Herziene Statenvertaling (HSV)
20

De vraag naar de bevoegdheid van Jezus

201

20:1
Matt. 21:23
Mark. 11:27
Hand. 4:7
7:27
Het gebeurde op een van die dagen, toen Hij in de tempel het volk onderwees en het Evangelie verkondigde, dat de overpriesters en de schriftgeleerden met de oudsten daarbij kwamen staan.

2En zij zeiden tegen Hem: Zeg ons met welke bevoegdheid U deze dingen doet, of wie het is die U deze bevoegdheid heeft gegeven.

3En Hij antwoordde en zei tegen hen: Ik zal u ook één vraag stellen. Zeg Mij eens:

4De doop van Johannes, was die uit de hemel of uit de mensen?

5Zij nu overlegden onder elkaar en zeiden: Als wij zeggen: Uit de hemel, dan zal Hij zeggen: Waarom hebt u hem dan niet geloofd?

6Maar als wij zeggen: Uit de mensen, dan zal heel het volk ons stenigen, want het is ervan overtuigd dat Johannes een profeet was.

7En zij antwoordden dat zij niet wisten vanwaar hij was.

8Daarop zei Jezus tegen hen: Dan zeg Ik u ook niet met welke bevoegdheid Ik deze dingen doe.

De slechte landbouwers

9

20:9
Ps. 80:9
Jes. 5:1
Jer. 2:21
12:10
Matt. 21:33
Mark. 12:1
En Hij begon tot het volk deze gelijkenis te zeggen: Iemand plantte een wijngaard en verhuurde die aan landbouwers en ging een tijd lang naar het buitenland.

10En toen het de tijd was, stuurde hij een dienaar naar de landbouwers, opdat zij hem een deel van de opbrengst van de wijngaard zouden geven. De landbouwers echter sloegen hem en stuurden hem met lege handen weg.

11En hij stuurde nog een andere dienaar, maar zij sloegen ook hem, behandelden hem schandelijk en stuurden hem met lege handen weg.

12Daarna stuurde hij nog een derde, maar zij verwondden ook deze en wierpen hem eruit.

13En de heer van de wijngaard zei: Wat zal ik doen? Ik zal mijn geliefde zoon sturen. Als zij deze zien, zullen zij mogelijk ontzag voor hem hebben.

14Maar toen de landbouwers hem zagen, overlegden zij onder elkaar en zeiden:

20:14
Ps. 2:8
Hebr. 1:2
Dit is de erfgenaam.
20:14
Gen. 37:18
Ps. 2:1
Matt. 26:3
27:1
Joh. 11:53
Kom, laten we hem doden, opdat de erfenis van ons zal worden.

15En toen zij hem buiten de wijngaard geworpen hadden, doodden zij hem. Wat zal dan de heer van de wijngaard met hen doen?

16Hij zal komen en die landbouwers ombrengen en zal de wijngaard aan anderen geven. En toen zij dit hoorden, zeiden zij: Dat nooit.

17Maar Hij keek hen aan en zei: Wat betekent dan dit wat

20:17
Ps. 118:22
Jes. 8:14
28:16
Matt. 21:42
Mark. 12:10
Hand. 4:11
Rom. 9:33
1 Petr. 2:4,7
geschreven staat: De steen die de bouwers verworpen hebben, is tot een hoeksteen geworden?

18

20:18
Jes. 8:15
Zach. 12:3
Ieder die op die steen valt, zal verpletterd worden
20:18
Dan. 2:34
en op wie hij valt, die zal hij vermorzelen.

19En de overpriesters en schriftgeleerden probeerden op datzelfde moment de hand aan Hem te slaan. Zij waren echter bevreesd voor het volk, want zij begrepen dat Hij deze gelijkenis met het oog op hen gesproken had.

Het betalen van belasting

20

20:20
Matt. 22:16
Mark. 12:13
En zij hielden Hem nauwlettend in het oog en stuurden spionnen die zich voordeden alsof zij rechtvaardig waren, met de bedoeling Hem op een woord te vangen en Hem dan over te leveren aan de overheid en aan de macht van de stadhouder.

