Herziene Statenvertaling (HSV)
16

De onrechtvaardige rentmeester

161En Hij zei ook tegen Zijn discipelen: Er was een zeker rijk mens, die een rentmeester had, en deze werd bij hem aangeklaagd dat hij zijn goederen verkwistte.

2En hij riep hem en zei tegen hem: Wat is dit wat ik over u hoor? Geef rekenschap van uw rentmeesterschap, want u kunt niet langer rentmeester zijn.

3En de rentmeester zei bij zichzelf: Wat moet ik doen, omdat mijn heer dit rentmeesterschap van mij afneemt? Spitten kan ik niet en voor bedelen schaam ik mij.

4Ik weet wat ik doen zal, opdat ze mij, wanneer ik afgezet ben als rentmeester, in hun huizen ontvangen.

5En hij riep de schuldenaars van zijn heer één voor één bij zich en zei tegen de eerste: Hoeveel bent u mijn heer schuldig?

6En hij zei: Honderd vaten olie. En hij zei tegen hem: Neem uw schuldbekentenis, ga zitten en schrijf snel vijftig.

7Daarna zei hij tegen een ander: En u, hoeveel bent u schuldig? En hij zei: Honderd zakken tarwe. En hij zei tegen hem: Neem uw schuldbekentenis en schrijf tachtig.

8En de heer prees de onrechtvaardige rentmeester, omdat hij verstandig gehandeld had. Want de kinderen van deze wereld zijn onder elkaar16:8 onder elkaar - Letterlijk: in hun eigen geslacht. verstandiger dan

16:8
Efez. 5:8
1 Thess. 5:5
de kinderen van het licht.

9En Ik zeg u:

16:9
Matt. 6:19
19:21
1 Tim. 6:19
Maak uzelf vrienden met behulp van de onrechtvaardige mammon, opdat zij u, als u gebrek lijdt, zullen ontvangen in de eeuwige tenten.

10Wie trouw is in het minste, is ook in het grote trouw. En wie onrechtvaardig is in het minste, is ook in het grote onrechtvaardig.

11Als u dan wat betreft de onrechtvaardige mammon niet trouw bent geweest, wie zal u het ware toevertrouwen?

12En als u wat betreft het goed van een ander niet trouw bent geweest, wie zal u het uwe geven?

13

16:13
Matt. 6:24
Geen huisslaaf kan twee heren dienen, want hij zal of de ene haten en de ander liefhebben, of hij zal zich aan de ene hechten en de ander minachten. U kunt niet God dienen en de mammon.

Het blijvend gezag van de wet

14En al deze dingen hoorden ook de Farizeeën,

16:14
Matt. 23:14
die geldzuchtig waren, en zij beschimpten Hem.

15En Hij zei tegen hen: U bent het die uzelf rechtvaardigt voor de mensen, maar

16:15
Ps. 7:10
God kent uw hart.
16:15
1 Sam. 16:7
Want wat hoog is onder de mensen, is een gruwel voor God.

16

16:16
Matt. 11:12,13
De Wet en de Profeten zijn er tot Johannes. Vanaf die tijd wordt het Koninkrijk van God verkondigd, en ieder doet het geweld aan.

17

16:17
Ps. 102:27
Jes. 40:8
51:6
Matt. 5:18
En het is gemakkelijker dat de hemel en de aarde voorbijgaan, dan dat één tittel van de wet wegvalt.

18

16:18
Matt. 5:32
19:9
Mark. 10:11
1 Kor. 7:10
Ieder die zijn vrouw verstoot en met een andere trouwt, pleegt overspel en ieder die met een vrouw trouwt die door haar man verstoten is, pleegt ook overspel.

De rijke man en de bedelaar Lazarus

19Nu was er een zeker rijk mens, die gekleed ging in purper en zeer fijn linnen en die elke dag vrolijk en overdadig leefde.

20En er was een zekere bedelaar, van wie de naam Lazarus was, die voor zijn poort neergelegd was, en die onder de zweren zat.

21En hij verlangde ernaar verzadigd te worden met de kruimeltjes die van de tafel van de rijke man vielen; maar ook de honden kwamen en likten zijn zweren.

