Herziene Statenvertaling (HSV)
13

Schuld en lijden

131Er waren juist op dat tijdstip enigen bij Hem, die Hem berichtten over de Galileeërs van wie Pilatus het bloed met hun offers vermengd had.

2En Jezus antwoordde en zei tegen hen: Denkt u dat deze Galileeërs grotere zondaars zijn geweest dan alle andere Galileeërs, omdat zij zulke dingen geleden hebben?

3Ik zeg u: Nee, maar als u zich niet bekeert, zult u allen evenzo omkomen.

4Of die achttien, op wie de toren in Siloam viel en die daardoor gedood werden, denkt u dat zij meer schuld hebben gehad dan alle andere mensen die in Jeruzalem wonen?

5Ik zeg u: Nee, maar als u zich niet bekeert, zult u allen evenzo omkomen.

De onvruchtbare vijgenboom

6En Hij sprak deze gelijkenis: Iemand had een vijgenboom, die in zijn wijngaard geplant was. En hij kwam om daaraan vrucht te zoeken, maar vond die niet.

7Toen zei hij tegen de wijngaardenier: Zie, ik kom nu al drie jaar vrucht zoeken aan deze vijgenboom en vind die niet. Hak hem om. Waarom beslaat hij de aarde nutteloos?

8En hij antwoordde en zei tegen hem: Heer, laat hem ook nog dit jaar staan, totdat ik om hem heen gegraven en hem bemest heb.

9Wellicht dat hij dan vrucht draagt. Maar zo niet, dan moet u hem alsnog omhakken.

Genezing van de kromgebogen vrouw

10En Hij gaf onderwijs op de sabbat in één van de synagogen.

11En zie, er was een vrouw die achttien jaar lang een geest had die haar ziek maakte en zij was kromgebogen en kon zich in het geheel niet oprichten.

12En toen Jezus haar zag, riep Hij haar bij Zich en zei tegen haar: Vrouw, u bent verlost van uw ziekte.

13En Hij legde de handen op haar en zij werd onmiddellijk weer opgericht en verheerlijkte God.

14En het hoofd van de synagoge, die verontwaardigd was dat Jezus op de sabbat genas, antwoordde en zei tegen de menigte:

13:14
Ex. 20:9
Deut. 5:13
Ezech. 20:12
Er zijn zes dagen waarop men moet werken. Kom dan daarop en laat u genezen, maar niet op de dag van de sabbat.

15De Heere dan antwoordde hem en zei: Huichelaar,

13:15
Ex. 23:5
Deut. 22:4
Luk. 14:5
maakt niet ieder van u op de sabbat zijn os of ezel van de voederbak los en leidt hem weg om hem te laten drinken?

16En moest dan deze vrouw, die een dochter van Abraham is en die de satan, zie, nu achttien jaar gebonden had, niet losgemaakt worden van deze band op de dag van de sabbat?

17En toen Hij dit zei, stonden al Zijn tegenstanders beschaamd en de hele menigte was blij om alle heerlijke dingen die door Hem gebeurden.

Het mosterdzaadje en het zuurdeeg

18

13:18
Matt. 13:31
Mark. 4:30
En Hij zei: Waaraan is het Koninkrijk van God gelijk en waarmee zal Ik het vergelijken?

19Het is gelijk aan een mosterdzaad, dat iemand nam en in zijn tuin zaaide. En het groeide op en werd tot een grote boom en de vogels in de lucht maakten een nest in zijn takken.

20En Hij zei opnieuw:

13:20
Matt. 13:33
Waarmee zal Ik het Koninkrijk van God vergelijken?

21Het is gelijk aan zuurdeeg, dat een vrouw nam en in drie maten meel deed, totdat het helemaal doorzuurd was.

De nauwe poort

22

13:22
Matt. 9:35
Mark. 6:6
En Hij trok door steden en dorpen heen, terwijl Hij onderwijs gaf en op weg was naar Jeruzalem.

23En iemand zei tegen Hem: Heere, zijn het weinigen, die zalig worden? En Hij zei tegen hen:

24

13:24
Matt. 7:13
Strijd om binnen te gaan door de nauwe poort, want velen, zeg Ik u, zullen proberen binnen te gaan en het niet kunnen,

25namelijk vanaf het ogenblik dat de Heer des huizes is opgestaan

13:25
Matt. 25:11
Luk. 6:46
en de deur heeft gesloten. Dan zult u beginnen buiten te staan en op de deur te kloppen en te zeggen: Heere, Heere, doe ons open. En Hij zal antwoorden en tegen u zeggen: Ik weet niet
13:25
Matt. 25:12
waar u vandaan komt.

