Herziene Statenvertaling (HSV)
21

De kleine munten van de weduwe

211En

21:1
2 Kon. 12:9
Mark. 12:41
toen Hij opkeek, zag Hij de rijken hun gaven in de schatkist werpen,

2en Hij zag ook een zekere arme weduwe twee kleine munten daarin werpen.

3En Hij zei: Werkelijk, Ik zeg u dat deze

21:3
2 Kor. 8:12
arme weduwe er meer dan allen in geworpen heeft.

4Want die allen hebben van hun overvloed daarin geworpen als offergave aan God, maar zij heeft van haar armoede alles wat ze voor haar levensonderhoud had, daarin geworpen.

De verwoesting van Jeruzalem voorzegd

5

21:5
Matt. 24:1
Mark. 13:1
En toen sommigen over de tempel zeiden dat hij met prachtige stenen en aan God gewijde geschenken versierd was, zei Hij:

6Wat betreft deze dingen waarnaar u kijkt:

21:6
1 Kon. 9:7
Micha 3:12
Luk. 19:44
Er zullen dagen komen waarin niet één steen op de andere steen gelaten zal worden die niet afgebroken zal worden.

7En zij vroegen Hem: Meester, wanneer zal dat dan zijn en wat is het teken dat deze dingen zullen gebeuren?

8

21:8
Jer. 29:8
Matt. 24:4
Efez. 5:6
Kol. 2:18
2 Thess. 2:2
1 Joh. 4:1
En Hij zei: Pas op dat u niet misleid wordt,
21:8
Jer. 14:14
23:21
want velen zullen komen onder Mijn Naam en zeggen: Ik ben de Christus, en: De tijd is nabijgekomen. Ga hen dan niet achterna.

9En wanneer u zult horen van oorlogen en allerlei oproer, wees dan niet verschrikt. Want deze dingen moeten eerst geschieden, maar dat betekent niet meteen het einde.

10Toen zei Hij tegen hen:

21:10
Jes. 19:2
Het ene volk zal tegen het andere volk opstaan en het ene koninkrijk tegen het andere koninkrijk;

11en er zullen grote aardbevingen zijn in verschillende plaatsen, hongersnoden en besmettelijke ziekten. Er zullen ook verschrikkelijke dingen en grote tekenen vanuit de hemel plaatsvinden.

12

21:12
Matt. 10:17
24:9
Mark. 13:9
Joh. 16:2
Openb. 2:10
Maar vóór dit alles zullen ze de handen aan u slaan en u vervolgen, door u over te leveren in de synagogen en
21:12
Hand. 4:3
5:18
12:4
16:24
gevangenissen, en u zult voor
21:12
Hand. 25:23
koningen en stadhouders geleid worden omwille van Mijn Naam.

13En dit zal u overkomen, opdat u zult getuigen.

14

21:14
Matt. 10:19
Mark. 13:11
Neem u dan in uw hart voor niet van tevoren te bedenken hoe u zich moet verdedigen.

15

21:15
Ex. 4:12
Jes. 54:17
Matt. 10:19
Hand. 6:10
Want Ik zal u mond en wijsheid geven die al uw tegenstanders niet zullen kunnen weerspreken of weerstaan.

16

21:16
Micha 7:6
En u zult ook door ouders, broers, familieleden en vrienden overgeleverd worden, en zij zullen sommigen van u
21:16
Hand. 7:59
12:2
doden.

17

21:17
Matt. 10:22
Mark. 13:13
En u zult omwille van Mijn Naam door allen gehaat worden.

18

21:18
1 Sam. 14:45
2 Sam. 14:11
1 Kon. 1:52
Matt. 10:30
Maar er zal beslist geen haar van uw hoofd verloren gaan.

19Door uw volharding zult u uw leven21:19 uw leven - Letterlijk: uw zielen. verkrijgen.

De grote verdrukking

20

21:20
Dan. 9:27
Matt. 24:15
Mark. 13:14
Wanneer u zult zien dat Jeruzalem door legers omringd wordt, weet dan dat zijn verwoesting nabij is.

21Laten dan wie in Judea zijn, vluchten naar de bergen en wie in het midden van Jeruzalem zijn, daaruit wegtrekken en wie op de velden zijn, er niet in gaan.

