Herziene Statenvertaling (HSV)
3

Johannes de Doper

31In het vijftiende jaar van de regering van keizer Tiberius, toen Pontius Pilatus stadhouder was over Judea, Herodes viervorst over Galilea, zijn broer Filippus viervorst over Iturea en over het land Trachonitis, en Lysanias viervorst over Abilene,

2onder de

3:2
Hand. 4:6
hogepriesters Annas en Kajafas, geschiedde het woord van God tot Johannes, de zoon van Zacharias, in de woestijn.

3

3:3
Matt. 3:1
Mark. 1:4
En hij kwam in heel de omgeving van de Jordaan en predikte een doop van bekering tot vergeving van zonden,

4zoals geschreven staat in het boek van de woorden van de profeet

3:4
Jes. 40:3
Matt. 3:3
Mark. 1:3
Joh. 1:23
Jesaja: De stem van iemand die roept in de woestijn: Maak de weg van de Heere gereed, maak Zijn paden recht.

5Elk dal zal gevuld worden en elke berg en heuvel zal geslecht worden; de kromme wegen zullen recht worden en de oneffen tot effen wegen;

6

3:6
Ps. 98:2
Jes. 52:10
en alle vlees zal de zaligheid zien die van God komt.

7Hij zei tegen de menigte die uitliep om door hem gedoopt te worden:

3:7
Matt. 3:7
23:33
Adderengebroed, wie heeft u laten weten dat u moet vluchten voor de komende toorn?

8Breng dan vruchten voort in overeenstemming met de bekering, en begin niet bij uzelf te zeggen:

3:8
Matt. 3:9
Joh. 8:39
Hand. 13:26
Wij hebben Abraham als vader; want ik zeg u dat God zelfs uit deze stenen voor Abraham kinderen kan verwekken.

9

3:9
Matt. 3:10
7:19
De bijl ligt zelfs al aan de wortel van de bomen; elke boom dan die geen goede vrucht voortbrengt, wordt omgehakt en in het vuur geworpen.

10En de menigte

3:10
Hand. 2:37
vroeg hem: Wat moeten wij dan doen?

11Hij antwoordde en zei tegen hen:

3:11
Jak. 2:13,15
1 Joh. 3:17
Wie twee stel onderkleren heeft, moet delen met hem die er geen heeft, en wie voedsel heeft, moet ook zo doen.

12Er kwamen ook tollenaars om gedoopt te worden en zij zeiden tegen hem: Meester, wat moeten wij doen?

13Hij zei tegen hen: Eis niet meer dan wat u voorgeschreven is.

14Ook de soldaten vroegen aan hem: En wij, wat moeten wij doen? Hij zei tegen hen: Val niemand lastig, pers niemand af en wees tevreden met uw soldij.

15En toen het volk in afwachting was en allen in hun hart zich ten aanzien van Johannes afvroegen of hij misschien niet de Christus was,

16antwoordde Johannes allen:

3:16
Matt. 3:11
Mark. 1:8
Joh. 1:26
Hand. 1:5
11:16
19:4
Ik doop u wel met water, maar Hij komt Die sterker is dan ik, bij Wie ik niet waard ben de riem van Zijn sandalen los te maken.
3:16
Jes. 44:3
Joël 2:28
Hand. 2:4
11:15
Hij zal u dopen met de Heilige Geest en met vuur.

17

3:17
Matt. 3:12
Zijn wan is in Zijn hand en Hij zal Zijn dorsvloer grondig reinigen en de tarwe in Zijn schuur verzamelen, maar het kaf zal Hij met onuitblusbaar vuur verbranden.

18Hij gaf ook nog veel andere aansporingen en verkondigde het volk het Evangelie.

19

3:19
Matt. 14:3
Mark. 6:18
Maar toen Herodes, de viervorst, door hem terechtgewezen werd omwille van Herodias, de vrouw van zijn broer Filippus, en om alle slechte dingen die Herodes deed,

20heeft hij ook dit nog bij dat alles gevoegd dat hij Johannes in de gevangenis opsloot.

Johannes doopt Jezus

21

3:21
Matt. 3:13
Mark. 1:9
Joh. 1:32
En het geschiedde, toen al het volk gedoopt was, en Jezus ook gedoopt was en aan het bidden was, dat de hemel geopend werd,

22en dat de Heilige Geest op Hem neerdaalde in lichamelijke gedaante als een duif. En er kwam een stem uit de hemel die zei:

3:22
Jes. 42:1
Matt. 17:5
Mark. 9:7
Luk. 9:35
Kol. 1:13
2 Petr. 1:17
U bent Mijn geliefde Zoon, in U heb Ik Mijn welbehagen!

