Herziene Statenvertaling (HSV)
12

Waarschuwing tegen huichelarij en mensenvrees

121Intussen, toen er een menigte van

12:1
Matt. 16:16
Mark. 8:15
tienduizenden mensen bijeengekomen was, zodat zij elkaar bijna onder de voet liepen, begon Hij te spreken, allereerst tot Zijn discipelen: Wees op uw hoede voor het zuurdeeg van de Farizeeën, dat is de huichelarij.

2

12:2
Job 12:22
Matt. 10:26
Mark. 4:22
Luk. 8:17
Want er is niets bedekt wat niet geopenbaard zal worden, en er is niets verborgen wat niet bekend zal worden.

3Daarom, al wat u in het duister gezegd hebt, zal in het licht gehoord worden en wat u in de binnenkamers in iemands oor gesproken hebt, zal op de daken gepredikt worden.

4En Ik zeg u, Mijn vrienden:

12:4
Jes. 51:7
Jer. 1:8
Matt. 10:28
Wees niet bevreesd voor hen die het lichaam doden en daarna niets meer kunnen doen.

5Maar Ik zal u laten zien voor Wie u bevreesd moet zijn: Wees bevreesd voor Hem Die, nadat Hij gedood heeft, ook macht heeft in de hel te werpen. Ja, Ik zeg u, wees bevreesd voor Hem!

6

12:6
Matt. 10:29
Worden niet vijf musjes voor twee penninkjes verkocht? En niet een van die is bij God vergeten.

7

12:7
1 Sam. 14:45
2 Sam. 14:11
1 Kon. 1:52
Luk. 21:18
Ja, ook de haren van uw hoofd zijn alle geteld. Wees dan niet bevreesd: u gaat veel musjes te boven.

8

12:8
Matt. 10:32
En Ik zeg u: Ieder die Mij belijden zal voor de mensen, die zal ook de Zoon des mensen belijden voor de engelen van God.

9

12:9
Matt. 10:33
Mark. 8:38
Luk. 9:26
2 Tim. 2:12
1 Joh. 2:23
Maar wie Mij verloochenen zal voor de mensen, die zal verloochend worden voor de engelen van God.

10En ieder die enig woord spreken zal tegen de Zoon des mensen, het zal hem vergeven worden,

12:10
1 Joh. 5:16
maar wie tegen de Heilige Geest gelasterd zal hebben, het zal hem niet vergeven worden.

11

12:11
Matt. 10:19
Mark. 13:11
Luk. 21:14
Wanneer zij u dan zullen brengen naar de synagogen en voor de overheden en de machthebbers, wees dan niet bezorgd hoe of wat u ter verdediging moet zeggen of wat u moet spreken.

12Want de Heilige Geest zal u in dat uur leren wat u moet zeggen.

De rijke dwaas

13En iemand uit de menigte zei tegen Hem: Meester, zeg tegen mijn broer dat hij de erfenis met mij moet delen.

14Maar Hij zei tegen hem: Mens, wie heeft Mij tot rechter of verdeler van een erfenis over u aangesteld?

15En Hij zei tegen hen: Kijk uit en wees op uw hoede

12:15
1 Tim. 6:7
voor de hebzucht. Immers, al heeft iemand overvloed, zijn leven behoort niet tot zijn bezit.

16En Hij zei tot hen een gelijkenis en sprak: Het land van een rijke man had veel opgebracht.

17En hij overlegde bij zichzelf en zei: Wat zal ik doen? Want ik heb geen ruimte om mijn vruchten op te slaan.

18En hij zei: Dit zal ik doen: ik zal mijn schuren afbreken en grotere bouwen en ik zal daarin al mijn koren en al mijn goederen opslaan.

19En ik zal tegen mijn ziel zeggen:

12:19
Pred. 11:9
1 Kor. 15:32
Jak. 5:5
Ziel, u hebt veel goederen liggen voor veel jaren. Neem rust, eet, drink en wees vrolijk.

20Maar God zei tegen hem:

12:20
Ps. 52:7
Jer. 17:11
Dwaas! In deze nacht zal men uw ziel van u opeisen; en wat u gereedgemaakt hebt,
12:20
Ps. 39:7
voor wie zal het zijn?