21En zij stelden Hem een vraag en zeiden: Meester, wij weten dat U juist spreekt en onderwijs geeft en niemand naar de ogen ziet, maar de weg van God naar waarheid onderwijst.

22Is het ons geoorloofd de keizer belasting te betalen of niet?

23En Hij merkte hun sluwheid en zei tegen hen: Waarom verzoekt u Mij?

24Laat Mij een penning20:24 penning - Letterlijk: denarie, dat is het dagloon van een arbeider. zien. Van wie is het beeld en opschrift? Zij antwoordden en zeiden: Van de keizer.

25En Hij zei tegen hen:

20:25
Matt. 17:25
22:21
Rom. 13:7
Geef dan aan de keizer wat van de keizer is en aan God wat van God is.

26Zij nu konden Hem tegenover het volk op Zijn woord niet vangen en zij verwonderden zich over Zijn antwoord en zwegen.

De Sadduceeën en de opstanding

27

20:27
Matt. 22:23
Mark. 12:18
Hand. 23:8
En sommigen van de Sadduceeën, die ontkennen dat er een opstanding is, kwamen naar Hem toe, en vroegen Hem

28en zeiden: Meester,

20:28
Deut. 25:5
Mozes heeft ons geschreven: Als iemands broer die een vrouw heeft, sterft en deze sterft kinderloos, laat dan zijn broer de vrouw nemen en nageslacht voor zijn broer verwekken.

29Er waren nu zeven broers. En de eerste nam een vrouw en stierf kinderloos.

30Toen nam de tweede de vrouw en ook hij stierf kinderloos.

31Ook de derde nam haar en evenzo alle zeven. Zij lieten geen van allen kinderen na en zijn gestorven.

32En ten slotte stierf na allen ook de vrouw.

33In de opstanding nu, van wie van hen zal zij dan de vrouw zijn? Want die zeven hebben haar tot vrouw gehad.

34En Jezus antwoordde en zei tegen hen: De kinderen van deze wereld trouwen en worden ten huwelijk gegeven,

35maar zij die het waard geacht zijn die toekomstige wereld te verkrijgen, en de opstanding uit de doden, zullen niet trouwen en ook niet ten huwelijk gegeven worden.

36Want zij kunnen niet meer sterven, omdat zij

20:36
1 Joh. 3:2
gelijk zijn aan engelen. En zij zijn kinderen van God, omdat zij kinderen van de opstanding zijn.

37En dat de doden opgewekt zullen worden, heeft ook Mozes duidelijk te kennen gegeven bij de doornstruik, toen hij

20:37
Ex. 3:6
Hand. 7:32
Hebr. 11:16
de Heere de God van Abraham, de God van Izak en de God van Jakob noemde.

38God nu is niet een God van de doden, maar van de levenden, want voor Hem leven zij allen.

39En sommigen van de schriftgeleerden antwoordden en zeiden: Meester, dat hebt U goed gezegd.

40En zij durfden Hem verder niets meer te vragen.

De Zoon en de Heere van David

41

20:41
Matt. 22:42
Mark. 12:35
En Hij zei tegen hen: Hoe kan men zeggen dat de Christus een Zoon van David is?

42David zelf zegt namelijk in het boek van de psalmen:

20:42
Ps. 110:1
Hand. 2:34
1 Kor. 15:25
Hebr. 1:13
10:13
De Heere heeft gezegd tegen mijn Heere: Zit aan Mijn rechterhand,

43totdat Ik Uw vijanden neergelegd heb als een voetbank voor Uw voeten.

44David dan noemt Hem zijn Heere en hoe kan Hij dan zijn Zoon zijn?

Waarschuwing tegen de schriftgeleerden

45En ten aanhoren van al het volk zei Hij tegen Zijn discipelen:

46

20:46
Matt. 23:5,6
Mark. 12:38,39
Luk. 11:43
Wees op uw hoede voor de schriftgeleerden, die in lange gewaden rond willen lopen en zeer gesteld zijn op begroetingen op de markten, de voorste plaatsen in de synagogen en de ereplaatsen tijdens de maaltijden,

47

20:47
Matt. 23:14
Mark. 12:40
2 Tim. 3:6
Tit. 1:11
die de huizen van de weduwen verslinden en voor de schijn lange gebeden doen. Zij zullen een zwaarder oordeel ontvangen.