Jezus' geslachtsregister

23En Hij, Jezus, was ongeveer dertig jaar toen Hij Zijn dienstwerk begon. Hij was, naar men dacht,

3:23
Matt. 13:55
Joh. 6:42
de Zoon van Jozef, de zoon van Heli,

24de zoon van Matthat, de zoon van Levi, de zoon van Melchi, de zoon van Janna, de zoon van Jozef,

25de zoon van Mattathias, de zoon van Amos, de zoon van Naüm, de zoon van Esli, de zoon van Naggai,

26de zoon van Maäth, de zoon van Mattathias, de zoon van Semeï, de zoon van Jozef, de zoon van Juda,

27de zoon van Joannas, de zoon van Rhesa, de zoon van Zerubbabel, de zoon van Sealthiël, de zoon van Neri,

28de zoon van Melchi, de zoon van Addi, de zoon van Kosam, de zoon van Elmodam, de zoon van Er,

29de zoon van Joses, de zoon van Eliëzer, de zoon van Jorim, de zoon van Matthat, de zoon van Levi,

30de zoon van Simeon, de zoon van Juda, de zoon van Jozef, de zoon van Jonan, de zoon van Eljakim,

31de zoon van Meleas, de zoon van Maïnan, de zoon van Mattatha, de zoon van Nathan, de zoon van David,

32de zoon van Isaï, de zoon van Obed, de zoon van Boaz, de zoon van Salmon, de zoon van Nahesson,

33de zoon van Aminadab, de zoon van Aram, de zoon van Esrom, de zoon van Perez, de zoon van Juda,

34de zoon van Jakob, de zoon van Izak, de zoon van Abraham, de zoon van

3:34
Gen. 11:10
Tera, de zoon van Nahor,

35de zoon van Serug, de zoon van Rehu, de zoon van Peleg, de zoon van Heber, de zoon van Selah,

36de zoon van Kenan, de zoon van Arfachsad, de zoon van Sem, de zoon van Noach, de zoon van Lamech,

37de zoon van Methusalach, de zoon van Henoch, de zoon van Jered, de zoon van Mahalalel, de zoon van Kenan,

38de zoon van Enos, de zoon van Seth, de zoon van

3:38
Gen. 5:3
Adam, de zoon van God.

4

De verzoeking in de woestijn

41

4:1
Matt. 4:1
Mark. 1:12
Jezus, vol van de Heilige Geest, keerde terug van de Jordaan en werd door de Geest naar de woestijn geleid,

2waar Hij veertig dagen verzocht werd door de duivel.

4:2
Ex. 34:28
1 Kon. 19:8
En Hij at niets in die dagen en ten slotte, toen die voorbij waren, kreeg Hij honger.

3En de duivel zei tegen Hem: Als U Gods Zoon bent, zeg dan tegen deze steen dat hij brood wordt.

4Maar Jezus antwoordde hem:

4:4
Deut. 8:3
Matt. 4:4
Er staat geschreven dat de mens van brood alleen niet zal leven, maar van elk woord van God.

5En daarna bracht de duivel Hem op een hoge berg en liet Hem in een ogenblik tijd al de koninkrijken van de wereld zien.

6En de duivel zei tegen Hem: Ik zal U al deze macht en de heerlijkheid van deze koninkrijken geven, want die is aan mij overgegeven en ik geef die aan wie ik maar wil;

7dus, als U mij zult aanbidden, zal het allemaal van U zijn.

8Maar Jezus antwoordde en zei tegen hem: Ga weg van Mij, satan, want er staat geschreven:

4:8
Deut. 6:13
10:20
1 Sam. 7:3
U zult de Heere, uw God, aanbidden en Hem alleen dienen.

9En hij bracht Hem naar Jeruzalem en zette Hem op het hoogste gedeelte van de tempel, en hij zei tegen Hem: Als U de Zoon van God bent, werpt U Zich dan vanhier naar beneden,

10want er staat geschreven

4:10
Ps. 91:11
dat Hij Zijn engelen voor U bevel zal geven om U te bewaren,

11en dat zij U op de handen dragen zullen, opdat U Uw voet niet misschien aan een steen stoot.

12Maar Jezus antwoordde en zei tegen hem: Er is gezegd:

4:12
Deut. 6:16
U zult de Heere, uw God, niet verzoeken.