22Want dit zijn dagen van wraak,

21:22
Dan. 9:26,27
Matt. 24:15
Mark. 13:14
opdat al wat geschreven staat, vervuld wordt.

23Maar wee de zwangeren en de zogenden in die dagen, want er zal grote nood zijn in het land en toorn over dit volk.

24En zij zullen vallen door de scherpte van het zwaard en in gevangenschap weggevoerd worden onder alle heidenen. En Jeruzalem zal door de heidenen vertrapt worden,

21:24
Rom. 11:25
totdat de tijden van de heidenen vervuld zullen zijn.

De wederkomst

25

21:25
Jes. 13:10
Ezech. 32:7
Joël 2:31
3:15
Matt. 24:29
Mark. 13:24
Openb. 6:12
En er zullen tekenen zijn in zon, maan en sterren, en op de aarde benauwdheid onder de volken, in radeloosheid vanwege het bulderen van zee en golven.

26En het hart van de mensen zal bezwijken van vrees en verwachting van de dingen die de wereld zullen overkomen, want de krachten van de hemelen zullen heftig bewogen worden.

27

21:27
Dan. 7:10
Matt. 16:27
24:30
25:31
26:64
Mark. 13:26
14:62
Hand. 1:11
2 Thess. 1:10
Openb. 1:7
En dan zullen zij de Zoon des mensen zien komen in een wolk, met grote kracht en heerlijkheid.

28Wanneer nu deze dingen beginnen te geschieden, kijk dan omhoog en hef uw hoofd op,

21:28
Rom. 8:23
omdat uw verlossing nabij is.

29

21:29
Matt. 24:32
Mark. 13:28
En Hij sprak tot hen een gelijkenis: Kijk naar de vijgenboom en naar alle bomen.

30Zodra ze uitlopen en u dat ziet, weet u uit uzelf dat de zomer al nabij is.

31Zo ook u, wanneer u deze dingen zult zien geschieden, weet dan dat het Koninkrijk van God nabij is.

32Voorwaar, Ik zeg u dat dit geslacht zeker niet voorbij zal gaan, totdat alles geschied is.

33

21:33
Ps. 102:27
Jes. 51:6
Matt. 24:35
Hebr. 1:11
De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar Mijn woorden zullen beslist niet voorbijgaan.

Waakzaamheid

34

21:34
Rom. 13:13
1 Thess. 5:6
1 Petr. 4:7
Wees op uw hoede dat uw hart niet op enig moment bezwaard wordt door roes en dronkenschap en door zorgen over de alledaagse dingen, en dat die dag u niet onverwachts overkomt.

35

21:35
1 Thess. 5:2
2 Petr. 3:10
Openb. 3:3
16:15
Want als een strik zal hij komen over allen die op het hele aardoppervlak wonen.

36

21:36
Matt. 24:42
25:13
Mark. 13:33
Luk. 12:40
1 Thess. 5:6
Waak dan te allen tijde en bid dat u waardig geacht zult worden om al die dingen die gebeuren zullen, te ontvluchten, en om te kunnen bestaan voor de Zoon des mensen.

Jezus' laatste dagen in Jeruzalem

37

21:37
Joh. 8:2
Overdag nu gaf Hij onderwijs in de tempel, maar 's nachts ging Hij de stad uit en overnachtte op de berg die de Olijfberg heet.

38En al het volk kwam 's morgens vroeg naar Hem toe in de tempel om Hem te horen.

22

Tot Jezus' dood besloten

221Het

22:1
Ex. 12:15
Matt. 26:2
Mark. 14:1
Feest nu van de ongezuurde broden, dat Pascha heet, was nabij.

2

22:2
Ps. 2:2
Joh. 11:47
Hand. 4:27
En de overpriesters en de schriftgeleerden zochten naar een manier om Hem om te brengen, want zij waren bevreesd voor het volk.

Het verraad van Judas

3

22:3
Matt. 26:14
Mark. 14:10
Joh. 13:27
Toen voer de satan in Judas, die de bijnaam Iskariot had, die bij het getal van de twaalf behoorde.

4En hij ging weg en sprak met de overpriesters en bevelhebbers van de tempelwacht hoe hij Hem aan hen zou overleveren.

5En zij verblijdden zich en kwamen overeen hem geld te geven.