21Zo is het met hem die voor zichzelf schatten verzamelt en niet rijk is in God.

Oproep om niet bezorgd te zijn

22En Hij zei tegen Zijn discipelen:

12:22
Ps. 55:23
Matt. 6:25
Filipp. 4:6
1 Tim. 6:8
1 Petr. 5:7
Daarom zeg Ik u: Wees niet bezorgd over uw leven: over wat u eten zult, of over uw lichaam: waarmee u zich kleden zult.

23Het leven is meer dan het voedsel en het lichaam meer dan de kleding.

24

12:24
Job 39:3
Ps. 147:9
Let op de raven: zij zaaien niet en maaien niet, zij hebben geen voorraadkamer en geen schuur, en God voedt hen. Hoever gaat u de vogels te boven?

25

12:25
Matt. 6:27
Wie toch van u kan met bezorgd te zijn één el aan zijn lengte toevoegen?

26Als u dan ook het minste niet kunt, waarom bent u over de andere dingen bezorgd?

27Let op de lelies, hoe zij groeien. Ze werken niet en spinnen niet, en Ik zeg u dat zelfs Salomo in al zijn heerlijkheid niet gekleed ging als één van deze.

28Als God nu het gras op het veld, dat er vandaag is en morgen in de oven geworpen wordt, zo bekleedt, hoeveel te meer u, kleingelovigen!

29En u, vraag niet wat u eten of wat u drinken zult, en wees niet verontrust.

30Want naar al deze dingen zoeken de volken van de wereld. Uw Vader echter weet dat u deze dingen nodig hebt.

31

12:31
1 Kon. 3:13
Ps. 37:25
Maar zoek het Koninkrijk van God en al deze dingen zullen u erbij gegeven worden.

32Wees niet bevreesd, kleine kudde, want het heeft uw Vader behaagd u het Koninkrijk te geven.

33

12:33
Matt. 19:21
Luk. 16:9
Verkoop uw bezittingen en geef de opbrengst weg als liefdegave.
12:33
Matt. 6:20
19:21
Luk. 16:9
1 Tim. 6:19
Maak voor uzelf beurzen die niet verslijten, een schat die niet opraakt, in de hemelen, waar de dief niet bij komt en die door de mot niet aangetast wordt.

34Want waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn.

Wees waakzaam

35

12:35
Efez. 6:14
1 Petr. 1:13
Laten uw lendenen omgord zijn en de lampen brandend.

36En u, wees gelijk aan mensen die op hun heer wachten, wanneer hij terugkomt van de bruiloft, om hem, als hij komt en klopt, meteen open te doen.

37Zalig zijn die slaven die de heer bij zijn komst wakend zal vinden. Voorwaar, Ik zeg u, dat hij zich zal omgorden en hen aan tafel zal nodigen en bij hen zal komen om hen te dienen.

38

12:38
Matt. 24:42
En als hij komt in de tweede nachtwake of als hij komt in de derde nachtwake en hen zo aantreft, zalig zijn die slaven.

39

12:39
Matt. 24:43
1 Thess. 5:2
2 Petr. 3:10
Openb. 3:3
16:15
Maar weet dit, dat als de heer des huizes geweten had op welk moment de dief komen zou, hij gewaakt zou hebben, en niet in zijn huis zou hebben laten inbreken.

40

12:40
Matt. 24:44
25:13
Mark. 13:33
Luk. 21:34
1 Thess. 5:6
U dan, wees ook bereid, want op een uur waarop u het niet zou denken, zal de Zoon des mensen komen.

De trouwe en de ontrouwe rentmeester

41En Petrus zei tegen Hem: Heere, spreekt U deze gelijkenis tot ons, of ook tot allen?

42En de Heere zei:

12:42
Matt. 24:45
25:21
1 Kor. 4:2
Wie is dan de trouwe en verstandige rentmeester, die de heer over zijn huisbedienden zal aanstellen om aan hen op de juiste tijd het voedsel te geven dat hun toekomt?