22Het gebeurde nu dat de bedelaar stierf en door de engelen in de schoot van Abraham gedragen werd.

23En ook de rijke man stierf en werd begraven. En toen hij in de hel zijn ogen opsloeg, waar hij in pijn verkeerde, zag hij Abraham van ver en Lazarus in zijn schoot.

24En hij riep en zei: Vader Abraham, ontferm u over mij en stuur Lazarus naar mij toe en laat hem de top van zijn vinger in het water dopen en mijn tong verkoelen,

16:24
Jes. 66:24
Mark. 9:44
want ik lijd vreselijk pijn in deze vlam.

25Abraham echter zei:

16:25
Job 21:13
Kind, herinner u dat u het goede deel ontvangen hebt in uw leven en Lazarus evenzo het kwade. En nu wordt hij vertroost en u lijdt pijn.

26En bovendien is er tussen ons en u een grote kloof aangebracht, zodat zij die van hier naar u zouden willen gaan, dat niet kunnen en ook zij niet die vandaar naar ons zouden willen gaan.

27En hij zei: Ik vraag u dan, vader, dat u hem naar het huis van mijn vader stuurt,

28want ik heb vijf broers. Laat hij dan tegenover hen getuigenis afleggen, opdat ook zij niet komen in deze plaats van pijniging.

29Abraham zei tegen hem:

16:29
Jes. 8:20
34:16
Joh. 5:39
Hand. 17:11
Zij hebben Mozes en de profeten. Laten zij naar hen luisteren.

30Hij echter zei: Nee, vader Abraham, maar als iemand van de doden naar hen toe zou gaan, zouden zij zich bekeren.

31Maar Abraham zei tegen hem: Als zij niet naar Mozes en de profeten luisteren, zullen zij zich ook niet laten overtuigen, als iemand uit de doden zou opstaan.

17

Struikelblokken

171En

17:1
Matt. 18:7
Mark. 9:42
Hij zei tegen de discipelen: Het is onmogelijk dat er geen struikelblokken komen, maar wee hem door wie deze komen.

2Het zou voor hem nuttiger zijn als hem een molensteen om zijn hals was gedaan en hij in de zee was geworpen dan dat hij één van deze kleinen zou doen struikelen.

Vergevensgezindheid

3Wees op uw hoede.

17:3
Lev. 19:17
Spr. 17:10
Matt. 18:15
Jak. 5:19
Als nu uw broeder tegen u zondigt, bestraf hem. En als hij tot inkeer komt, vergeef hem.

4

17:4
Matt. 18:21
En als hij zevenmaal per dag tegen u zondigt en zevenmaal per dag naar u terugkomt en zegt: Ik heb berouw, dan zult u hem vergeven.

Geloof als een mosterdzaad

5En de apostelen zeiden tegen de Heere: Vermeerder ons het geloof.

6En de Heere zei:

17:6
Matt. 17:20
21:21
Mark. 11:23
Als u een geloof had als een mosterdzaadje, zou u tegen deze moerbeiboom zeggen: Word ontworteld en in de zee geplant, en hij zou u gehoorzamen.

Heer en knecht

7En wie van u die een dienaar heeft die ploegt of de kudde weidt, zal meteen, als hij van de akker komt, tegen hem zeggen: Kom maar en ga aanliggen?

8Zal hij echter niet tegen hem zeggen: tref voorbereidingen, zodat ik vanavond de maaltijd kan gebruiken, omgord u en bedien mij, totdat ik gegeten en gedronken heb, en eet en drinkt u daarna?

9Hij bedankt die dienaar toch zeker niet, omdat hij gedaan heeft wat hem opgedragen was? Ik meen van niet.

10Zo moet ook u, wanneer u gedaan hebt al wat u opgedragen is, zeggen: Wij zijn onnutte dienaren, want wij hebben slechts gedaan wat wij moesten doen.

De tien melaatsen

11En het gebeurde, toen Hij naar Jeruzalem reisde, dat Hij dwars door Samaria en Galilea heen trok.

