Herziene Statenvertaling (HSV)
17

Struikelblokken

171En

17:1
Matt. 18:7
Mark. 9:42
Hij zei tegen de discipelen: Het is onmogelijk dat er geen struikelblokken komen, maar wee hem door wie deze komen.

2Het zou voor hem nuttiger zijn als hem een molensteen om zijn hals was gedaan en hij in de zee was geworpen dan dat hij één van deze kleinen zou doen struikelen.

Vergevensgezindheid

3Wees op uw hoede.

17:3
Lev. 19:17
Spr. 17:10
Matt. 18:15
Jak. 5:19
Als nu uw broeder tegen u zondigt, bestraf hem. En als hij tot inkeer komt, vergeef hem.

4

17:4
Matt. 18:21
En als hij zevenmaal per dag tegen u zondigt en zevenmaal per dag naar u terugkomt en zegt: Ik heb berouw, dan zult u hem vergeven.

Geloof als een mosterdzaad

5En de apostelen zeiden tegen de Heere: Vermeerder ons het geloof.

6En de Heere zei:

17:6
Matt. 17:20
21:21
Mark. 11:23
Als u een geloof had als een mosterdzaadje, zou u tegen deze moerbeiboom zeggen: Word ontworteld en in de zee geplant, en hij zou u gehoorzamen.

Heer en knecht

7En wie van u die een dienaar heeft die ploegt of de kudde weidt, zal meteen, als hij van de akker komt, tegen hem zeggen: Kom maar en ga aanliggen?

8Zal hij echter niet tegen hem zeggen: tref voorbereidingen, zodat ik vanavond de maaltijd kan gebruiken, omgord u en bedien mij, totdat ik gegeten en gedronken heb, en eet en drinkt u daarna?

9Hij bedankt die dienaar toch zeker niet, omdat hij gedaan heeft wat hem opgedragen was? Ik meen van niet.

10Zo moet ook u, wanneer u gedaan hebt al wat u opgedragen is, zeggen: Wij zijn onnutte dienaren, want wij hebben slechts gedaan wat wij moesten doen.

De tien melaatsen

11En het gebeurde, toen Hij naar Jeruzalem reisde, dat Hij dwars door Samaria en Galilea heen trok.

12En toen Hij een zeker dorp wilde binnengaan, kwamen tien melaatse mannen naar Hem toe, die op een afstand bleven staan.

13En zij verhieven hun stem en zeiden: Jezus, Meester, ontferm U over ons.

14En toen Hij hen zag, zei Hij tegen hen: Ga heen en toon uzelf

17:14
Lev. 13:2
14:2
Matt. 8:4
Luk. 5:14
aan de priesters. En het gebeurde, terwijl zij heengingen, dat zij gereinigd werden.

15En toen één van hen zag dat hij genezen was, keerde hij terug, terwijl hij met luide stem God verheerlijkte.

16En hij wierp zich met het gezicht ter aarde voor Zijn voeten en dankte Hem. En dit was een Samaritaan.

17Toen antwoordde Jezus en zei: Zijn niet de tien gereinigd? Waar zijn dan de negen anderen?

18Zijn er dan geen anderen gevonden die terugkeren om God de eer te geven dan deze vreemdeling?

19En Hij zei tegen hem: Sta op en ga heen. Uw geloof heeft u behouden.

De komst van het Koninkrijk van God

20En toen Hem door de Farizeeën gevraagd werd, wanneer het Koninkrijk van God zou komen, antwoordde Hij hun en zei: Het Koninkrijk van God komt niet op waarneembare wijze.

21En men zal niet zeggen:

17:21
Matt. 24:23
Mark. 13:21
Luk. 21:7,8
Zie hier of zie daar, want, zie, het Koninkrijk van God is binnen in u.17:21 binnen in u - Of: in het midden van u

22En Hij zei tegen de discipelen: Er zullen dagen komen dat u ernaar verlangen zult één van de dagen van de Zoon des mensen te zien, en u zult die niet zien.

23

17:23
Matt. 24:23
Mark. 13:21
En zij zullen tegen u zeggen: Ziehier of ziedaar is Hij. Ga er niet heen en ga er niet achteraan.

24Want zoals de bliksem flitst van de ene plaats onder de hemel en naar de andere plaats onder de hemel licht, zo zal ook de Zoon des mensen zijn op Zijn dag.

25

17:25
Matt. 16:21
17:22
20:18
Mark. 8:31
9:31
10:33
Luk. 9:22
18:31
24:6,7
Eerst moet Hij echter veel lijden en verworpen worden door dit mensengeslacht.