43Zalig de slaaf die door zijn heer bij zijn komst zo handelend aangetroffen zal worden.

44Werkelijk, Ik zeg u dat hij hem over al zijn bezittingen zal aanstellen.

45Als die slaaf echter in zijn hart zou zeggen: Mijn heer blijft nog lang weg, en zou beginnen de knechten en de dienstmeisjes te slaan, te eten en te drinken en dronken te worden,

46dan zal de heer van deze slaaf komen op een dag waarop hij hem niet verwacht, en op een uur dat hij niet weet; en hij zal hem in stukken houwen en hem in het lot doen delen van hen die ontrouw zijn.12:46 en hem in het lot doen delen van … - Letterlijk: en zijn deel zetten met …

47

12:47
Jak. 4:17
En die slaaf die de wil van zijn heer gekend heeft en geen voorbereidingen getroffen heeft en ook niet naar zijn wil gehandeld heeft, zal met veel slagen geslagen worden.

48Wie echter zijn wil niet gekend heeft en dingen gedaan heeft die slagen verdienen, zal met weinig slagen geslagen worden. En van ieder aan wie veel gegeven is, zal veel teruggevraagd worden en van hem aan wie men veel toevertrouwd heeft, zal men des te meer eisen.

Jezus brengt verdeeldheid

49Ik ben gekomen om vuur te werpen op de aarde en wat wil Ik nog meer, nu het al ontstoken is!

50

12:50
Matt. 20:22
Mark. 10:38
Maar Ik moet met een doop gedoopt worden, en hoe beklemt het Mij, totdat het volbracht is.

51

12:51
Matt. 10:34
Denkt u dat Ik gekomen ben om vrede te brengen op de aarde? Nee, zeg Ik u,
12:51
Micha 7:6
maar eerder verdeeldheid.

52Want van nu aan zullen er vijf in één huis verdeeld zijn, drie tegen twee en twee tegen drie.

53Zij zullen tegen elkaar verdeeld zijn: vader tegen zoon, en zoon tegen vader, moeder tegen dochter, en dochter tegen moeder, schoonmoeder tegen haar schoondochter, en schoondochter tegen haar schoonmoeder.

Tekenen van de eindtijd

54En Hij zei ook tegen de menigte:

12:54
Matt. 16:2
Wanneer u een wolk ziet opkomen vanuit het westen, zegt u meteen: Er komt regen. En zo gebeurt het.

55En als er een zuidenwind waait, zegt u: Er komt hitte. En het gebeurt.

56Huichelaars, de aanblik van de aarde en van de hemel weet u te duiden. Hoe kan het dan dat u deze tijd niet weet te duiden?

57En waarom oordeelt u ook zelf niet wat rechtvaardig is?

58

12:58
Spr. 25:8
Matt. 5:25
Want als u met uw tegenpartij naar de overheid gaat, doe dan onderweg moeite om van hem verlost te worden, opdat hij u misschien niet voor de rechter sleept en de rechter u aan de gerechtsdienaar overlevert en de gerechtsdienaar u in de gevangenis werpt.

59Ik zeg u: U zult daar beslist niet uitkomen, voordat u ook het laatste penninkje hebt betaald.

13

Schuld en lijden

131Er waren juist op dat tijdstip enigen bij Hem, die Hem berichtten over de Galileeërs van wie Pilatus het bloed met hun offers vermengd had.

2En Jezus antwoordde en zei tegen hen: Denkt u dat deze Galileeërs grotere zondaars zijn geweest dan alle andere Galileeërs, omdat zij zulke dingen geleden hebben?

3Ik zeg u: Nee, maar als u zich niet bekeert, zult u allen evenzo omkomen.

4Of die achttien, op wie de toren in Siloam viel en die daardoor gedood werden, denkt u dat zij meer schuld hebben gehad dan alle andere mensen die in Jeruzalem wonen?

5Ik zeg u: Nee, maar als u zich niet bekeert, zult u allen evenzo omkomen.

De onvruchtbare vijgenboom

6En Hij sprak deze gelijkenis: Iemand had een vijgenboom, die in zijn wijngaard geplant was. En hij kwam om daaraan vrucht te zoeken, maar vond die niet.