26Dan zult u beginnen te zeggen: Wij hebben in Uw tegenwoordigheid gegeten en gedronken en U hebt in onze straten onderwijs gegeven.

27

13:27
Matt. 7:23
En Hij zal zeggen: Ik zeg u, Ik weet niet waar u vandaan komt.
13:27
Ps. 6:9
Matt. 25:12,41
Ga weg van Mij, allen die ongerechtigheid bedrijven.

28

13:28
Matt. 8:12
13:42
24:51
Daar zal gejammer zijn en tandengeknars,
13:28
Matt. 8:11
wanneer u Abraham, Izak en Jakob en alle profeten in het Koninkrijk van God zult zien, maar u buitengeworpen.

29

13:29
Jes. 2:2
Mal. 1:11
Matt. 8:11
En daar zullen er komen van oost en west, van noord en zuid, en zij zullen aan tafel gaan in het Koninkrijk van God.

30

13:30
Matt. 19:30
20:16
Mark. 10:31
En zie, er zijn laatsten die de eersten zullen zijn en er zijn eersten die de laatsten zullen zijn.

Jezus gaat naar Jeruzalem om te lijden

31Op diezelfde dag kwamen er enige Farizeeën en zeiden tegen Hem: Ga weg en vertrek vanhier, want Herodes wil U doden.

32En Hij zei tegen hen: Ga heen en zeg die vos: Zie, Ik drijf demonen uit en verricht genezingen, vandaag en morgen, en op de derde dag word Ik voleindigd.

33Intussen moet Ik heden en morgen en de dag daarna reizen. Het gaat immers niet aan dat een profeet omkomt buiten Jeruzalem.

34

13:34
Matt. 23:37
Jeruzalem, Jeruzalem, u die de profeten doodt en stenigt die naar u toe gezonden zijn,
13:34
Ps. 17:8
91:4
hoe vaak heb Ik uw kinderen bijeen willen brengen, op de wijze waarop een hen haar kuikens bijeenbrengt onder haar vleugels, maar u hebt niet gewild!

35

13:35
Ps. 69:26
Jes. 1:7
Jer. 7:34
Micha 3:12
Matt. 23:38
Hand. 1:20
Zie, uw huis wordt als een woestenij voor u achtergelaten. Voorwaar, Ik zeg u dat u Mij niet zult zien, totdat de tijd zal gekomen zijn dat u zult zeggen:
13:35
Ps. 118:26
Gezegend is Hij Die komt in de Naam van de Heere.

14

Genezing op de sabbat

141En het gebeurde, toen Hij in het huis van een van de leiders van de Farizeeën gekomen was op een sabbat om brood te eten, dat zij scherp op Hem letten.

2En zie, voor Hem stond iemand die leed aan waterzucht.

3En Jezus antwoordde en zei tegen de wetgeleerden en Farizeeën: Is het geoorloofd op de sabbat gezond te maken?

4Maar zij zwegen. En Hij greep hem vast, genas hem en liet hem gaan.

5En Hij zei, terwijl Hij Zich tot hen richtte:

14:5
Ex. 23:5
Deut. 22:4
Luk. 13:15
Wie van u zal, wanneer zijn ezel of os in een put valt, deze er niet meteen uittrekken op de dag van de sabbat?

6En zij konden Hem daarop geen antwoord geven.

Oproep tot nederigheid

7En Hij sprak een gelijkenis tot de genodigden, toen Hij merkte hoe zij de ereplaatsen voor zichzelf uitkozen. Hij zei tegen hen:

8Wanneer u door iemand op een bruiloft uitgenodigd bent, ga dan niet aanliggen op de ereplaats, opdat niet misschien iemand die voornamer is dan u, door hem uitgenodigd is,

9en hij die u en hem uitgenodigd heeft, tegen u zal komen zeggen: Geef hem die plaats. U zou dan tot uw schande de laatste plaats beginnen in te nemen.

10

14:10
Spr. 25:6,7
Maar wanneer u uitgenodigd bent, ga er heen en ga op de laatste plaats aanliggen, opdat, als hij komt die u uitgenodigd heeft, hij tegen u zal zeggen: Vriend, kom hoger op. Dan zal dat u tot eer zijn in de ogen van allen die met u aanliggen.

11

14:11
Job 22:29
Spr. 29:23
Matt. 23:12
Luk. 1:51
18:14
Jak. 4:6,10
1 Petr. 5:5
Want ieder die zichzelf verhoogt, zal vernederd worden en wie zichzelf vernedert, zal verhoogd worden.