26

17:26
Gen. 6:2
7:7
Matt. 24:37,38
1 Petr. 3:20
En zoals het gebeurde in de dagen van Noach, zo zal het ook zijn in de dagen van de Zoon des mensen.

27Zij aten, zij dronken, zij namen ten huwelijk en zij werden ten huwelijk gegeven tot op de dag waarop Noach de ark binnenging en de zondvloed kwam en hen allen om deed komen.

28Op dezelfde manier ook, zoals het gebeurde in de dagen van Lot: zij aten, zij dronken, zij kochten, zij verkochten, zij plantten, zij bouwden.

29

17:29
Gen. 19:24
Deut. 29:23
Jes. 13:19
Jer. 50:40
Hos. 11:8
Amos 4:117
Op de dag echter waarop Lot uit Sodom wegging, regende het vuur en zwavel uit de hemel en bracht hen allen om.

30Evenzo zal het zijn op de dag waarop de Zoon des mensen geopenbaard zal worden.

31Wie op die dag op het dak zal zijn, met zijn huisraad in huis, moet niet naar beneden gaan om het mee te nemen. En wie op de akker is, moet evenmin terugkeren naar wat hij achterliet.

32

17:32
Gen. 19:26
Denk aan de vrouw van Lot.

33

17:33
Matt. 10:39
16:25
Mark. 8:35
Luk. 9:24
Joh. 12:25
Wie zijn leven17:33 leven - Letterlijk: ziel. zal proberen te behouden, zal het verliezen. En wie het zal verliezen, zal het behouden.

34

17:34
Matt. 24:40,41
1 Thess. 4:17
Ik zeg u: In die nacht zullen er twee op één bed zijn. De één zal aangenomen en de ander zal achtergelaten worden.

35Twee vrouwen zullen samen malen. De één zal aangenomen en de ander zal achtergelaten worden.

36Twee zullen er op de akker zijn. De één zal aangenomen en de ander zal achtergelaten worden.

37En zij antwoordden en zeiden tegen Hem: Waar, Heere? En Hij zei tegen hen:

17:37
Job 39:33
Matt. 24:28
Waar het lichaam is, daar zullen de gieren zich verzamelen.

18

De onrechtvaardige rechter

181En Hij sprak ook een gelijkenis tot hen met het oog daarop

18:1
Rom. 12:12
Efez. 6:18
Kol. 4:2
1 Thess. 5:17
dat men altijd moet bidden en niet de moed verliezen.

2Hij zei: Er was in een zekere stad een rechter die God niet vreesde en geen mens ontzag.

3En er was een weduwe in dezelfde stad en zij kwam voortdurend naar hem toe en zei: Doe mij recht tegenover mijn tegenpartij.

4En hij wilde een tijd lang niet. Daarna echter zei hij bij zichzelf: Hoewel ik God niet vrees en geen mens ontzie,

5toch zal ik, omdat deze weduwe mij lastigvalt, haar recht doen, opdat zij uiteindelijk niet komt en mij in het gezicht slaat.

6En de Heere zei: Hoor, wat de onrechtvaardige rechter zegt.

7

18:7
Openb. 6:10
Zal God dan geen recht doen aan Zijn uitverkorenen, die dag en nacht tot Hem roepen, ook wanneer Hij lang wacht om hen te hulp te komen?

8Ik zeg u dat Hij hun met spoed recht zal doen. Maar zal de Zoon des mensen, als Hij komt, wel het geloof op de aarde vinden?

De Farizeeër en de tollenaar

9En Hij sprak ook met het oog op sommigen die van zichzelf overtuigd waren dat zij rechtvaardig waren en alle anderen minachtten, deze gelijkenis:

10Twee mensen gingen naar de tempel om te bidden. De één was een Farizeeër en de ander een tollenaar.

11De Farizeeër stond daar en bad dit bij zichzelf:

18:11
Jes. 1:15
58:2
Openb. 3:17,18
O God, ik dank U dat ik niet ben zoals de andere mensen: rovers, onrechtvaardigen, overspelers of ook als deze tollenaar.

12Ik vast tweemaal per week. Ik geef tienden van alles wat ik bezit.

13En de tollenaar bleef op een afstand staan en wilde ook zelfs zijn ogen niet naar de hemel opheffen, maar sloeg op zijn borst en zei: O God, wees mij, de zondaar, genadig.