21

De kleine munten van de weduwe

211En

21:1
2 Kon. 12:9
Mark. 12:41
toen Hij opkeek, zag Hij de rijken hun gaven in de schatkist werpen,

2en Hij zag ook een zekere arme weduwe twee kleine munten daarin werpen.

3En Hij zei: Werkelijk, Ik zeg u dat deze

21:3
2 Kor. 8:12
arme weduwe er meer dan allen in geworpen heeft.

4Want die allen hebben van hun overvloed daarin geworpen als offergave aan God, maar zij heeft van haar armoede alles wat ze voor haar levensonderhoud had, daarin geworpen.

De verwoesting van Jeruzalem voorzegd

5

21:5
Matt. 24:1
Mark. 13:1
En toen sommigen over de tempel zeiden dat hij met prachtige stenen en aan God gewijde geschenken versierd was, zei Hij:

6Wat betreft deze dingen waarnaar u kijkt:

21:6
1 Kon. 9:7
Micha 3:12
Luk. 19:44
Er zullen dagen komen waarin niet één steen op de andere steen gelaten zal worden die niet afgebroken zal worden.

7En zij vroegen Hem: Meester, wanneer zal dat dan zijn en wat is het teken dat deze dingen zullen gebeuren?

8

21:8
Jer. 29:8
Matt. 24:4
Efez. 5:6
Kol. 2:18
2 Thess. 2:2
1 Joh. 4:1
En Hij zei: Pas op dat u niet misleid wordt,
21:8
Jer. 14:14
23:21
want velen zullen komen onder Mijn Naam en zeggen: Ik ben de Christus, en: De tijd is nabijgekomen. Ga hen dan niet achterna.

9En wanneer u zult horen van oorlogen en allerlei oproer, wees dan niet verschrikt. Want deze dingen moeten eerst geschieden, maar dat betekent niet meteen het einde.

10Toen zei Hij tegen hen:

21:10
Jes. 19:2
Het ene volk zal tegen het andere volk opstaan en het ene koninkrijk tegen het andere koninkrijk;

11en er zullen grote aardbevingen zijn in verschillende plaatsen, hongersnoden en besmettelijke ziekten. Er zullen ook verschrikkelijke dingen en grote tekenen vanuit de hemel plaatsvinden.

12

21:12
Matt. 10:17
24:9
Mark. 13:9
Joh. 16:2
Openb. 2:10
Maar vóór dit alles zullen ze de handen aan u slaan en u vervolgen, door u over te leveren in de synagogen en
21:12
Hand. 4:3
5:18
12:4
16:24
gevangenissen, en u zult voor
21:12
Hand. 25:23
koningen en stadhouders geleid worden omwille van Mijn Naam.

13En dit zal u overkomen, opdat u zult getuigen.

14

21:14
Matt. 10:19
Mark. 13:11
Neem u dan in uw hart voor niet van tevoren te bedenken hoe u zich moet verdedigen.

15

21:15
Ex. 4:12
Jes. 54:17
Matt. 10:19
Hand. 6:10
Want Ik zal u mond en wijsheid geven die al uw tegenstanders niet zullen kunnen weerspreken of weerstaan.

16

21:16
Micha 7:6
En u zult ook door ouders, broers, familieleden en vrienden overgeleverd worden, en zij zullen sommigen van u
21:16
Hand. 7:59
12:2
doden.

17

21:17
Matt. 10:22
Mark. 13:13
En u zult omwille van Mijn Naam door allen gehaat worden.

18

21:18
1 Sam. 14:45
2 Sam. 14:11
1 Kon. 1:52
Matt. 10:30
Maar er zal beslist geen haar van uw hoofd verloren gaan.

19Door uw volharding zult u uw leven21:19 uw leven - Letterlijk: uw zielen. verkrijgen.

