hij in de synagoge kwam en onderwijs gaf. En er was daar iemand van wie de rechterhand verschrompeld was.

7De schriftgeleerden en de Farizeeën letten scherp op Hem of Hij op de sabbat genezen zou, om iets te kunnen vinden om Hem te beschuldigen.

8Maar Hij kende hun overwegingen en zei tegen de man met de verschrompelde hand: Sta op en ga in het midden staan; en hij stond op en ging daar staan.

9Jezus nu zei tegen hen: Ik vraag u: wat is geoorloofd op de sabbat: goed te doen of kwaad te doen, een mens6:9 mens - Letterlijk: ziel. te behouden of om te laten komen?

10En nadat Hij hen allen rondom aangekeken had, zei Hij tegen de man: Steek uw hand uit. Hij deed dat

6:10
1 Kon. 13:6
en zijn hand werd hersteld, gezond als de andere.

11Zij waren vol woede en spraken er met elkaar over wat zij met Jezus zouden doen.

De roeping van de twaalf discipelen

12

6:12
Matt. 14:23
Het gebeurde in die dagen dat Hij naar buiten ging, naar de berg, om te bidden; en Hij bleef heel de nacht in gebed tot God.

13

6:13
Matt. 10:1
Mark. 3:13
6:7
Luk. 9:1
En toen het dag was geworden, riep Hij Zijn discipelen bij Zich en koos er twaalf van hen uit, die Hij ook apostelen noemde:

14Simon, die Hij ook Petrus noemde, en zijn broer Andreas, Jakobus en Johannes, Filippus en Bartholomeüs;

15Mattheüs en Thomas, Jakobus, de zoon van Alfeüs, en Simon die Zelotes genoemd werd,

16Judas, de broer van Jakobus, en Judas Iskariot, die ook de verrader geworden is.

De toeloop van de menigte

17

6:17
Matt. 4:25
Mark. 3:7
En toen Hij met hen afgedaald was, bleef Hij staan op een vlakke plaats en met Hem een menigte van Zijn discipelen en een grote menigte van het volk uit heel Judea en Jeruzalem en van de zeekant van Tyrus en Sidon,

18die gekomen waren om Hem te horen en om van hun ziekten genezen te worden, ook zij die gekweld werden door onreine geesten; en zij werden genezen.

19En heel de menigte probeerde Hem aan te raken,

6:19
Mark. 5:30
want er ging kracht van Hem uit, en Hij genas ze allen.

De zaligsprekingen

20

6:20
Matt. 5:2
En toen Hij Zijn ogen opgeslagen had naar Zijn discipelen, zei Hij: Zalig bent u, armen, want van u is het Koninkrijk van God.

21

6:21
Jes. 65:13
Zalig bent u die nu honger hebt, want u zult verzadigd worden.
6:21
Jes. 61:3
66:10
Zalig bent u die nu huilt, want u zult lachen.

22

6:22
Matt. 5:11
1 Petr. 2:19
3:14
4:14
Zalig bent u, wanneer de mensen u haten, en wanneer zij u uitstoten en u smaden en uw naam als slecht verwerpen omwille van de Zoon des mensen.

23

6:23
Hand. 5:41
Verblijd u op die dag en spring op van vreugde, want zie, uw loon is groot in de hemel.
6:23
Hand. 7:51
Hun vaderen deden immers evenzo met de profeten.

24

6:24
Amos 6:1,8
Maar wee u, rijken, want u hebt uw troost al.

25

6:25
Jes. 65:13
Wee u, die verzadigd bent, want u zult hongerlijden. Wee u die nu lacht,
6:25
Jak. 4:9
5:1
want u zult treuren en huilen.

26Wee u, wanneer alle mensen goed van u spreken, want hun vaderen deden evenzo met de valse profeten.

Heb uw vijanden lief

27Maar Ik zeg tegen u die dit hoort:

6:27
Ex. 23:4
Spr. 25:21
Matt. 5:44
Rom. 12:20
1 Kor. 4:12
Heb uw vijanden lief; doe goed aan hen die u haten.

28Zegen hen die u vervloeken, en

6:28
Luk. 23:34
Hand. 7:60
bid voor hen die u belasteren.

29

6:29
1 Kor. 6:7
Bied hem die u op de ene wang slaat, ook de andere. Verhinder hem die het bovenkleed van u afpakt, niet ook uw onderkleed te nemen.