12En toen Hij een zeker dorp wilde binnengaan, kwamen tien melaatse mannen naar Hem toe, die op een afstand bleven staan.

13En zij verhieven hun stem en zeiden: Jezus, Meester, ontferm U over ons.

14En toen Hij hen zag, zei Hij tegen hen: Ga heen en toon uzelf

17:14
Lev. 13:2
14:2
Matt. 8:4
Luk. 5:14
aan de priesters. En het gebeurde, terwijl zij heengingen, dat zij gereinigd werden.

15En toen één van hen zag dat hij genezen was, keerde hij terug, terwijl hij met luide stem God verheerlijkte.

16En hij wierp zich met het gezicht ter aarde voor Zijn voeten en dankte Hem. En dit was een Samaritaan.

17Toen antwoordde Jezus en zei: Zijn niet de tien gereinigd? Waar zijn dan de negen anderen?

18Zijn er dan geen anderen gevonden die terugkeren om God de eer te geven dan deze vreemdeling?

19En Hij zei tegen hem: Sta op en ga heen. Uw geloof heeft u behouden.

De komst van het Koninkrijk van God

20En toen Hem door de Farizeeën gevraagd werd, wanneer het Koninkrijk van God zou komen, antwoordde Hij hun en zei: Het Koninkrijk van God komt niet op waarneembare wijze.

21En men zal niet zeggen:

17:21
Matt. 24:23
Mark. 13:21
Luk. 21:7,8
Zie hier of zie daar, want, zie, het Koninkrijk van God is binnen in u.17:21 binnen in u - Of: in het midden van u

22En Hij zei tegen de discipelen: Er zullen dagen komen dat u ernaar verlangen zult één van de dagen van de Zoon des mensen te zien, en u zult die niet zien.

23

17:23
Matt. 24:23
Mark. 13:21
En zij zullen tegen u zeggen: Ziehier of ziedaar is Hij. Ga er niet heen en ga er niet achteraan.

24Want zoals de bliksem flitst van de ene plaats onder de hemel en naar de andere plaats onder de hemel licht, zo zal ook de Zoon des mensen zijn op Zijn dag.

25

17:25
Matt. 16:21
17:22
20:18
Mark. 8:31
9:31
10:33
Luk. 9:22
18:31
24:6,7
Eerst moet Hij echter veel lijden en verworpen worden door dit mensengeslacht.

26

17:26
Gen. 6:2
7:7
Matt. 24:37,38
1 Petr. 3:20
En zoals het gebeurde in de dagen van Noach, zo zal het ook zijn in de dagen van de Zoon des mensen.

27Zij aten, zij dronken, zij namen ten huwelijk en zij werden ten huwelijk gegeven tot op de dag waarop Noach de ark binnenging en de zondvloed kwam en hen allen om deed komen.

28Op dezelfde manier ook, zoals het gebeurde in de dagen van Lot: zij aten, zij dronken, zij kochten, zij verkochten, zij plantten, zij bouwden.

29

17:29
Gen. 19:24
Deut. 29:23
Jes. 13:19
Jer. 50:40
Hos. 11:8
Amos 4:117
Op de dag echter waarop Lot uit Sodom wegging, regende het vuur en zwavel uit de hemel en bracht hen allen om.

30Evenzo zal het zijn op de dag waarop de Zoon des mensen geopenbaard zal worden.

31Wie op die dag op het dak zal zijn, met zijn huisraad in huis, moet niet naar beneden gaan om het mee te nemen. En wie op de akker is, moet evenmin terugkeren naar wat hij achterliet.

32

17:32
Gen. 19:26
Denk aan de vrouw van Lot.

33

17:33
Matt. 10:39
16:25
Mark. 8:35
Luk. 9:24
Joh. 12:25
Wie zijn leven17:33 leven - Letterlijk: ziel. zal proberen te behouden, zal het verliezen. En wie het zal verliezen, zal het behouden.

34

17:34
Matt. 24:40,41
1 Thess. 4:17
Ik zeg u: In die nacht zullen er twee op één bed zijn. De één zal aangenomen en de ander zal achtergelaten worden.