De grote verdrukking

20

21:20
Dan. 9:27
Matt. 24:15
Mark. 13:14
Wanneer u zult zien dat Jeruzalem door legers omringd wordt, weet dan dat zijn verwoesting nabij is.

21Laten dan wie in Judea zijn, vluchten naar de bergen en wie in het midden van Jeruzalem zijn, daaruit wegtrekken en wie op de velden zijn, er niet in gaan.

22Want dit zijn dagen van wraak,

21:22
Dan. 9:26,27
Matt. 24:15
Mark. 13:14
opdat al wat geschreven staat, vervuld wordt.

23Maar wee de zwangeren en de zogenden in die dagen, want er zal grote nood zijn in het land en toorn over dit volk.

24En zij zullen vallen door de scherpte van het zwaard en in gevangenschap weggevoerd worden onder alle heidenen. En Jeruzalem zal door de heidenen vertrapt worden,

21:24
Rom. 11:25
totdat de tijden van de heidenen vervuld zullen zijn.

De wederkomst

25

21:25
Jes. 13:10
Ezech. 32:7
Joël 2:31
3:15
Matt. 24:29
Mark. 13:24
Openb. 6:12
En er zullen tekenen zijn in zon, maan en sterren, en op de aarde benauwdheid onder de volken, in radeloosheid vanwege het bulderen van zee en golven.

26En het hart van de mensen zal bezwijken van vrees en verwachting van de dingen die de wereld zullen overkomen, want de krachten van de hemelen zullen heftig bewogen worden.

27

21:27
Dan. 7:10
Matt. 16:27
24:30
25:31
26:64
Mark. 13:26
14:62
Hand. 1:11
2 Thess. 1:10
Openb. 1:7
En dan zullen zij de Zoon des mensen zien komen in een wolk, met grote kracht en heerlijkheid.

28Wanneer nu deze dingen beginnen te geschieden, kijk dan omhoog en hef uw hoofd op,

21:28
Rom. 8:23
omdat uw verlossing nabij is.

29

21:29
Matt. 24:32
Mark. 13:28
En Hij sprak tot hen een gelijkenis: Kijk naar de vijgenboom en naar alle bomen.

30Zodra ze uitlopen en u dat ziet, weet u uit uzelf dat de zomer al nabij is.

31Zo ook u, wanneer u deze dingen zult zien geschieden, weet dan dat het Koninkrijk van God nabij is.

32Voorwaar, Ik zeg u dat dit geslacht zeker niet voorbij zal gaan, totdat alles geschied is.

33

21:33
Ps. 102:27
Jes. 51:6
Matt. 24:35
Hebr. 1:11
De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar Mijn woorden zullen beslist niet voorbijgaan.

Waakzaamheid

34

21:34
Rom. 13:13
1 Thess. 5:6
1 Petr. 4:7
Wees op uw hoede dat uw hart niet op enig moment bezwaard wordt door roes en dronkenschap en door zorgen over de alledaagse dingen, en dat die dag u niet onverwachts overkomt.

35

21:35
1 Thess. 5:2
2 Petr. 3:10
Openb. 3:3
16:15
Want als een strik zal hij komen over allen die op het hele aardoppervlak wonen.

36

21:36
Matt. 24:42
25:13
Mark. 13:33
Luk. 12:40
1 Thess. 5:6
Waak dan te allen tijde en bid dat u waardig geacht zult worden om al die dingen die gebeuren zullen, te ontvluchten, en om te kunnen bestaan voor de Zoon des mensen.

Jezus' laatste dagen in Jeruzalem

37

21:37
Joh. 8:2
Overdag nu gaf Hij onderwijs in de tempel, maar 's nachts ging Hij de stad uit en overnachtte op de berg die de Olijfberg heet.

38En al het volk kwam 's morgens vroeg naar Hem toe in de tempel om Hem te horen.

22

Tot Jezus' dood besloten

221Het

22:1
Ex. 12:15
Matt. 26:2
Mark. 14:1
Feest nu van de ongezuurde broden, dat Pascha heet, was nabij.