13En toen de duivel alle verzoeking beëindigd had, verliet hij Hem tot een bepaalde tijd.

Het begin van Jezus' prediking

14

4:14
Matt. 4:12
Mark. 1:14
Joh. 4:43
Hand. 10:37
En Jezus keerde door de kracht van de Geest terug naar Galilea, en het gerucht over Hem verspreidde zich door heel de omgeving.

15En Hij gaf onderwijs in hun synagogen en werd door allen geprezen.

Jezus in Nazareth verworpen

16

4:16
Matt. 13:54
Mark. 6:1
Joh. 4:43
En Hij kwam in Nazareth, waar Hij opgevoed was, en ging naar Zijn gewoonte op de dag van de sabbat naar de synagoge,
4:16
Neh. 8:5,6
en Hij stond op om te lezen.

17En aan Hem werd het boek van de profeet Jesaja gegeven, en toen Hij het boek opengedaan had, vond Hij de plaats waar geschreven stond:

18

4:18
Jes. 61:1
De Geest van de Heere is op Mij, omdat Hij Mij gezalfd heeft; Hij heeft Mij gezonden
4:18
Matt. 11:5
om aan armen het Evangelie te verkondigen, om te genezen wie gebroken van hart zijn,

19

4:19
Jes. 42:7
61:1,2
om aan gevangenen vrijlating te prediken en aan blinden het gezichtsvermogen, om verslagenen weg te zenden in vrijheid, om het jaar van het welbehagen van de Heere te prediken.

20En toen Hij het boek dichtgedaan en aan de dienaar teruggegeven had, ging Hij zitten, en de ogen van allen in de synagoge waren op Hem gevestigd.

21Hij begon tegen hen te zeggen: Heden is deze Schrift in uw oren in vervulling gegaan.

22En zij betuigden Hem allen hun instemming en

4:22
Jes. 50:4
Matt. 13:54
Mark. 6:2
Luk. 2:47
verwonderden zich over de woorden van genade die uit Zijn mond kwamen, en zij zeiden:
4:22
Joh. 6:42
Is Híj niet de Zoon van Jozef?

23Maar Hij zei tegen hen: U zult Mij ongetwijfeld dit spreekwoord voorhouden: Dokter, genees uzelf; alles waarvan wij gehoord hebben

4:23
Matt. 4:13
dat het in Kapernaüm gebeurd is, doe dat ook hier in Uw vaderstad.

24Hij zei: Voorwaar, Ik zeg u

4:24
Matt. 13:57
Mark. 6:4
Joh. 4:44
dat geen profeet welgevallig is in zijn vaderstad.

25Maar Ik zeg u naar waarheid: Er waren

4:25
1 Kon. 17:7
Jak. 5:17
veel weduwen in Israël in de dagen van Elia, toen de hemel drie jaar en zes maanden gesloten was, zodat er grote hongersnood kwam over heel het land,

26en naar geen van hen werd Elia gezonden, maar wel naar Zarfath bij Sidon, naar een vrouw, een weduwe.

27Ook waren er

4:27
2 Kon. 5:14
veel melaatsen in Israël in de tijd van de profeet Elisa, en geen van hen werd gereinigd, maar wel Naäman, de Syriër.

28En allen in de synagoge werden met woede vervuld toen zij dit hoorden,

29en zij stonden op, dreven Hem de stad uit en brachten Hem op de top van de berg waarop hun stad gebouwd was, om Hem van de steilte af te werpen.

30Maar Hij liep midden tussen hen door en ging weg.

De eerste genezing op de sabbat

31

4:31
Matt. 4:13
Mark. 1:21
En Hij daalde af naar Kapernaüm, een stad in Galilea, en onderwees hen op de sabbatdagen.

32

4:32
Matt. 7:29
Mark. 1:22
En zij stonden versteld van Zijn onderricht, want Zijn woord was met gezag.

33

4:33
Mark. 1:23
En in de synagoge was een man die een geest van een onreine demon had, en die riep met luide stem:

34Ga weg! Wat hebben wij met U te maken, Jezus de Nazarener? Bent U gekomen om ons te gronde te richten? Ik weet Wie U bent, namelijk de Heilige van God.

35Maar Jezus bestrafte hem en zei: Zwijg! Ga uit hem weg! En de demon ging uit hem weg, nadat hij hem in het midden geworpen had, zonder hem in enig opzicht letsel te bezorgen.