14Ik zeg u: Deze man ging gerechtvaardigd terug naar zijn huis, in tegenstelling tot die andere.

18:14
Job 22:29
Spr. 29:23
Matt. 23:12
Luk. 14:11
Jak. 4:6,10
1 Petr. 5:5
Want ieder die zichzelf verhoogt, zal vernederd worden en wie zichzelf vernedert, zal verhoogd worden.

Jezus zegent de kinderen

15

18:15
Matt. 19:13
Mark. 10:13
En zij brachten ook de jonge kinderen bij Hem, opdat Hij die zou aanraken. En toen de discipelen dat zagen, bestraften ze hen.

16Jezus echter riep die kinderen tot Zich en zei: Laat de kinderen tot Mij komen en verhinder hen niet,

18:16
Matt. 18:3
19:14
1 Kor. 14:20
1 Petr. 2:2
want voor zodanigen is het Koninkrijk van God.

17Voorwaar zeg Ik u: Wie het Koninkrijk van God niet ontvangt als een kind, zal daarin beslist niet binnengaan.

De rijke jongeman

18

18:18
Matt. 19:16
Mark. 10:17
En een leidinggevende vroeg Hem en zei: Goede Meester, wat moet ik doen om het eeuwige leven te beërven?

19En Jezus zei tegen hem: Waarom noemt u Mij goed? Niemand is goed behalve Eén, namelijk God.

20U kent de geboden:

18:20
Ex. 20:13
Deut. 5:17
Rom. 13:9
U zult geen overspel plegen, u zult niet doden, u zult niet stelen, u zult geen vals getuigenis afleggen,
18:20
Efez. 6:2
Kol. 3:20
eer uw vader en uw moeder.

21En hij zei: Al deze dingen heb ik in acht genomen vanaf mijn jeugd.

22Maar toen Jezus dit hoorde, zei Hij tegen hem: Nog één ding ontbreekt u:

18:22
Matt. 6:19
19:21
1 Tim. 6:19
Verkoop al wat u hebt en deel het uit onder de armen en u zult een schat hebben in de hemel. En kom dan en volg Mij.

23Maar toen hij dit hoorde, werd hij diep bedroefd, want hij was erg rijk.

24Toen nu Jezus zag dat hij diep bedroefd was geworden, zei Hij:

18:24
Spr. 11:28
Matt. 19:23
Mark. 10:23
Hoe moeilijk kunnen zij die rijkdommen hebben, het Koninkrijk van God binnengaan.

25Want het is gemakkelijker dat een kameel gaat door het oog van een naald, dan dat een rijke het Koninkrijk van God binnengaat.

26En zij die dit hoorden, zeiden: Wie kan dan zalig worden?

27Hij echter zei:

18:27
Job 42:2
Jer. 32:17
Zach. 8:6
Luk. 1:37
De dingen die onmogelijk zijn bij de mensen, zijn mogelijk bij God.

28

18:28
Matt. 4:20
19:27
Mark. 10:28
Luk. 5:11
En Petrus zei: Zie, wij hebben alles verlaten en zijn U gevolgd.

29Hij nu zei tegen hen: Voorwaar, Ik zeg u

18:29
Deut. 33:9
dat er niemand is die huis of ouders of broers of vrouw of kinderen verlaten heeft om het Koninkrijk van God,

30

18:30
Job 42:12
die niet het veelvoudige zal terugontvangen in deze tijd, en in de wereld die komt, het eeuwige leven.

De derde aankondiging van het lijden

31

18:31
Matt. 16:21
17:22
20:17
Mark. 8:31
9:31
10:32
Luk. 9:22
24:7
En Hij nam de twaalf bij Zich en zei tegen hen: Zie, wij gaan naar Jeruzalem en alles
18:31
Ps. 22:7
Jes. 53:7
wat geschreven is door de profeten zal aan de Zoon des mensen volbracht worden.

32

18:32
Matt. 27:2
Luk. 23:1
Joh. 18:28
Hand. 3:13
Want Hij zal aan de heidenen worden overgeleverd en bespot worden en smadelijk behandeld en bespuwd worden.

33En zij zullen Hem doden, nadat zij Hem gegeseld hebben en op de derde dag zal Hij weer opstaan.

34Zij begrepen echter niets van deze dingen en dit woord was voor hen verborgen en zij begrepen niet wat er gezegd werd.

De blinde in Jericho

35

18:35
Matt. 20:29
Mark. 10:46
Het gebeurde nu toen Hij dicht bij Jericho kwam, dat een zekere blinde aan de weg zat te bedelen.