7Toen zei hij tegen de wijngaardenier: Zie, ik kom nu al drie jaar vrucht zoeken aan deze vijgenboom en vind die niet. Hak hem om. Waarom beslaat hij de aarde nutteloos?

8En hij antwoordde en zei tegen hem: Heer, laat hem ook nog dit jaar staan, totdat ik om hem heen gegraven en hem bemest heb.

9Wellicht dat hij dan vrucht draagt. Maar zo niet, dan moet u hem alsnog omhakken.

Genezing van de kromgebogen vrouw

10En Hij gaf onderwijs op de sabbat in één van de synagogen.

11En zie, er was een vrouw die achttien jaar lang een geest had die haar ziek maakte en zij was kromgebogen en kon zich in het geheel niet oprichten.

12En toen Jezus haar zag, riep Hij haar bij Zich en zei tegen haar: Vrouw, u bent verlost van uw ziekte.

13En Hij legde de handen op haar en zij werd onmiddellijk weer opgericht en verheerlijkte God.

14En het hoofd van de synagoge, die verontwaardigd was dat Jezus op de sabbat genas, antwoordde en zei tegen de menigte:

13:14
Ex. 20:9
Deut. 5:13
Ezech. 20:12
Er zijn zes dagen waarop men moet werken. Kom dan daarop en laat u genezen, maar niet op de dag van de sabbat.

15De Heere dan antwoordde hem en zei: Huichelaar,

13:15
Ex. 23:5
Deut. 22:4
Luk. 14:5
maakt niet ieder van u op de sabbat zijn os of ezel van de voederbak los en leidt hem weg om hem te laten drinken?

16En moest dan deze vrouw, die een dochter van Abraham is en die de satan, zie, nu achttien jaar gebonden had, niet losgemaakt worden van deze band op de dag van de sabbat?

17En toen Hij dit zei, stonden al Zijn tegenstanders beschaamd en de hele menigte was blij om alle heerlijke dingen die door Hem gebeurden.

Het mosterdzaadje en het zuurdeeg

18

13:18
Matt. 13:31
Mark. 4:30
En Hij zei: Waaraan is het Koninkrijk van God gelijk en waarmee zal Ik het vergelijken?

19Het is gelijk aan een mosterdzaad, dat iemand nam en in zijn tuin zaaide. En het groeide op en werd tot een grote boom en de vogels in de lucht maakten een nest in zijn takken.

20En Hij zei opnieuw:

13:20
Matt. 13:33
Waarmee zal Ik het Koninkrijk van God vergelijken?

21Het is gelijk aan zuurdeeg, dat een vrouw nam en in drie maten meel deed, totdat het helemaal doorzuurd was.

De nauwe poort

22

13:22
Matt. 9:35
Mark. 6:6
En Hij trok door steden en dorpen heen, terwijl Hij onderwijs gaf en op weg was naar Jeruzalem.

23En iemand zei tegen Hem: Heere, zijn het weinigen, die zalig worden? En Hij zei tegen hen:

24

13:24
Matt. 7:13
Strijd om binnen te gaan door de nauwe poort, want velen, zeg Ik u, zullen proberen binnen te gaan en het niet kunnen,

25namelijk vanaf het ogenblik dat de Heer des huizes is opgestaan

13:25
Matt. 25:11
Luk. 6:46
en de deur heeft gesloten. Dan zult u beginnen buiten te staan en op de deur te kloppen en te zeggen: Heere, Heere, doe ons open. En Hij zal antwoorden en tegen u zeggen: Ik weet niet
13:25
Matt. 25:12
waar u vandaan komt.

26Dan zult u beginnen te zeggen: Wij hebben in Uw tegenwoordigheid gegeten en gedronken en U hebt in onze straten onderwijs gegeven.

27

13:27
Matt. 7:23
En Hij zal zeggen: Ik zeg u, Ik weet niet waar u vandaan komt.
13:27
Ps. 6:9
Matt. 25:12,41
Ga weg van Mij, allen die ongerechtigheid bedrijven.

