Herziene Statenvertaling (HSV)
5

De wonderbare visvangst

51En

5:1
Matt. 13:2
Mark. 4:1
het gebeurde, toen de menigte op Hem aandrong om het Woord van God te horen, dat Hij bij het meer Gennesaret stond.

2En Hij zag twee schepen aan de oever van het meer liggen; de vissers waren eruit gegaan en spoelden de netten.

3Hij ging aan boord van een van die schepen, dat van Simon was, en vroeg hem een eindje van het land af te varen, en Hij ging zitten en onderwees de menigte vanuit het schip.

4Toen Hij ophield met spreken, zei Hij tegen Simon:

5:4
Joh. 21:6
Vaar naar het diepe gedeelte en werp uw netten uit om te vangen.

5Maar Simon antwoordde en zei tegen Hem: Meester, wij hebben heel de nacht gewerkt en niets gevangen, maar op Uw woord zal ik het net uitwerpen.

6En nadat zij dat gedaan hadden, vingen zij een grote hoeveelheid vissen en hun net begon te scheuren.

7En zij wenkten hun metgezellen, die in het andere schip waren, dat zij hen moesten komen helpen. Die kwamen en zij vulden beide schepen, zodat zij bijna zonken.

8Toen Simon Petrus dat zag, viel hij neer voor de knieën van Jezus en zei: Heere, ga weg van mij, want ik ben een zondig mens.

9Want grote verbazing had hem en allen die met hem waren, bevangen, over de vangst van de vissen die zij gedaan hadden;

10en evenzo ook Jakobus en Johannes, de zonen van Zebedeüs, die metgezellen van Simon waren. En Jezus zei tegen Simon: Wees niet bevreesd,

5:10
Jer. 16:16
Ezech. 47:9
Matt. 4:19
Mark. 1:17
van nu aan zult u mensen vangen.

11En nadat zij de schepen aan land gebracht hadden,

5:11
Matt. 4:20
19:27
Mark. 10:28
Luk. 18:28
lieten zij alles achter en volgden Hem.

De reiniging van een melaatse

12

5:12
Matt. 8:2
Mark. 1:40
En toen Hij in een van die steden was, gebeurde het, zie, dat er een man vol melaatsheid was. En toen hij Jezus zag, wierp hij zich met het gezicht ter aarde en bad Hem: Heere, als U wilt, kunt U mij reinigen.

13En Hij stak Zijn hand uit, raakte hem aan en zei: Ik wil het, word gereinigd. En meteen verliet de melaatsheid hem.

14En Hij beval hem dat hij het aan niemand zou vertellen. Maar ga heen, zei Hij, laat uzelf aan de priester zien, en breng een offer voor uw reiniging,

5:14
Lev. 13:2
14:2
Matt. 8:4
zoals Mozes bevolen heeft, tot een getuigenis voor hen.

15Het gerucht over Hem verspreidde zich echter des te meer en een grote menigte kwam bijeen om Hem te horen en door Hem genezen te worden van hun ziekten.

16Maar Hij vertrok naar de woestijnen en bad daar.

De genezing van een verlamde

17En het gebeurde op een van die dagen dat Hij onderwijs gaf en dat er Farizeeën en leraars van de wet zaten, die van alle dorpen van Galilea en Judea en uit Jeruzalem gekomen waren. En er was kracht van de Heere om hen te genezen.

18

5:18
Matt. 9:1
Mark. 2:3
Hand. 9:33
En zie, enkele mannen brachten op een bed een man die verlamd was, en zij probeerden hem binnen te brengen en voor Hem neer te leggen;

19maar toen zij vanwege de menigte geen mogelijkheid vonden om hem naar binnen te brengen, klommen zij het dak op en lieten hem, tussen de daktegels door, met het bed neer in het midden, vóór Jezus.

20En toen Hij hun geloof zag, zei Hij tegen hem: Man, uw zonden zijn u vergeven.

21En de schriftgeleerden en de Farizeeën begonnen te overleggen: Wie is deze Man Die godslastering spreekt?

5:21
Ps. 32:5
Jes. 43:25
Wie kan zonden vergeven dan God alleen?

22Maar Jezus, Die hun overwegingen kende, antwoordde en zei tegen hen: Wat overlegt u in uw hart?

23Wat is gemakkelijker, te zeggen: Uw zonden zijn u vergeven, of te zeggen: Sta op en ga lopen?

24Maar opdat u zult weten dat de Zoon des mensen macht heeft op de aarde om zonden te vergeven (zei Hij tegen de verlamde): Ik zeg u, sta op, neem uw bed op en ga naar uw huis.

25En hij stond onmiddellijk voor hun ogen op, en nadat hij datgene opgenomen had waarop hij gelegen had, ging hij naar zijn huis, terwijl hij God verheerlijkte.

26En ontsteltenis greep hen allen aan en zij verheerlijkten God, en werden vervuld met vrees en zeiden: Wij hebben vandaag ongelofelijke dingen gezien.

De roeping van Levi

27

5:27
Matt. 9:9
Mark. 2:14,15
En hierna ging Hij weg, en Hij zag een tollenaar, van wie de naam Levi was, in het tolhuis zitten en Hij zei tegen hem: Volg Mij!

28En hij stond op, liet alles achter en volgde Hem.

29En Levi bereidde voor Hem een grote maaltijd in zijn huis

5:29
Matt. 9:10
Mark. 2:15
Luk. 15:1
en er was een grote menigte van tollenaars en van anderen die met hen aanlagen.

30En hun schriftgeleerden en de Farizeeën morden tegen Zijn discipelen en zeiden: Waarom eet en drinkt u met tollenaars en zondaars?

31Maar Jezus antwoordde en zei tegen hen: Wie gezond zijn, hebben geen dokter nodig, maar wie ziek zijn.

32

5:32
Matt. 9:13
Luk. 19:10
1 Tim. 1:15
Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen tot bekering te roepen, maar zondaars.

Het vasten

33

5:33
Matt. 9:14
En zij zeiden tegen Hem: Waarom vasten de discipelen van Johannes dikwijls en doen zij gebeden, en evenzo ook de discipelen van de Farizeeën, maar die van U eten en drinken?

34Maar Hij zei tegen hen:

5:34
Jes. 62:5
2 Kor. 11:2
Kunt u de bruiloftsgasten laten vasten, terwijl de Bruidegom bij hen is?

35De dagen zullen echter komen, wanneer de Bruidegom van hen weggenomen zal zijn; dan, in die dagen, zullen zij vasten.

36Hij sprak ook tot hen een gelijkenis: Niemand zet een lap van een nieuw bovenkleed op een oud bovenkleed; anders zal de nieuwe lap het oude bovenkleed doen scheuren, en de lap van het nieuwe past niet bij het oude.

37En niemand doet

5:37
Matt. 9:17
Mark. 2:22
nieuwe wijn in oude leren zakken; anders zal de nieuwe wijn de zakken doen barsten en de wijn zelf zal eruit stromen en de zakken zullen verloren gaan.

38Maar nieuwe wijn moet men in nieuwe zakken doen en beide blijven ze behouden.

39En niemand die oude wijn drinkt, wil meteen nieuwe, want hij zegt: De oude is beter.