35Twee vrouwen zullen samen malen. De één zal aangenomen en de ander zal achtergelaten worden.

36Twee zullen er op de akker zijn. De één zal aangenomen en de ander zal achtergelaten worden.

37En zij antwoordden en zeiden tegen Hem: Waar, Heere? En Hij zei tegen hen:

17:37
Job 39:33
Matt. 24:28
Waar het lichaam is, daar zullen de gieren zich verzamelen.

18

De onrechtvaardige rechter

181En Hij sprak ook een gelijkenis tot hen met het oog daarop

18:1
Rom. 12:12
Efez. 6:18
Kol. 4:2
1 Thess. 5:17
dat men altijd moet bidden en niet de moed verliezen.

2Hij zei: Er was in een zekere stad een rechter die God niet vreesde en geen mens ontzag.

3En er was een weduwe in dezelfde stad en zij kwam voortdurend naar hem toe en zei: Doe mij recht tegenover mijn tegenpartij.

4En hij wilde een tijd lang niet. Daarna echter zei hij bij zichzelf: Hoewel ik God niet vrees en geen mens ontzie,

5toch zal ik, omdat deze weduwe mij lastigvalt, haar recht doen, opdat zij uiteindelijk niet komt en mij in het gezicht slaat.

6En de Heere zei: Hoor, wat de onrechtvaardige rechter zegt.

7

18:7
Openb. 6:10
Zal God dan geen recht doen aan Zijn uitverkorenen, die dag en nacht tot Hem roepen, ook wanneer Hij lang wacht om hen te hulp te komen?

8Ik zeg u dat Hij hun met spoed recht zal doen. Maar zal de Zoon des mensen, als Hij komt, wel het geloof op de aarde vinden?

De Farizeeër en de tollenaar

9En Hij sprak ook met het oog op sommigen die van zichzelf overtuigd waren dat zij rechtvaardig waren en alle anderen minachtten, deze gelijkenis:

10Twee mensen gingen naar de tempel om te bidden. De één was een Farizeeër en de ander een tollenaar.

11De Farizeeër stond daar en bad dit bij zichzelf:

18:11
Jes. 1:15
58:2
Openb. 3:17,18
O God, ik dank U dat ik niet ben zoals de andere mensen: rovers, onrechtvaardigen, overspelers of ook als deze tollenaar.

12Ik vast tweemaal per week. Ik geef tienden van alles wat ik bezit.

13En de tollenaar bleef op een afstand staan en wilde ook zelfs zijn ogen niet naar de hemel opheffen, maar sloeg op zijn borst en zei: O God, wees mij, de zondaar, genadig.

14Ik zeg u: Deze man ging gerechtvaardigd terug naar zijn huis, in tegenstelling tot die andere.

18:14
Job 22:29
Spr. 29:23
Matt. 23:12
Luk. 14:11
Jak. 4:6,10
1 Petr. 5:5
Want ieder die zichzelf verhoogt, zal vernederd worden en wie zichzelf vernedert, zal verhoogd worden.

Jezus zegent de kinderen

15

18:15
Matt. 19:13
Mark. 10:13
En zij brachten ook de jonge kinderen bij Hem, opdat Hij die zou aanraken. En toen de discipelen dat zagen, bestraften ze hen.

16Jezus echter riep die kinderen tot Zich en zei: Laat de kinderen tot Mij komen en verhinder hen niet,

18:16
Matt. 18:3
19:14
1 Kor. 14:20
1 Petr. 2:2
want voor zodanigen is het Koninkrijk van God.

17Voorwaar zeg Ik u: Wie het Koninkrijk van God niet ontvangt als een kind, zal daarin beslist niet binnengaan.

De rijke jongeman

18

18:18
Matt. 19:16
Mark. 10:17
En een leidinggevende vroeg Hem en zei: Goede Meester, wat moet ik doen om het eeuwige leven te beërven?

19En Jezus zei tegen hem: Waarom noemt u Mij goed? Niemand is goed behalve Eén, namelijk God.