28

13:28
Matt. 8:12
13:42
24:51
Daar zal gejammer zijn en tandengeknars,
13:28
Matt. 8:11
wanneer u Abraham, Izak en Jakob en alle profeten in het Koninkrijk van God zult zien, maar u buitengeworpen.

29

13:29
Jes. 2:2
Mal. 1:11
Matt. 8:11
En daar zullen er komen van oost en west, van noord en zuid, en zij zullen aan tafel gaan in het Koninkrijk van God.

30

13:30
Matt. 19:30
20:16
Mark. 10:31
En zie, er zijn laatsten die de eersten zullen zijn en er zijn eersten die de laatsten zullen zijn.

Jezus gaat naar Jeruzalem om te lijden

31Op diezelfde dag kwamen er enige Farizeeën en zeiden tegen Hem: Ga weg en vertrek vanhier, want Herodes wil U doden.

32En Hij zei tegen hen: Ga heen en zeg die vos: Zie, Ik drijf demonen uit en verricht genezingen, vandaag en morgen, en op de derde dag word Ik voleindigd.

33Intussen moet Ik heden en morgen en de dag daarna reizen. Het gaat immers niet aan dat een profeet omkomt buiten Jeruzalem.

34

13:34
Matt. 23:37
Jeruzalem, Jeruzalem, u die de profeten doodt en stenigt die naar u toe gezonden zijn,
13:34
Ps. 17:8
91:4
hoe vaak heb Ik uw kinderen bijeen willen brengen, op de wijze waarop een hen haar kuikens bijeenbrengt onder haar vleugels, maar u hebt niet gewild!

35

13:35
Ps. 69:26
Jes. 1:7
Jer. 7:34
Micha 3:12
Matt. 23:38
Hand. 1:20
Zie, uw huis wordt als een woestenij voor u achtergelaten. Voorwaar, Ik zeg u dat u Mij niet zult zien, totdat de tijd zal gekomen zijn dat u zult zeggen:
13:35
Ps. 118:26
Gezegend is Hij Die komt in de Naam van de Heere.

14

Genezing op de sabbat

141En het gebeurde, toen Hij in het huis van een van de leiders van de Farizeeën gekomen was op een sabbat om brood te eten, dat zij scherp op Hem letten.

2En zie, voor Hem stond iemand die leed aan waterzucht.

3En Jezus antwoordde en zei tegen de wetgeleerden en Farizeeën: Is het geoorloofd op de sabbat gezond te maken?

4Maar zij zwegen. En Hij greep hem vast, genas hem en liet hem gaan.

5En Hij zei, terwijl Hij Zich tot hen richtte:

14:5
Ex. 23:5
Deut. 22:4
Luk. 13:15
Wie van u zal, wanneer zijn ezel of os in een put valt, deze er niet meteen uittrekken op de dag van de sabbat?

6En zij konden Hem daarop geen antwoord geven.

Oproep tot nederigheid

7En Hij sprak een gelijkenis tot de genodigden, toen Hij merkte hoe zij de ereplaatsen voor zichzelf uitkozen. Hij zei tegen hen:

8Wanneer u door iemand op een bruiloft uitgenodigd bent, ga dan niet aanliggen op de ereplaats, opdat niet misschien iemand die voornamer is dan u, door hem uitgenodigd is,

9en hij die u en hem uitgenodigd heeft, tegen u zal komen zeggen: Geef hem die plaats. U zou dan tot uw schande de laatste plaats beginnen in te nemen.

10

14:10
Spr. 25:6,7
Maar wanneer u uitgenodigd bent, ga er heen en ga op de laatste plaats aanliggen, opdat, als hij komt die u uitgenodigd heeft, hij tegen u zal zeggen: Vriend, kom hoger op. Dan zal dat u tot eer zijn in de ogen van allen die met u aanliggen.

11

14:11
Job 22:29
Spr. 29:23
Matt. 23:12
Luk. 1:51
18:14
Jak. 4:6,10
1 Petr. 5:5
Want ieder die zichzelf verhoogt, zal vernederd worden en wie zichzelf vernedert, zal verhoogd worden.