6En hij stemde erin toe en zocht een geschikte gelegenheid om Hem, buiten de menigte om, aan hen over te leveren.

Het laatste paasfeest

7

22:7
Matt. 26:17
Mark. 14:12,13
De dag van de ongezuurde broden brak aan, waarop men het Pascha moest slachten.

8En Hij stuurde Petrus en Johannes eropuit en zei: Ga heen, maak voor ons het Pascha gereed, zodat wij het kunnen eten.

9Zij zeiden dan tegen Hem: Waar wilt U dat wij het gereedmaken?

10En Hij zei tegen hen: Zie, als u de stad binnengaat, zal iemand u tegemoetkomen die een kruik water draagt. Volg hem naar het huis waar hij binnengaat.

11En u zult tegen de heer des huizes zeggen: De Meester zegt u: Waar is de eetzaal waar Ik het Pascha met Mijn discipelen eten zal?

12En hij zal u een grote bovenzaal wijzen, die volledig is ingericht. Maak het daar gereed.

13Zij nu gingen weg en vonden het zoals Hij hun gezegd had; en ze maakten het Pascha gereed.

Het Heilig Avondmaal

14

22:14
Matt. 26:20
Mark. 14:17
En toen het uur gekomen was, ging Hij aan tafel aanliggen, en de twaalf apostelen met Hem.

15En Hij zei tegen hen: Ik heb er vurig22:15 vurig - Letterlijk: met begeerte. naar verlangd dit Pascha met u te eten, voordat Ik ga lijden.

16Want Ik zeg u dat Ik daar zeker niet meer van zal eten, totdat het vervuld is in het Koninkrijk van God.

17En nadat Hij een drinkbeker genomen had en gedankt had, zei Hij: Neem deze en deel hem onder elkaar.

18Want Ik zeg u dat Ik niet drinken zal van de vrucht van de wijnstok, totdat het Koninkrijk van God gekomen is.

19

22:19
Matt. 26:26
Mark. 14:22
1 Kor. 11:23,24
En Hij nam brood en nadat Hij gedankt had, brak Hij het en gaf het aan hen met de woorden: Dit is Mijn lichaam, dat voor u gegeven wordt. Doe dat tot Mijn gedachtenis.

20Evenzo nam Hij ook de drinkbeker na het gebruiken van de maaltijd en zei: Deze drinkbeker is het nieuwe testament22:20 testament - Het Griekse woord betekent hier zowel testament als verbond. in Mijn bloed, dat voor u vergoten wordt.

21

22:21
Matt. 26:23
Mark. 14:18
Joh. 13:21
Maar zie, de hand van wie Mij verraadt, is met Mij aan de tafel.

22En de Zoon des mensen gaat wel heen

22:22
Ps. 41:10
Joh. 13:18
Hand. 1:6
zoals bepaald is, maar wee die mens door wie Hij verraden wordt.

23En zij begonnen zich onder elkaar af te vragen wie van hen het toch zou zijn die dat zou doen.

De ware eer

24Er ontstond ook onenigheid onder hen over wie van hen geacht werd de belangrijkste te zijn.

25En Hij zei tegen hen:

22:25
Matt. 20:25
Mark. 10:42
De koningen van de volken heersen over hen, en wie macht over hen hebben, worden weldoeners genoemd.

26

22:26
1 Petr. 5:3
Bij u echter moet dat zo niet zijn,
22:26
Luk. 9:48
maar de belangrijkste onder u moet als de jongste worden en wie leiding geeft als iemand die dient.

27Want wie is belangrijker: hij die aanligt of hij die bedient? Is het niet hij die aanligt?

22:27
Matt. 20:28
Joh. 13:14
Filipp. 2:7
Ik echter ben in uw midden als Iemand Die dient.

28En u bent het die steeds bij Mij gebleven bent in Mijn verzoekingen.

29

22:29
Luk. 12:32
En Ik beschik u het Koninkrijk, zoals Mijn Vader dat aan Mij beschikt heeft,

30opdat u eet en drinkt aan Mijn tafel in Mijn Koninkrijk en

22:30
Matt. 19:28
Openb. 3:21
op tronen zit en de twaalf stammen van Israël oordeelt.