De onbaatzuchtige gastheer

12En Hij zei ook tegen hem die Hem uitgenodigd had:

14:12
Neh. 8:11
Spr. 3:28
Wanneer u een middag- of avondmaaltijd houdt, roep dan niet uw vrienden, ook niet uw broers, en niet uw familieleden of rijke buren, opdat ook zij u niet op hun beurt terugvragen en het u vergolden wordt.

13Wanneer u echter een feestmaaltijd gereedmaakt, nodig dan armen, verminkten, kreupelen en blinden.

14En u zult zalig zijn, omdat zij niets hebben om u te vergelden. Want het zal u vergolden worden in de opstanding van de rechtvaardigen.

De grote maaltijd

15Toen een van hen die mee aanlagen, deze dingen hoorde, zei hij tegen Hem: Zalig is hij die brood zal eten in het Koninkrijk van God.

16Maar Hij zei tegen hem:

14:16
Jes. 25:6
Matt. 22:2
Openb. 19:7,9
Een zekere man bereidde een grote maaltijd en nodigde er velen.

17En hij stuurde zijn dienaar eropuit tegen de tijd van de maaltijd om de genodigden te zeggen: Kom, want alle dingen zijn nu gereed.

18En zij begonnen zich allen eensgezind te verontschuldigen. De eerste zei tegen hem: Ik heb een akker gekocht en ik moet er nodig op uit om die te bekijken. Ik vraag u: Houd mij voor verontschuldigd.

19En een ander zei: Ik heb vijf span ossen gekocht en ik ga erheen om ze te keuren. Ik vraag u: Houd mij voor verontschuldigd.

20En weer een ander zei: Ik heb een vrouw getrouwd en daarom kan ik niet komen.

21En die dienaar kwam terug en berichtte deze dingen aan zijn heer. Toen werd de heer des huizes boos en zei tegen zijn dienaar: Ga er snel op uit naar de straten en stegen van de stad en breng de armen en verminkten en kreupelen en blinden hier binnen.

22En de dienaar zei: Heer, het is gebeurd, zoals u bevolen hebt en nog is er plaats.

23En de heer zei tegen de dienaar: Ga eropuit naar de landwegen en heggen en dwing hen binnen te komen, opdat mijn huis vol wordt.

24Want ik zeg u dat niemand van die mannen die genodigd waren, mijn maaltijd proeven zal.

Alles verlaten om Jezus' wil

25En vele menigten trokken met Hem mee, en terwijl Hij Zich omkeerde, zei Hij tegen hen:

26

14:26
Deut. 13:6
33:9
Matt. 10:37
Als iemand tot Mij komt en niet haat zijn eigen vader en moeder en vrouw en kinderen en broers en zusters, ja, ook zelfs zijn eigen leven, die kan Mijn discipel niet zijn.

27

14:27
Matt. 10:38
16:24
Mark. 8:34
Luk. 9:23
En wie zijn kruis niet draagt en achter Mij aan komt, kan geen discipel van Mij zijn.

28Want wie van u die een toren wil bouwen, gaat niet eerst zitten om de kosten te berekenen, of hij de middelen wel heeft om het werk te voltooien?

29Opdat niet misschien, als hij het fundament gelegd heeft en niet in staat is het te voltooien, allen die het zien, hem beginnen te bespotten,

30en zeggen: Deze man begon te bouwen, maar heeft het werk niet kunnen voltooien.

31Of welke koning die een oorlog in gaat om te strijden met een andere koning, gaat niet eerst zitten om te beraadslagen of hij bij machte is met tienduizend man tegemoet te gaan die met twintigduizend man tegen hem optrekt?

32En zo niet, dan stuurt hij, als de ander nog ver weg is, een gezantschap om te vragen wat de vredesvoorwaarden zijn.

33Zo kan dan ieder van u die niet alles wat hij heeft, achterlaat, geen discipel van Mij zijn.

34

14:34
Matt. 5:13
Mark. 9:50
Het zout is goed, maar als het zout zijn smaak verloren heeft, waarmee zal het smakelijk gemaakt worden?

35Het is niet geschikt voor het land en ook niet voor de mesthoop: men gooit het weg. Wie oren heeft om te horen, laat die horen.

15

Het verloren schaap

151Al

15:1
Matt. 9:10
Mark. 2:15
Luk. 5:29
de tollenaars en de zondaars nu kwamen bij Hem om Hem te horen.

2En de Farizeeën en de schriftgeleerden morden onder elkaar en zeiden: Deze Man ontvangt zondaars en eet met hen.