36En toen hij de menigte voorbij hoorde gaan, vroeg hij wat er aan de hand was.

37En zij vertelden hem dat Jezus de Nazarener voorbijging.

38En hij riep en zei: Jezus, Zoon van David, ontferm U over mij!

39En zij die vooraan liepen, bestraften hem, opdat hij zou zwijgen. Hij echter riep des te meer: Zoon van David, ontferm U over mij!

40Jezus nu bleef staan en beval dat men hem naar Hem toe zou brengen en toen hij dichtbij gekomen was, vroeg Hij hem:

41Wat wilt u dat Ik voor u doen zal? En hij zei: Heere, dat ik ziende mag worden.

42En Jezus zei tegen hem: Word ziende. Uw geloof heeft u behouden.

43En onmiddellijk werd hij ziende, en hij volgde Hem, terwijl hij God verheerlijkte. En al het volk gaf God de eer, toen het dat zag.

19

Zacheüs

191En Jezus kwam Jericho binnen en ging erdoorheen.

2En zie, er was een man van wie de naam Zacheüs was,19:2 van wie de naam … was - Letterlijk: die bij de naam … genoemd werd. en hij was oppertollenaar en hij was rijk.

3En hij probeerde te zien wie Jezus was, maar het lukte hem niet vanwege de menigte, omdat hij klein van persoon was.

4En na vooruitgelopen te zijn, klom hij in een wilde vijgenboom om Hem te zien, want Hij zou daar voorbijkomen.

5En toen Jezus bij die plaats kwam, keek Hij op, zag hem en zei tegen hem: Zacheüs, haast u en kom naar beneden, want heden moet Ik in uw huis verblijven.

6En hij haastte zich en kwam naar beneden en ontving Hem met blijdschap.

7En allen die het zagen, morden onder elkaar en zeiden: Hij is bij een zondige man binnengegaan om daar Zijn intrek te nemen.

8Zacheüs nu ging staan en zei tegen de Heere: Zie, de helft van mijn goederen, Heere, geef ik aan de armen, en als ik van iemand iets heb afgeperst, geef ik dat vierdubbel terug.

9Toen zei Jezus tegen hem: Heden is dit huis zaligheid ten deel gevallen, omdat ook

19:9
Luk. 13:16
deze een zoon van Abraham is.

10

19:10
Matt. 10:6
15:24
18:11
Hand. 13:46
Want de Zoon des mensen is gekomen om te zoeken en zalig te maken wat verloren is.

Tien slaven en tien ponden

11Terwijl zij nu dit alles hoorden, sprak Hij een gelijkenis uit, die Hij eraan toevoegde omdat Hij dicht bij Jeruzalem was en zij dachten dat het Koninkrijk van God onmiddellijk zou aanbreken.

12

19:12
Matt. 25:14
Mark. 13:34
Hij zei dan: Een zeker mens van hoge geboorte reisde naar een ver land om voor zich een koninkrijk in ontvangst te nemen en daarna terug te keren.

13En hij riep zijn tien dienaren, gaf hun tien ponden en zei tegen hen: Doe daarmee zaken totdat ik terugkom.

14En zijn burgers haatten hem en stuurden hem een gezantschap na om te zeggen: Wij willen niet dat deze man koning over ons zal zijn.

15En het gebeurde, toen hij teruggekomen was, nadat hij het koninkrijk in ontvangst had genomen, dat hij zei dat men die dienaren aan wie hij het geld gegeven had, bij hem zou roepen om te weten wat ieder met het zakendoen aan winst had gemaakt.

16Toen verscheen de eerste en zei: Heer, uw pond heeft tien ponden winst opgeleverd.

17En hij zei tegen hem: Goed gedaan, goede dienaar! Wees, omdat u in het minste trouw bent geweest, machthebber over tien steden.

18Toen kwam de tweede en zei: Heer, uw pond heeft vijf ponden opgeleverd.

19En hij zei ook tegen hem: En u, wees machthebber over vijf steden.

20En een ander kwam en zei: Heer, zie uw pond, dat ik had weggelegd in een zweetdoek.

21Want ik was bevreesd voor u, omdat u een streng mens bent. U neemt wat u niet uitgezet hebt en u maait wat u niet gezaaid hebt.

22Maar hij zei tegen hem:

19:22
2 Sam. 1:16
Matt. 12:37
Uit uw eigen mond zal ik u oordelen, slechte dienaar. U wist dat ik een streng mens ben en dat ik neem wat ik niet uitgezet heb, en maai wat ik niet gezaaid heb.