Petrus gewaarschuwd

31En de Heere zei: Simon, Simon, zie,

22:31
1 Petr. 5:8
de satan heeft u allen opgeëist om te ziften als de tarwe.

32Maar Ik heb voor u gebeden dat uw geloof niet ophoudt. En u, als u eens tot inkeer gekomen bent, versterk dan uw broeders.

33En hij zei tegen Hem: Heere, met U ben ik bereid om zelfs de gevangenis en de dood in te gaan.

34Maar Hij zei:

22:34
Matt. 26:34
Mark. 14:30
Joh. 13:38
Ik zeg u, Petrus, de haan zal vandaag beslist niet kraaien, voordat u driemaal geloochend zult hebben dat u Mij kent.

De twee zwaarden

35En Hij zei tegen hen:

22:35
Matt. 10:9
Mark. 6:8
Luk. 9:3
Heeft het u aan iets ontbroken, toen Ik u uitzond zonder beurs, reiszak en sandalen? Zij zeiden: Aan niets.

36Hij zei dan tegen hen: Maar nu, laat wie een beurs heeft, hem meenemen, evenzo ook een reiszak. En wie geen zwaard heeft, laat die zijn bovenkleed verkopen en er een kopen.

37Want Ik zeg u dat dit wat geschreven staat, nog in Mij volbracht moet worden, namelijk:

22:37
Jes. 53:12
Mark. 15:28
En Hij is tot de misdadigers gerekend. Ook wat er over Mij geschreven is, heeft immers een einddoel.

38Zij zeiden: Heere, zie hier zijn twee zwaarden. En Hij zei tegen hen: Het is genoeg.

Jezus in Gethsémané

39

22:39
Matt. 26:36
Mark. 14:32
Joh. 8:1
18:1
En Hij ging de stad uit en vertrok, zoals Hij gewoon was, naar de Olijfberg; en ook Zijn discipelen volgden Hem.

40Toen Hij op die plaats gekomen was, zei Hij tegen hen: Bid dat u niet in verzoeking komt.

41

22:41
Matt. 26:39
Mark. 14:35
En Hij verwijderde Zich van hen ongeveer een steenworp afstand, knielde neer en bad:

42Vader, als U wilt, neem deze drinkbeker van Mij weg; maar laat niet Mijn wil,

22:42
Joh. 6:38
maar de Uwe geschieden.

43En aan Hem verscheen een engel uit de hemel, die Hem versterkte.

44

22:44
Joh. 12:27
Hebr. 5:7
En Hij kwam in zware zielenstrijd en bad des te vuriger. En Zijn zweet werd als grote druppels bloed, die op de aarde neervielen.

45En toen Hij van het gebed opgestaan was, kwam Hij bij Zijn discipelen en vond hen slapend van droefheid.

46En Hij zei tegen hen: Hoe kunt u slapen! Sta op, en bid dat u niet in verzoeking komt.

Gevangenneming van Jezus

47

22:47
Matt. 26:47
Mark. 14:43
Joh. 18:3
En terwijl Hij nog sprak, zie, een menigte; en een van de twaalf, die Judas heette, liep voor hen uit en kwam bij Jezus om Hem te kussen.

48En Jezus zei tegen hem: Judas, verraadt u de Zoon des mensen met een kus?

49En toen zij die bij Hem waren, zagen wat er ging gebeuren, zeiden ze tegen Hem: Heere, zullen wij er met het zwaard op in slaan?

50

22:50
Matt. 26:51
Mark. 14:47
En een van hen trof de dienaar van de hogepriester en sloeg hem zijn rechteroor af.

51Maar Jezus antwoordde en zei: Laat hen tot hiertoe begaan. En Hij raakte zijn oor aan en genas hem.

52

22:52
Matt. 26:55
Mark. 14:48
En Jezus zei tegen de overpriesters, de bevelhebbers van de tempelwacht en de oudsten die op Hem afgekomen waren: Bent u eropuit gegaan met zwaarden en stokken als tegen een misdadiger?

53Toen Ik dagelijks bij u was in de tempel, hebt u de handen niet naar Mij uitgestoken. Maar dit is uw uur en de macht van de duisternis.

Verloochening van Petrus

54

22:54
Matt. 26:57
Mark. 14:53
Joh. 18:12,24
En zij namen Hem gevangen en voerden Hem weg en brachten Hem in het huis van de hogepriester. En Petrus volgde op een afstand.