2

22:2
Ps. 2:2
Joh. 11:47
Hand. 4:27
En de overpriesters en de schriftgeleerden zochten naar een manier om Hem om te brengen, want zij waren bevreesd voor het volk.

Het verraad van Judas

3

22:3
Matt. 26:14
Mark. 14:10
Joh. 13:27
Toen voer de satan in Judas, die de bijnaam Iskariot had, die bij het getal van de twaalf behoorde.

4En hij ging weg en sprak met de overpriesters en bevelhebbers van de tempelwacht hoe hij Hem aan hen zou overleveren.

5En zij verblijdden zich en kwamen overeen hem geld te geven.

6En hij stemde erin toe en zocht een geschikte gelegenheid om Hem, buiten de menigte om, aan hen over te leveren.

Het laatste paasfeest

7

22:7
Matt. 26:17
Mark. 14:12,13
De dag van de ongezuurde broden brak aan, waarop men het Pascha moest slachten.

8En Hij stuurde Petrus en Johannes eropuit en zei: Ga heen, maak voor ons het Pascha gereed, zodat wij het kunnen eten.

9Zij zeiden dan tegen Hem: Waar wilt U dat wij het gereedmaken?

10En Hij zei tegen hen: Zie, als u de stad binnengaat, zal iemand u tegemoetkomen die een kruik water draagt. Volg hem naar het huis waar hij binnengaat.

11En u zult tegen de heer des huizes zeggen: De Meester zegt u: Waar is de eetzaal waar Ik het Pascha met Mijn discipelen eten zal?

12En hij zal u een grote bovenzaal wijzen, die volledig is ingericht. Maak het daar gereed.

13Zij nu gingen weg en vonden het zoals Hij hun gezegd had; en ze maakten het Pascha gereed.

Het Heilig Avondmaal

14

22:14
Matt. 26:20
Mark. 14:17
En toen het uur gekomen was, ging Hij aan tafel aanliggen, en de twaalf apostelen met Hem.

15En Hij zei tegen hen: Ik heb er vurig22:15 vurig - Letterlijk: met begeerte. naar verlangd dit Pascha met u te eten, voordat Ik ga lijden.

16Want Ik zeg u dat Ik daar zeker niet meer van zal eten, totdat het vervuld is in het Koninkrijk van God.

17En nadat Hij een drinkbeker genomen had en gedankt had, zei Hij: Neem deze en deel hem onder elkaar.

18Want Ik zeg u dat Ik niet drinken zal van de vrucht van de wijnstok, totdat het Koninkrijk van God gekomen is.

19

22:19
Matt. 26:26
Mark. 14:22
1 Kor. 11:23,24
En Hij nam brood en nadat Hij gedankt had, brak Hij het en gaf het aan hen met de woorden: Dit is Mijn lichaam, dat voor u gegeven wordt. Doe dat tot Mijn gedachtenis.

20Evenzo nam Hij ook de drinkbeker na het gebruiken van de maaltijd en zei: Deze drinkbeker is het nieuwe testament22:20 testament - Het Griekse woord betekent hier zowel testament als verbond. in Mijn bloed, dat voor u vergoten wordt.

21

22:21
Matt. 26:23
Mark. 14:18
Joh. 13:21
Maar zie, de hand van wie Mij verraadt, is met Mij aan de tafel.

22En de Zoon des mensen gaat wel heen

22:22
Ps. 41:10
Joh. 13:18
Hand. 1:6
zoals bepaald is, maar wee die mens door wie Hij verraden wordt.

23En zij begonnen zich onder elkaar af te vragen wie van hen het toch zou zijn die dat zou doen.

De ware eer

24Er ontstond ook onenigheid onder hen over wie van hen geacht werd de belangrijkste te zijn.

25En Hij zei tegen hen:

22:25
Matt. 20:25
Mark. 10:42
De koningen van de volken heersen over hen, en wie macht over hen hebben, worden weldoeners genoemd.