3En Hij sprak deze gelijkenis tot hen en zei:

4

15:4
Matt. 18:12
Welk mens onder u die honderd schapen heeft en er één van verliest, verlaat niet de negenennegentig in de woestijn en gaat achter het verlorene aan, totdat hij het vindt?

5En als hij het gevonden heeft, legt hij het vol blijdschap op zijn schouders.

6En als hij thuiskomt, roept hij zijn vrienden en buren bijeen en zegt tegen hen: Wees blij met mij, want ik heb mijn schaap gevonden,

15:6
1 Petr. 2:10
dat verloren was.

7Ik zeg u dat er evenzo blijdschap zal zijn in de hemel over één zondaar die zich bekeert, meer dan over

15:7
Luk. 5:32
negenennegentig rechtvaardigen, die de bekering niet nodig hebben.

De verloren penning

8Of welke vrouw, die tien penningen15:8 penningen - Letterlijk: denarie, dat is het dagloon van een arbeider; zie ook vers 9. heeft en één penning verliest, steekt niet een lamp aan en veegt het huis en zoekt zorgvuldig, totdat zij die vindt?

9En als zij hem gevonden heeft, roept zij haar vriendinnen en buurvrouwen bijeen en zegt: Wees blij met mij, want ik heb de penning gevonden die ik verloren had.

10Zo zeg Ik u, is er blijdschap vóór de engelen van God over één zondaar die zich bekeert.

De verloren zoon

11En Hij zei: Een zeker mens had twee zonen.

12En de jongste van hen zei tegen zijn vader: Vader, geef mij het deel van de goederen dat mij toekomt. En hij verdeelde zijn vermogen onder hen.

13En niet veel dagen daarna maakte de jongste zoon alles te gelde en reisde weg naar een ver land en verkwistte daar zijn vermogen in een losbandig leven.

14En toen hij er alles doorgebracht had, kwam er een zware hongersnood in dat land en begon hij gebrek te lijden.

15En hij ging heen en voegde zich bij één van de burgers van dat land, en die stuurde hem naar zijn akkers om de varkens te weiden.

16En hij verlangde ernaar zijn buik te vullen met de schillen, die de varkens aten, maar niemand gaf hem die.

17En nadat hij tot zichzelf gekomen was, zei hij: Hoeveel dagloners van mijn vader hebben brood in overvloed en ik kom om van honger.

18Ik zal opstaan en naar mijn vader gaan en tegen hem zeggen: Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en tegenover u.

19En ik ben het niet meer waard uw zoon genoemd te worden. Maak mij als één van uw dagloners.

20En hij stond op en ging naar zijn vader. En

15:20
Hand. 2:39
Efez. 2:12,17
toen hij nog ver van hem verwijderd was, zag zijn vader hem en deze was met innerlijke ontferming bewogen en hij snelde hem tegemoet, viel hem om de hals en kuste hem.

21En de zoon zei tegen hem: Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en tegenover u. Ik ben niet meer waard uw zoon genoemd te worden.

22Maar de vader zei tegen zijn dienaren: Haal het beste gewaad tevoorschijn en trek het hem aan en geef hem een ring aan zijn hand en sandalen aan zijn voeten.

23En breng het gemeste kalf en slacht het, en laten we eten en vrolijk zijn.

24Want deze, mijn zoon, was dood en is weer levend geworden. En hij was verloren en is gevonden. En zij begonnen vrolijk te zijn.

25Zijn oudste zoon nu was op de akker. En toen hij dichter bij huis kwam, hoorde hij muziek en reidans.

26En nadat hij één van de knechten bij zich geroepen had, vroeg hij wat er aan de hand was.

27Deze nu zei tegen hem: Uw broer is gekomen en uw vader heeft het gemeste kalf geslacht, omdat hij hem weer gezond teruggekregen heeft.

28Maar hij werd boos en wilde niet naar binnen gaan. Toen ging zijn vader naar buiten en spoorde hem aan.

29Maar hij antwoordde en zei tegen zijn vader: Zie, ik dien u al zoveel jaren en heb nooit uw gebod overtreden en u hebt mij nooit een bokje gegeven om met mijn vrienden vrolijk te zijn.

30Maar nu deze zoon van u gekomen is, die uw bezit met hoeren opgemaakt heeft, hebt u voor hem het gemeste kalf geslacht.

31En hij zei tegen hem: Kind, jij bent altijd bij mij en al het mijne is van jou.

32Wij zouden dan vrolijk en blij moeten zijn, want deze broer van jou was dood en is weer levend geworden. En hij was verloren en is gevonden.