30

6:30
Deut. 15:7
Matt. 5:42
Maar geef aan ieder die iets van u vraagt, en eis niet terug van hem die neemt wat van u is.

31

6:31
Matt. 7:12
En zoals u wilt dat de mensen u doen, doet u hun ook zo.

32

6:32
Matt. 5:46
En als u hen liefhebt die u liefhebben, wat voor dank komt u daarvoor toe? Immers, ook de zondaars hebben degenen lief die hen liefhebben.

33En als u goeddoet aan hen die u goeddoen, wat voor dank komt u daarvoor toe? Immers, ook de zondaars doen hetzelfde.

34

6:34
Deut. 15:8
Matt. 5:42
En als u leent aan hen van wie u hoopt terug te ontvangen, wat voor dank komt u daarvoor toe? Immers, ook de zondaars lenen aan zondaars, om hetzelfde terug te ontvangen.

35Maar heb uw vijanden lief en doe goed, en leen zonder te hopen iets terug te krijgen. Dan zal uw loon groot zijn en zult u

6:35
Matt. 5:45
kinderen van de Allerhoogste zijn, want Hij is goedertieren over de ondankbaren en slechten.

36Wees dan barmhartig, zoals ook uw Vader barmhartig is.

De splinter en de balk

37

6:37
Matt. 7:1
Rom. 2:1
1 Kor. 4:5
Oordeel niet en u zult niet geoordeeld worden; veroordeel niet en u zult niet veroordeeld worden; laat los en u zult losgelaten worden.

38

6:38
Spr. 10:22
19:17
Geef en aan u zal gegeven worden: een goede, vastgedrukte, geschudde, overlopende maat zal men u in de schoot geven,
6:38
Matt. 7:2
Mark. 4:24
want met dezelfde maat waarmee u meet, zal er bij u ook gemeten worden.

39Hij sprak tot hen een gelijkenis:

6:39
Jes. 42:19
Matt. 15:14
Een blinde kan toch niet een blinde op de weg geleiden? Zullen zij niet beiden in een kuil vallen?

40

6:40
Matt. 10:24
Joh. 13:16
15:20
Een discipel staat niet boven zijn meester, maar iedere volmaakte discipel zal net als zijn meester zijn.

41

6:41
Matt. 7:3
Waarom ziet u wel de splinter in het oog van uw broeder, maar merkt u de balk in uw eigen oog niet op?

42Of hoe kunt u tegen uw broeder zeggen: Broeder, laat toe dat ik de splinter, die in uw oog is, eruit haal, terwijl u zelf de balk in uw oog niet ziet? Huichelaar,

6:42
Spr. 18:17
haal eerst de balk uit uw oog en dan zult u goed kunnen zien om de splinter, die in het oog van uw broeder is, eruit te halen.

De boom en zijn vruchten

43

6:43
Matt. 7:17
12:33
Want er is geen goede boom die slechte vrucht voortbrengt, en geen slechte boom die goede vrucht voortbrengt.

44Want iedere boom wordt aan zijn eigen vrucht gekend.

6:44
Matt. 7:16
Men plukt immers geen vijgen van dorens en men oogst geen druif van doornstruiken.

45

6:45
Matt. 12:35
De goede mens brengt het goede voort uit de goede schat van zijn hart, en de slechte mens brengt het slechte voort uit de slechte schat van zijn hart,
6:45
Matt. 12:34
want uit de overvloed van het hart spreekt zijn mond.

De wijze en de dwaze bouwer

46

6:46
Mal. 1:6
Matt. 7:21
25:11
Luk. 13:25
Rom. 2:13
Jak. 1:22
Waarom noemt u Mij: Heere, Heere, en doet niet wat Ik zeg?

47

6:47
Matt. 7:24
Ieder die naar Mij toe komt en Mijn woorden hoort en ze doet, Ik zal u laten zien aan wie hij gelijk is.

48Hij is gelijk aan een man die een huis bouwde: hij groef en diepte uit en legde het fundament op de rots. Toen de hoge vloed kwam, sloeg de waterstroom tegen dat huis aan en kon het niet doen wankelen, want het was op de rots gefundeerd.

49Maar wie ze gehoord en niet gedaan zal hebben, is gelijk aan een man die een huis bouwde op de aarde zonder fundament. Toen de waterstroom ertegenaan sloeg, stortte het meteen in, en de val van dat huis was groot.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]