36En zij werden allen erg verbaasd.4:36 werden … verbaasd - Letterlijk: er kwam verbazing over … Zij spraken met elkaar en zeiden: Wat is dit voor woord, dat Hij met gezag en kracht de onreine geesten bevel geeft en zij weggaan?

37En de roep over Hem verspreidde zich naar elke plaats in de omgeving.

De schoonmoeder van Petrus

38

4:38
Matt. 8:14
Mark. 1:29
Nadat Jezus opgestaan en uit de synagoge vertrokken was, ging Hij naar het huis van Simon. De schoonmoeder van Simon had hoge koorts en ze vroegen Hem om hulp voor haar.

39En Hij boog Zich over haar heen en bestrafte de koorts en die verliet haar. Zij stond onmiddellijk op en diende hen.

40

4:40
Matt. 8:16
Mark. 1:32
Toen de zon onderging, brachten allen die zieken hadden, door allerlei kwalen gekweld, deze zieken bij Hem;
4:40
Mark. 7:32
8:23,25
en Hij legde ieder van hen de handen op en genas hen.

41

4:41
Mark. 1:34
3:11
Ook gingen er van velen demonen uit, die schreeuwden en zeiden: U bent de Christus, de Zoon van God! Maar Hij bestrafte hen en liet hun niet toe te spreken, omdat zij wisten dat Hij de Christus was.

Prediking in heel Galilea

42

4:42
Mark. 1:35
Toen het dag geworden was, ging Hij naar buiten en begaf Zich naar een eenzame plaats. De menigten zochten Hem en kwamen bij Hem en probeerden Hem tegen te houden, opdat Hij niet van hen weg zou gaan.

43Maar Hij zei tegen hen: Ik moet ook andere steden het Evangelie van het Koninkrijk van God verkondigen, want daarvoor ben Ik uitgezonden.

44En Hij predikte in de synagogen van Galilea.

5

De wonderbare visvangst

51En

5:1
Matt. 13:2
Mark. 4:1
het gebeurde, toen de menigte op Hem aandrong om het Woord van God te horen, dat Hij bij het meer Gennesaret stond.

2En Hij zag twee schepen aan de oever van het meer liggen; de vissers waren eruit gegaan en spoelden de netten.

3Hij ging aan boord van een van die schepen, dat van Simon was, en vroeg hem een eindje van het land af te varen, en Hij ging zitten en onderwees de menigte vanuit het schip.

4Toen Hij ophield met spreken, zei Hij tegen Simon:

5:4
Joh. 21:6
Vaar naar het diepe gedeelte en werp uw netten uit om te vangen.

5Maar Simon antwoordde en zei tegen Hem: Meester, wij hebben heel de nacht gewerkt en niets gevangen, maar op Uw woord zal ik het net uitwerpen.

6En nadat zij dat gedaan hadden, vingen zij een grote hoeveelheid vissen en hun net begon te scheuren.

7En zij wenkten hun metgezellen, die in het andere schip waren, dat zij hen moesten komen helpen. Die kwamen en zij vulden beide schepen, zodat zij bijna zonken.

8Toen Simon Petrus dat zag, viel hij neer voor de knieën van Jezus en zei: Heere, ga weg van mij, want ik ben een zondig mens.

9Want grote verbazing had hem en allen die met hem waren, bevangen, over de vangst van de vissen die zij gedaan hadden;

10en evenzo ook Jakobus en Johannes, de zonen van Zebedeüs, die metgezellen van Simon waren. En Jezus zei tegen Simon: Wees niet bevreesd,

5:10
Jer. 16:16
Ezech. 47:9
Matt. 4:19
Mark. 1:17
van nu aan zult u mensen vangen.

11En nadat zij de schepen aan land gebracht hadden,

5:11
Matt. 4:20
19:27
Mark. 10:28
Luk. 18:28
lieten zij alles achter en volgden Hem.

De reiniging van een melaatse

12

5:12
Matt. 8:2
Mark. 1:40
En toen Hij in een van die steden was, gebeurde het, zie, dat er een man vol melaatsheid was. En toen hij Jezus zag, wierp hij zich met het gezicht ter aarde en bad Hem: Heere, als U wilt, kunt U mij reinigen.

13En Hij stak Zijn hand uit, raakte hem aan en zei: Ik wil het, word gereinigd. En meteen verliet de melaatsheid hem.

14En Hij beval hem dat hij het aan niemand zou vertellen. Maar ga heen, zei Hij, laat uzelf aan de priester zien, en breng een offer voor uw reiniging,

5:14
Lev. 13:2
14:2
Matt. 8:4
zoals Mozes bevolen heeft, tot een getuigenis voor hen.