26

22:26
1 Petr. 5:3
Bij u echter moet dat zo niet zijn,
22:26
Luk. 9:48
maar de belangrijkste onder u moet als de jongste worden en wie leiding geeft als iemand die dient.

27Want wie is belangrijker: hij die aanligt of hij die bedient? Is het niet hij die aanligt?

22:27
Matt. 20:28
Joh. 13:14
Filipp. 2:7
Ik echter ben in uw midden als Iemand Die dient.

28En u bent het die steeds bij Mij gebleven bent in Mijn verzoekingen.

29

22:29
Luk. 12:32
En Ik beschik u het Koninkrijk, zoals Mijn Vader dat aan Mij beschikt heeft,

30opdat u eet en drinkt aan Mijn tafel in Mijn Koninkrijk en

22:30
Matt. 19:28
Openb. 3:21
op tronen zit en de twaalf stammen van Israël oordeelt.

Petrus gewaarschuwd

31En de Heere zei: Simon, Simon, zie,

22:31
1 Petr. 5:8
de satan heeft u allen opgeëist om te ziften als de tarwe.

32Maar Ik heb voor u gebeden dat uw geloof niet ophoudt. En u, als u eens tot inkeer gekomen bent, versterk dan uw broeders.

33En hij zei tegen Hem: Heere, met U ben ik bereid om zelfs de gevangenis en de dood in te gaan.

34Maar Hij zei:

22:34
Matt. 26:34
Mark. 14:30
Joh. 13:38
Ik zeg u, Petrus, de haan zal vandaag beslist niet kraaien, voordat u driemaal geloochend zult hebben dat u Mij kent.

De twee zwaarden

35En Hij zei tegen hen:

22:35
Matt. 10:9
Mark. 6:8
Luk. 9:3
Heeft het u aan iets ontbroken, toen Ik u uitzond zonder beurs, reiszak en sandalen? Zij zeiden: Aan niets.

36Hij zei dan tegen hen: Maar nu, laat wie een beurs heeft, hem meenemen, evenzo ook een reiszak. En wie geen zwaard heeft, laat die zijn bovenkleed verkopen en er een kopen.

37Want Ik zeg u dat dit wat geschreven staat, nog in Mij volbracht moet worden, namelijk:

22:37
Jes. 53:12
Mark. 15:28
En Hij is tot de misdadigers gerekend. Ook wat er over Mij geschreven is, heeft immers een einddoel.

38Zij zeiden: Heere, zie hier zijn twee zwaarden. En Hij zei tegen hen: Het is genoeg.

Jezus in Gethsémané

39

22:39
Matt. 26:36
Mark. 14:32
Joh. 8:1
18:1
En Hij ging de stad uit en vertrok, zoals Hij gewoon was, naar de Olijfberg; en ook Zijn discipelen volgden Hem.

40Toen Hij op die plaats gekomen was, zei Hij tegen hen: Bid dat u niet in verzoeking komt.

41

22:41
Matt. 26:39
Mark. 14:35
En Hij verwijderde Zich van hen ongeveer een steenworp afstand, knielde neer en bad:

42Vader, als U wilt, neem deze drinkbeker van Mij weg; maar laat niet Mijn wil,

22:42
Joh. 6:38
maar de Uwe geschieden.

43En aan Hem verscheen een engel uit de hemel, die Hem versterkte.

44

22:44
Joh. 12:27
Hebr. 5:7
En Hij kwam in zware zielenstrijd en bad des te vuriger. En Zijn zweet werd als grote druppels bloed, die op de aarde neervielen.

45En toen Hij van het gebed opgestaan was, kwam Hij bij Zijn discipelen en vond hen slapend van droefheid.

46En Hij zei tegen hen: Hoe kunt u slapen! Sta op, en bid dat u niet in verzoeking komt.

Gevangenneming van Jezus

47

22:47
Matt. 26:47
Mark. 14:43
Joh. 18:3
En terwijl Hij nog sprak, zie, een menigte; en een van de twaalf, die Judas heette, liep voor hen uit en kwam bij Jezus om Hem te kussen.

48En Jezus zei tegen hem: Judas, verraadt u de Zoon des mensen met een kus?