De onbaatzuchtige gastheer

12En Hij zei ook tegen hem die Hem uitgenodigd had:

14:12
Neh. 8:11
Spr. 3:28
Wanneer u een middag- of avondmaaltijd houdt, roep dan niet uw vrienden, ook niet uw broers, en niet uw familieleden of rijke buren, opdat ook zij u niet op hun beurt terugvragen en het u vergolden wordt.

13Wanneer u echter een feestmaaltijd gereedmaakt, nodig dan armen, verminkten, kreupelen en blinden.

14En u zult zalig zijn, omdat zij niets hebben om u te vergelden. Want het zal u vergolden worden in de opstanding van de rechtvaardigen.

De grote maaltijd

15Toen een van hen die mee aanlagen, deze dingen hoorde, zei hij tegen Hem: Zalig is hij die brood zal eten in het Koninkrijk van God.

16Maar Hij zei tegen hem:

14:16
Jes. 25:6
Matt. 22:2
Openb. 19:7,9
Een zekere man bereidde een grote maaltijd en nodigde er velen.

17En hij stuurde zijn dienaar eropuit tegen de tijd van de maaltijd om de genodigden te zeggen: Kom, want alle dingen zijn nu gereed.

18En zij begonnen zich allen eensgezind te verontschuldigen. De eerste zei tegen hem: Ik heb een akker gekocht en ik moet er nodig op uit om die te bekijken. Ik vraag u: Houd mij voor verontschuldigd.

19En een ander zei: Ik heb vijf span ossen gekocht en ik ga erheen om ze te keuren. Ik vraag u: Houd mij voor verontschuldigd.

20En weer een ander zei: Ik heb een vrouw getrouwd en daarom kan ik niet komen.

21En die dienaar kwam terug en berichtte deze dingen aan zijn heer. Toen werd de heer des huizes boos en zei tegen zijn dienaar: Ga er snel op uit naar de straten en stegen van de stad en breng de armen en verminkten en kreupelen en blinden hier binnen.

22En de dienaar zei: Heer, het is gebeurd, zoals u bevolen hebt en nog is er plaats.

23En de heer zei tegen de dienaar: Ga eropuit naar de landwegen en heggen en dwing hen binnen te komen, opdat mijn huis vol wordt.

24Want ik zeg u dat niemand van die mannen die genodigd waren, mijn maaltijd proeven zal.

Alles verlaten om Jezus' wil

25En vele menigten trokken met Hem mee, en terwijl Hij Zich omkeerde, zei Hij tegen hen:

26

14:26
Deut. 13:6
33:9
Matt. 10:37
Als iemand tot Mij komt en niet haat zijn eigen vader en moeder en vrouw en kinderen en broers en zusters, ja, ook zelfs zijn eigen leven, die kan Mijn discipel niet zijn.

27

14:27
Matt. 10:38
16:24
Mark. 8:34
Luk. 9:23
En wie zijn kruis niet draagt en achter Mij aan komt, kan geen discipel van Mij zijn.

28Want wie van u die een toren wil bouwen, gaat niet eerst zitten om de kosten te berekenen, of hij de middelen wel heeft om het werk te voltooien?

29Opdat niet misschien, als hij het fundament gelegd heeft en niet in staat is het te voltooien, allen die het zien, hem beginnen te bespotten,

30en zeggen: Deze man begon te bouwen, maar heeft het werk niet kunnen voltooien.

31Of welke koning die een oorlog in gaat om te strijden met een andere koning, gaat niet eerst zitten om te beraadslagen of hij bij machte is met tienduizend man tegemoet te gaan die met twintigduizend man tegen hem optrekt?

32En zo niet, dan stuurt hij, als de ander nog ver weg is, een gezantschap om te vragen wat de vredesvoorwaarden zijn.

33Zo kan dan ieder van u die niet alles wat hij heeft, achterlaat, geen discipel van Mij zijn.

34

14:34
Matt. 5:13
Mark. 9:50
Het zout is goed, maar als het zout zijn smaak verloren heeft, waarmee zal het smakelijk gemaakt worden?

35Het is niet geschikt voor het land en ook niet voor de mesthoop: men gooit het weg. Wie oren heeft om te horen, laat die horen.