55

22:55
Matt. 26:69
Mark. 14:54,66
Joh. 18:16,25
En toen zij een vuur aangestoken hadden midden op de binnenplaats, en zij samen daaromheen waren gaan zitten, ging Petrus in hun midden zitten.

56En een zeker dienstmeisje zag hem bij het vuur zitten en zei, met haar ogen op hem gericht: Ook hij was bij Hem.

57Maar hij verloochende Hem en zei: Vrouw, ik ken Hem niet.

58En kort daarna zag een ander hem en zei: Ook u bent een van hen. Maar Petrus zei: Mens, dat ben ik niet.

59En ongeveer een uur later bevestigde een ander met stelligheid: Het is werkelijk waar, ook hij was bij Hem, want hij is ook een Galileeër.

60Maar Petrus zei: Mens, ik weet niet wat u zegt. En onmiddellijk, terwijl hij nog sprak, kraaide de haan.

61En de Heere keerde Zich om en keek Petrus aan. En Petrus herinnerde zich het woord van de Heere, hoe Hij tegen hem gezegd had:

22:61
Matt. 26:34,75
Mark. 14:72
Joh. 13:38
18:27
Voordat de haan gekraaid zal hebben, zult u Mij driemaal verloochend hebben.

62En Petrus ging naar buiten en huilde bitter.

Jezus voor het Sanhedrin

63

22:63
Matt. 26:67
Mark. 14:65
En de mannen die Jezus vasthielden, bespotten Hem
22:63
Job 16:10
Jes. 50:6
Joh. 19:3
en sloegen Hem.

64En nadat ze Zijn gezicht bedekt hadden, sloegen zij Hem in het gezicht en vroegen Hem: Profeteer, wie is het die U geslagen heeft?

65En vele andere lasterlijke dingen zeiden zij tegen Hem.

66

22:66
Ps. 2:2
Matt. 27:1
Mark. 15:1
Joh. 18:28
En toen het dag geworden was, kwam de Raad van oudsten van het volk bijeen – overpriesters en schriftgeleerden – en leidden Hem in hun raadsvergadering.

67En zij zeiden: Bent U de Christus? Zeg het ons. En Hij zei tegen hen: Als Ik het u zeg, zult u het zeker niet geloven.

68En als Ik een vraag zal stellen, zult u Mij zeker niet antwoorden, of Mij loslaten.

69

22:69
Dan. 7:9
Matt. 16:27
24:30
25:31
26:64
Mark. 14:62
Hand. 1:11
1 Thess. 1:10
Openb. 1:7
Van nu aan zal de Zoon des mensen gezeten zijn aan de rechterhand van de kracht van God.

70En zij zeiden allen: Bent U dan de Zoon van God? En Hij zei tegen hen: U zegt dat Ik het ben.

71En zij zeiden: Welk getuigenis hebben wij nog nodig? Want wij hebben het zelf uit Zijn mond gehoord.

23

Jezus voor Pilatus

231En

23:1
Matt. 27:2
Mark. 15:1
Joh. 18:28
de hele menigte van hen stond op en leidde Hem naar Pilatus.

2En zij begonnen Hem te beschuldigen en zeiden: Wij hebben ontdekt dat Deze het volk afvallig maakt, en

23:2
Matt. 17:25
22:21
Mark. 12:17
Luk. 20:25
Rom. 13:7
dat Hij verbiedt belasting te betalen aan de keizer en dat Hij van Zichzelf
23:2
Hand. 17:7
zegt dat Hij Christus, de Koning, is.

3

23:3
Matt. 27:11
Mark. 15:2
Joh. 18:33
Toen vroeg Pilatus Hem: U bent de Koning van de Joden? Hij nu antwoordde hem en zei: U zegt het.

4Pilatus zei tegen de overpriesters en de menigten: Ik vind geen schuld in deze Mens.

5Maar zij drongen des te sterker aan en zeiden: Hij hitst het volk op door in heel Judea onderwijs te geven, van toen Hij begon in Galilea tot hiertoe.

6Toen Pilatus nu van Galilea hoorde, vroeg hij of die Mens een Galileeër was.