20U kent de geboden:

18:20
Ex. 20:13
Deut. 5:17
Rom. 13:9
U zult geen overspel plegen, u zult niet doden, u zult niet stelen, u zult geen vals getuigenis afleggen,
18:20
Efez. 6:2
Kol. 3:20
eer uw vader en uw moeder.

21En hij zei: Al deze dingen heb ik in acht genomen vanaf mijn jeugd.

22Maar toen Jezus dit hoorde, zei Hij tegen hem: Nog één ding ontbreekt u:

18:22
Matt. 6:19
19:21
1 Tim. 6:19
Verkoop al wat u hebt en deel het uit onder de armen en u zult een schat hebben in de hemel. En kom dan en volg Mij.

23Maar toen hij dit hoorde, werd hij diep bedroefd, want hij was erg rijk.

24Toen nu Jezus zag dat hij diep bedroefd was geworden, zei Hij:

18:24
Spr. 11:28
Matt. 19:23
Mark. 10:23
Hoe moeilijk kunnen zij die rijkdommen hebben, het Koninkrijk van God binnengaan.

25Want het is gemakkelijker dat een kameel gaat door het oog van een naald, dan dat een rijke het Koninkrijk van God binnengaat.

26En zij die dit hoorden, zeiden: Wie kan dan zalig worden?

27Hij echter zei:

18:27
Job 42:2
Jer. 32:17
Zach. 8:6
Luk. 1:37
De dingen die onmogelijk zijn bij de mensen, zijn mogelijk bij God.

28

18:28
Matt. 4:20
19:27
Mark. 10:28
Luk. 5:11
En Petrus zei: Zie, wij hebben alles verlaten en zijn U gevolgd.

29Hij nu zei tegen hen: Voorwaar, Ik zeg u

18:29
Deut. 33:9
dat er niemand is die huis of ouders of broers of vrouw of kinderen verlaten heeft om het Koninkrijk van God,

30

18:30
Job 42:12
die niet het veelvoudige zal terugontvangen in deze tijd, en in de wereld die komt, het eeuwige leven.

De derde aankondiging van het lijden

31

18:31
Matt. 16:21
17:22
20:17
Mark. 8:31
9:31
10:32
Luk. 9:22
24:7
En Hij nam de twaalf bij Zich en zei tegen hen: Zie, wij gaan naar Jeruzalem en alles
18:31
Ps. 22:7
Jes. 53:7
wat geschreven is door de profeten zal aan de Zoon des mensen volbracht worden.

32

18:32
Matt. 27:2
Luk. 23:1
Joh. 18:28
Hand. 3:13
Want Hij zal aan de heidenen worden overgeleverd en bespot worden en smadelijk behandeld en bespuwd worden.

33En zij zullen Hem doden, nadat zij Hem gegeseld hebben en op de derde dag zal Hij weer opstaan.

34Zij begrepen echter niets van deze dingen en dit woord was voor hen verborgen en zij begrepen niet wat er gezegd werd.

De blinde in Jericho

35

18:35
Matt. 20:29
Mark. 10:46
Het gebeurde nu toen Hij dicht bij Jericho kwam, dat een zekere blinde aan de weg zat te bedelen.

36En toen hij de menigte voorbij hoorde gaan, vroeg hij wat er aan de hand was.

37En zij vertelden hem dat Jezus de Nazarener voorbijging.

38En hij riep en zei: Jezus, Zoon van David, ontferm U over mij!

39En zij die vooraan liepen, bestraften hem, opdat hij zou zwijgen. Hij echter riep des te meer: Zoon van David, ontferm U over mij!

40Jezus nu bleef staan en beval dat men hem naar Hem toe zou brengen en toen hij dichtbij gekomen was, vroeg Hij hem:

41Wat wilt u dat Ik voor u doen zal? En hij zei: Heere, dat ik ziende mag worden.

42En Jezus zei tegen hem: Word ziende. Uw geloof heeft u behouden.

43En onmiddellijk werd hij ziende, en hij volgde Hem, terwijl hij God verheerlijkte. En al het volk gaf God de eer, toen het dat zag.