49En toen zij die bij Hem waren, zagen wat er ging gebeuren, zeiden ze tegen Hem: Heere, zullen wij er met het zwaard op in slaan?

50

22:50
Matt. 26:51
Mark. 14:47
En een van hen trof de dienaar van de hogepriester en sloeg hem zijn rechteroor af.

51Maar Jezus antwoordde en zei: Laat hen tot hiertoe begaan. En Hij raakte zijn oor aan en genas hem.

52

22:52
Matt. 26:55
Mark. 14:48
En Jezus zei tegen de overpriesters, de bevelhebbers van de tempelwacht en de oudsten die op Hem afgekomen waren: Bent u eropuit gegaan met zwaarden en stokken als tegen een misdadiger?

53Toen Ik dagelijks bij u was in de tempel, hebt u de handen niet naar Mij uitgestoken. Maar dit is uw uur en de macht van de duisternis.

Verloochening van Petrus

54

22:54
Matt. 26:57
Mark. 14:53
Joh. 18:12,24
En zij namen Hem gevangen en voerden Hem weg en brachten Hem in het huis van de hogepriester. En Petrus volgde op een afstand.

55

22:55
Matt. 26:69
Mark. 14:54,66
Joh. 18:16,25
En toen zij een vuur aangestoken hadden midden op de binnenplaats, en zij samen daaromheen waren gaan zitten, ging Petrus in hun midden zitten.

56En een zeker dienstmeisje zag hem bij het vuur zitten en zei, met haar ogen op hem gericht: Ook hij was bij Hem.

57Maar hij verloochende Hem en zei: Vrouw, ik ken Hem niet.

58En kort daarna zag een ander hem en zei: Ook u bent een van hen. Maar Petrus zei: Mens, dat ben ik niet.

59En ongeveer een uur later bevestigde een ander met stelligheid: Het is werkelijk waar, ook hij was bij Hem, want hij is ook een Galileeër.

60Maar Petrus zei: Mens, ik weet niet wat u zegt. En onmiddellijk, terwijl hij nog sprak, kraaide de haan.

61En de Heere keerde Zich om en keek Petrus aan. En Petrus herinnerde zich het woord van de Heere, hoe Hij tegen hem gezegd had:

22:61
Matt. 26:34,75
Mark. 14:72
Joh. 13:38
18:27
Voordat de haan gekraaid zal hebben, zult u Mij driemaal verloochend hebben.

62En Petrus ging naar buiten en huilde bitter.

Jezus voor het Sanhedrin

63

22:63
Matt. 26:67
Mark. 14:65
En de mannen die Jezus vasthielden, bespotten Hem
22:63
Job 16:10
Jes. 50:6
Joh. 19:3
en sloegen Hem.

64En nadat ze Zijn gezicht bedekt hadden, sloegen zij Hem in het gezicht en vroegen Hem: Profeteer, wie is het die U geslagen heeft?

65En vele andere lasterlijke dingen zeiden zij tegen Hem.

66

22:66
Ps. 2:2
Matt. 27:1
Mark. 15:1
Joh. 18:28
En toen het dag geworden was, kwam de Raad van oudsten van het volk bijeen – overpriesters en schriftgeleerden – en leidden Hem in hun raadsvergadering.

67En zij zeiden: Bent U de Christus? Zeg het ons. En Hij zei tegen hen: Als Ik het u zeg, zult u het zeker niet geloven.

68En als Ik een vraag zal stellen, zult u Mij zeker niet antwoorden, of Mij loslaten.

69

22:69
Dan. 7:9
Matt. 16:27
24:30
25:31
26:64
Mark. 14:62
Hand. 1:11
1 Thess. 1:10
Openb. 1:7
Van nu aan zal de Zoon des mensen gezeten zijn aan de rechterhand van de kracht van God.

70En zij zeiden allen: Bent U dan de Zoon van God? En Hij zei tegen hen: U zegt dat Ik het ben.

71En zij zeiden: Welk getuigenis hebben wij nog nodig? Want wij hebben het zelf uit Zijn mond gehoord.