7

23:7
Luk. 3:1
En toen hij te weten kwam dat Hij uit het machtsgebied van Herodes afkomstig was, stuurde hij Hem naar Herodes toe, die zelf ook in die dagen in Jeruzalem was.

Jezus voor Herodes

8

23:8
Luk. 9:7
En toen Herodes Jezus zag, werd hij erg blij, want hij had al lange tijd gewenst Hem te zien, omdat hij veel over Hem gehoord had; en hij hoopte een of ander teken te zien dat door Hem gedaan zou worden.

9En hij ondervroeg Hem met veel woorden, maar Hij antwoordde hem niets.

10En de overpriesters en de schriftgeleerden stonden Hem heftig te beschuldigen.

11En toen Herodes, samen met zijn soldaten, Hem gehoond en bespot had, deed hij Hem een sierlijk gewaad om en stuurde Hem terug naar Pilatus.

12

23:12
Hand. 4:27
En op diezelfde dag werden Pilatus en Herodes vrienden van elkaar; voor die tijd leefden zij namelijk in vijandschap met elkaar.

Barabbas losgelaten

13

23:13
Matt. 27:23
Mark. 15:14
Joh. 18:38
19:4
Nadat Pilatus de overpriesters en de leiders en het volk bijeengeroepen had, zei hij tegen hen:

14U hebt deze Mens naar mij toe gebracht als Iemand Die het volk afvallig maakt. En zie, ik heb Hem in uw aanwezigheid ondervraagd, maar ik heb in deze Mens niets gevonden dat Hem schuldig maakt aan die dingen waarvan u Hem beschuldigt.

15Ja, ook Herodes niet, want ik heb u naar hem toe gestuurd en zie, er is door Hem niets gedaan wat de dood verdient.

16Ik zal Hem dan straffen en loslaten.

17

23:17
Matt. 27:15
Mark. 15:6
Joh. 18:39
Hij was immers verplicht op het feest voor hen iemand los te laten.

18Maar de hele menigte schreeuwde als één man:

23:18
Hand. 3:14
Weg met Deze, en laat voor ons Barabbas los.

19Dat was iemand die om een of ander oproer dat in de stad plaatsgevonden had, en om een moord in de gevangenis geworpen was.

20Pilatus dan sprak hen opnieuw toe, omdat hij Jezus wilde loslaten.

21Maar zij riepen terug: Kruisig Hem, kruisig Hem.

22Hij zei echter voor de derde keer tegen hen: Wat voor kwaad heeft Hij dan gedaan? Ik heb niets in Hem gevonden wat de dood verdient. Ik zal Hem dan straffen en loslaten.

23Maar zij drongen met luid geroep aan en eisten dat Hij gekruisigd zou worden. En hun geroep en dat van de overpriesters kreeg de overhand.

24

23:24
Matt. 27:26
Mark. 15:15
Joh. 19:16
En Pilatus besliste dat hun eis zou worden ingewilligd.

25En hij liet hun de man los die om oproer en moord in de gevangenis geworpen was, om wie zij gevraagd hadden. Maar Jezus leverde hij over aan hun wil.

Jezus op weg naar Golgotha

26

23:26
Matt. 27:32
Mark. 15:21
En toen zij Hem wegleidden, grepen zij een zekere Simon van Cyrene, die van de akker kwam, en legden hem het kruis op om het achter Jezus aan te dragen.

27En een grote menigte van volk volgde Hem; ook een menigte van vrouwen, die zich op de borst sloegen en Hem beklaagden.

28En Jezus keerde Zich naar hen om en zei: Dochters van Jeruzalem, huil niet over Mij, maar huil over uzelf en over uw kinderen,

29want zie, er komen dagen waarin men zal zeggen: Zalig zijn de onvruchtbaren en de buiken die niet gebaard hebben, en de borsten die niet gezoogd hebben.

30Dan zullen zij beginnen te zeggen tegen de bergen:

23:30
Jes. 2:19
Hos. 10:8
Openb. 6:16
9:6
Val op ons, en tegen de heuvels: Bedek ons.

31

23:31
Jer. 25:29
1 Petr. 4:17
Want als zij dit doen met het groene hout, wat zal er dan met het dorre gebeuren?

32

23:32
Joh. 19:18
En er werden ook twee anderen weggeleid, misdadigers, om met Hem ter dood gebracht te worden.