23Waarom hebt u mijn geld dan niet bij de bank in bewaring gegeven? Dan zou ik het ook bij mijn komst met rente hebben kunnen opeisen.

24En hij zei tegen hen die bij hem stonden: Neem dat pond van hem af en geef het aan hem die de tien ponden heeft.

25Zij zeiden dan tegen hem: Heer, hij heeft al tien ponden.

26

19:26
Matt. 13:12
25:29
Mark. 4:25
Luk. 8:18
Want ik zeg u dat aan eenieder die heeft, gegeven zal worden. Maar van hem die niet heeft, zal ook afgenomen worden wat hij heeft.

27Maar deze vijanden van mij, die niet wilden dat ik koning over hen zou zijn, breng ze hier en sla ze hier voor mijn ogen dood.

Intocht in Jeruzalem

28Nadat Jezus dit gezegd had, reisde Hij voor hen uit en ging naar Jeruzalem.

29

19:29
Matt. 21:1
Mark. 11:1
En het gebeurde, toen Hij dicht bij Bethfagé en Bethanië gekomen was, bij de berg die de Olijfberg heette, dat Hij twee van Zijn discipelen uitzond.

30Hij zei: Ga het dorp in dat voor u ligt, en als u daar binnenkomt, zult u een veulen vinden dat vastgebonden is, waarop geen mens ooit heeft gezeten. Maak het los en breng het hier.

31En als iemand u vraagt: Waarom maakt u dat los, dan zult u zo tot hem spreken: Omdat de Heere het nodig heeft.

32En zij die uitgezonden waren, gingen erheen en vonden het zoals Hij hun gezegd had.

33En toen zij het veulen losmaakten, zeiden de eigenaars ervan tegen hen: Waarom maakt u het veulen los?

34Zij nu zeiden: De Heere heeft het nodig.

35

19:35
Joh. 12:14
Zij brachten het vervolgens naar Jezus.
19:35
2 Kon. 9:13
En nadat zij hun kleren op het veulen geworpen hadden, zetten zij Jezus daarop.

36Toen Hij nu verderging, spreidden zij hun kleren onder Hem uit op de weg.

37Toen Hij reeds dicht bij de helling van de Olijfberg was gekomen, begon de hele menigte van de discipelen zich te verblijden en God met luide stem te loven om alle machtige daden die zij gezien hadden.

38En zij zeiden:

19:38
Ps. 118:26
Gezegend is de Koning, Die daar komt in de Naam van de Heere.
19:38
Luk. 2:14
Efez. 2:14
Vrede in de hemel en heerlijkheid in de hoogste hemelen.

39En sommigen van de Farizeeën uit de menigte zeiden tegen Hem: Meester, bestraf Uw discipelen.

40En Hij antwoordde hun en zei: Ik zeg u

19:40
Hab. 2:11
dat de stenen zouden roepen, als dezen zouden zwijgen.

41En toen Hij dichtbij kwam en de stad zag, weende Hij over haar.

42Hij zei: Och, dat u ook nog op deze uw dag zou onderkennen wat tot uw vrede dient! Nu echter is het verborgen voor uw ogen.

43Want er zullen dagen over u komen dat uw vijanden een wal rondom u zullen opwerpen, u zullen omsingelen en u van alle kanten in het nauw zullen brengen.

44

19:44
1 Kon. 9:7,8
Micha 3:12
Matt. 24:1,2
Mark. 13:2
Luk. 21:6
En zij zullen u met de grond gelijkmaken en uw kinderen in u verpletteren. Ook zullen zij in u geen steen op de andere steen laten, omdat u het tijdstip waarop er naar u omgezien werd, niet hebt onderkend.

De tempelreiniging

45En toen Hij de tempel was binnengegaan, begon Hij hen die daarin verkochten en kochten, eruit te drijven.

46Hij zei tegen hen:

19:46
1 Kon. 8:29
Jes. 56:7
Jer. 7:11
Matt. 21:13
Mark. 11:17
Er staat geschreven: Mijn huis zal een huis van gebed zijn, maar u hebt er een rovershol van gemaakt.

47En Hij gaf dagelijks onderwijs in de tempel,

19:47
Mark. 11:18
Joh. 7:19
8:37
en de overpriesters en de schriftgeleerden en ook de leiders van het volk probeerden Hem om te brengen.

48En zij vonden niets wat zij zouden kunnen doen, want heel het volk hing Hem aan terwijl het naar Hem luisterde.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]