15Het gerucht over Hem verspreidde zich echter des te meer en een grote menigte kwam bijeen om Hem te horen en door Hem genezen te worden van hun ziekten.

16Maar Hij vertrok naar de woestijnen en bad daar.

De genezing van een verlamde

17En het gebeurde op een van die dagen dat Hij onderwijs gaf en dat er Farizeeën en leraars van de wet zaten, die van alle dorpen van Galilea en Judea en uit Jeruzalem gekomen waren. En er was kracht van de Heere om hen te genezen.

18

5:18
Matt. 9:1
Mark. 2:3
Hand. 9:33
En zie, enkele mannen brachten op een bed een man die verlamd was, en zij probeerden hem binnen te brengen en voor Hem neer te leggen;

19maar toen zij vanwege de menigte geen mogelijkheid vonden om hem naar binnen te brengen, klommen zij het dak op en lieten hem, tussen de daktegels door, met het bed neer in het midden, vóór Jezus.

20En toen Hij hun geloof zag, zei Hij tegen hem: Man, uw zonden zijn u vergeven.

21En de schriftgeleerden en de Farizeeën begonnen te overleggen: Wie is deze Man Die godslastering spreekt?

5:21
Ps. 32:5
Jes. 43:25
Wie kan zonden vergeven dan God alleen?

22Maar Jezus, Die hun overwegingen kende, antwoordde en zei tegen hen: Wat overlegt u in uw hart?

23Wat is gemakkelijker, te zeggen: Uw zonden zijn u vergeven, of te zeggen: Sta op en ga lopen?

24Maar opdat u zult weten dat de Zoon des mensen macht heeft op de aarde om zonden te vergeven (zei Hij tegen de verlamde): Ik zeg u, sta op, neem uw bed op en ga naar uw huis.

25En hij stond onmiddellijk voor hun ogen op, en nadat hij datgene opgenomen had waarop hij gelegen had, ging hij naar zijn huis, terwijl hij God verheerlijkte.

26En ontsteltenis greep hen allen aan en zij verheerlijkten God, en werden vervuld met vrees en zeiden: Wij hebben vandaag ongelofelijke dingen gezien.

De roeping van Levi

27

5:27
Matt. 9:9
Mark. 2:14,15
En hierna ging Hij weg, en Hij zag een tollenaar, van wie de naam Levi was, in het tolhuis zitten en Hij zei tegen hem: Volg Mij!

28En hij stond op, liet alles achter en volgde Hem.

29En Levi bereidde voor Hem een grote maaltijd in zijn huis

5:29
Matt. 9:10
Mark. 2:15
Luk. 15:1
en er was een grote menigte van tollenaars en van anderen die met hen aanlagen.

30En hun schriftgeleerden en de Farizeeën morden tegen Zijn discipelen en zeiden: Waarom eet en drinkt u met tollenaars en zondaars?

31Maar Jezus antwoordde en zei tegen hen: Wie gezond zijn, hebben geen dokter nodig, maar wie ziek zijn.

32

5:32
Matt. 9:13
Luk. 19:10
1 Tim. 1:15
Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen tot bekering te roepen, maar zondaars.

Het vasten

33

5:33
Matt. 9:14
En zij zeiden tegen Hem: Waarom vasten de discipelen van Johannes dikwijls en doen zij gebeden, en evenzo ook de discipelen van de Farizeeën, maar die van U eten en drinken?

34Maar Hij zei tegen hen:

5:34
Jes. 62:5
2 Kor. 11:2
Kunt u de bruiloftsgasten laten vasten, terwijl de Bruidegom bij hen is?

35De dagen zullen echter komen, wanneer de Bruidegom van hen weggenomen zal zijn; dan, in die dagen, zullen zij vasten.

36Hij sprak ook tot hen een gelijkenis: Niemand zet een lap van een nieuw bovenkleed op een oud bovenkleed; anders zal de nieuwe lap het oude bovenkleed doen scheuren, en de lap van het nieuwe past niet bij het oude.

37En niemand doet

5:37
Matt. 9:17
Mark. 2:22
nieuwe wijn in oude leren zakken; anders zal de nieuwe wijn de zakken doen barsten en de wijn zelf zal eruit stromen en de zakken zullen verloren gaan.

38Maar nieuwe wijn moet men in nieuwe zakken doen en beide blijven ze behouden.

39En niemand die oude wijn drinkt, wil meteen nieuwe, want hij zegt: De oude is beter.