De kruisiging

33

23:33
Matt. 27:33,38
Mark. 15:22
Joh. 19:18
Toen zij op de plaats kwamen die Schedel genoemd werd, kruisigden ze Hem daar, met de misdadigers, de één aan de rechter- en de ander aan de linkerzijde.

34En Jezus zei:

23:34
Hand. 7:60
1 Kor. 4:12
Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen.
23:34
Ps. 22:19
Matt. 27:35
Mark. 15:24
Joh. 19:23
En ze verdeelden Zijn kleren en wierpen het lot.

35En het volk stond toe te kijken. En met hen beschimpten ook

23:35
Matt. 27:39
Mark. 15:29
hun leiders Hem. Zij zeiden: Anderen heeft Hij verlost, laat Hij nu Zichzelf verlossen als Hij de Christus is, de Uitverkorene van God.

36En ook de soldaten kwamen Hem bespotten en brachten Hem zure wijn.

37En zij zeiden: Als U de Koning van de Joden bent, verlos dan Uzelf.

38

23:38
Matt. 27:37
Mark. 15:26
Joh. 19:19
En er was ook een opschrift boven Hem geschreven in Griekse, Romeinse en Hebreeuwse letters: DIT IS DE KONING VAN DE JODEN.

39En een van de misdadigers die daar hingen, lasterde Hem en zei: Als U de Christus bent, verlos dan Uzelf en ons.

40Maar de andere antwoordde en bestrafte hem: Vreest zelfs u God niet, nu u hetzelfde vonnis ondergaat?

41En wij toch rechtvaardig, want wij ontvangen straf overeenkomstig wat wij gedaan hebben, maar Deze heeft niets onbehoorlijks gedaan.

42En hij zei tegen Jezus: Heere, denk aan mij, als U in Uw Koninkrijk gekomen bent.

43En Jezus zei tegen hem: Voorwaar, zeg Ik u, heden zult u met Mij in het paradijs zijn.

Jezus' dood

44

23:44
Matt. 27:45
Mark. 15:33
En het was ongeveer het zesde uur en er kwam duisternis over heel de aarde tot het negende uur toe.

45En de zon werd verduisterd

23:45
Matt. 27:51
Mark. 15:38
en het voorhangsel van de tempel scheurde middendoor.

46En Jezus riep met luide stem en zei:

23:46
Ps. 31:6
Matt. 27:50
Mark. 15:37
Joh. 19:30
Hand. 7:59
Vader, in Uw handen beveel Ik Mijn geest. En toen Hij dat gezegd had, gaf Hij de geest.

47

23:47
Matt. 27:54
Mark. 15:39
Toen de hoofdman over honderd zag wat er gebeurd was, verheerlijkte hij God en zei: Werkelijk, deze Mens was rechtvaardig.

48En al de menigten die samengekomen waren om dit te zien, zagen wat er gebeurd was en keerden terug, terwijl ze zich op de borst sloegen.

De begrafenis

49En al Zijn bekenden stonden op een afstand, ook de vrouwen die Hem samen gevolgd waren van Galilea, en zagen dit aan.

50

23:50
Matt. 27:57
Mark. 15:43
Joh. 19:38
En zie, daar was een man van wie de naam Jozef was, een raadsheer, een goed en rechtvaardig man.

51Deze had niet ingestemd met hun voornemen en handelwijze. Hij kwam uit Arimathea, een stad van de Joden, en verwachtte ook zelf het Koninkrijk van God.

52Deze ging naar Pilatus en vroeg om het lichaam van Jezus.

53En toen hij het van het kruis afgenomen had, wikkelde hij het in fijn linnen

23:53
Matt. 12:40
26:12
27:59
Mark. 15:46
en legde het in een graf dat in een rots uitgehouwen was, waarin nog nooit iemand gelegd was.

54En het was de dag van de voorbereiding en de sabbat brak aan.

55En ook de vrouwen

23:55
Luk. 8:2
die met Hem uit Galilea gekomen waren, volgden en zagen het graf en hoe Zijn lichaam erin gelegd werd.

56En toen zij teruggekeerd waren, maakten zij specerijen en mirre gereed. En op de sabbat rustten ze overeenkomstig het gebod.