Herziene Statenvertaling (HSV)
10

De uitzending van de zeventig

101Hierna wees de Heere nog zeventig anderen aan en zond hen twee aan twee voor Zijn aangezicht uit naar iedere stad en plaats waar Hij komen zou.

2Hij zei dan tegen hen:

10:2
Matt. 9:37
Joh. 4:35
2 Thess. 3:1
De oogst is wel groot, maar er zijn weinig arbeiders. Bid daarom tot de Heere van de oogst dat Hij arbeiders in Zijn oogst uitzendt.

3

10:3
Matt. 10:16
Ga heen, zie, Ik zend u als lammeren te midden van de wolven.

4

10:4
Matt. 10:9
Mark. 6:8
Luk. 9:3
22:35
Neem geen beurs, geen reiszak en geen sandalen mee,
10:4
2 Kon. 4:29
en groet niemand onderweg.

5

10:5
Matt. 10:12
Mark. 6:10
En welk huis u ook maar binnengaat, zeg eerst: Vrede zij dit huis!

6En als daar een zoon van vrede is, zal uw vrede op hem rusten. Zo niet, dan zal uw vrede tot u terugkeren.

7

10:7
1 Kor. 10:27
Blijf in dat huis en eet en drink wat u door hen voorgezet wordt,
10:7
Lev. 19:13
Deut. 24:14
25:4
Matt. 10:10
1 Kor. 9:4,14
1 Tim. 5:18
want de arbeider is zijn loon waard. Ga niet van het ene huis naar het andere huis.

8En welke stad u ook maar binnengaat en men ontvangt u, eet wat u voorgezet wordt,

9genees de zieken die daar zijn, en zeg tegen hen: Het Koninkrijk van God is dicht bij u gekomen.

10

10:10
Matt. 10:14
Mark. 6:11
Luk. 9:5
Maar welke stad u ook maar binnengaat en men ontvangt u niet, ga naar buiten, de straat op, en zeg:

11

10:11
Hand. 13:51
18:6
Zelfs het stof uit uw stad dat aan ons kleeft, schudden wij tegen u af. Maar weet dit, dat het Koninkrijk van God dicht bij u is gekomen.

12Ik zeg u dat het voor Sodom verdraaglijker zal zijn op die dag dan voor die stad.

13Wee u, Chorazin, wee u, Bethsaïda! Want als in Tyrus en Sidon de krachten gebeurd waren die in u plaatsgevonden hebben, dan zouden zij zich allang, in zak en as gezeten, bekeerd hebben.

14Maar het zal voor Tyrus en Sidon verdraaglijker zijn in het oordeel dan voor u.

15En u, Kapernaüm, die tot de hemel toe verhoogd bent, u zult tot de hel toe neergestoten worden.

16

10:16
Matt. 10:40
Mark. 9:37
Joh. 13:20
Wie naar u luistert, die luistert naar Mij; wie u verwerpt, die verwerpt Mij;
10:16
1 Thess. 4:8
en wie Mij verwerpt, die verwerpt Hem Die Mij gezonden heeft.

17De zeventig zijn teruggekeerd met blijdschap en zeiden: Heere, zelfs de demonen zijn in Uw Naam aan ons onderworpen.

18Hij zei tegen hen:

10:18
Openb. 12:8,9
Ik zag de satan als een bliksem uit de hemel vallen.

19

10:19
Mark. 16:18
Hand. 28:5
Zie, Ik geef u de macht om op slangen en schorpioenen te trappen en de macht over alle kracht van de vijand; en niets zal u schade toebrengen.

20Verblijd u echter niet daarover dat de geesten aan u onderworpen zijn, maar verblijd u erover

10:20
Ex. 32:32
Jes. 4:3
Dan. 12:1
Filipp. 4:3
dat uw namen opgeschreven zijn in de hemel.

Het welbehagen van de Vader

21

10:21
Matt. 11:25
Op dat moment verheugde Jezus Zich in de geest en zei: Ik dank U, Vader, Heere van de hemel en van de aarde, dat U deze dingen
10:21
Job 5:12
Jes. 29:14
1 Kor. 1:19
2:7,8
2 Kor. 3:14
voor wijzen en verstandigen verborgen hebt, en ze aan jonge kinderen hebt geopenbaard. Ja, Vader, want zo was het Uw welbehagen.

22

10:22
Ps. 8:7
Joh. 3:35
17:2
1 Kor. 15:27
Filipp. 2:10
Hebr. 2:8
Alle dingen zijn Mij overgegeven door Mijn Vader; en niemand weet Wie de Zoon is dan de Vader, en Wie de Vader is dan de Zoon, en
10:22
Joh. 1:18
6:44,46
hij aan wie de Zoon het wil openbaren.

23En Hij keerde Zich naar de discipelen en zei tegen hen alleen:

10:23
Matt. 13:16
Zalig zijn de ogen die zien wat u ziet.

24

10:24
1 Petr. 1:10
Want Ik zeg u dat veel profeten en koningen de dingen hebben willen zien die u ziet, en zij hebben ze niet gezien; en te horen de dingen die u hoort, en zij hebben ze niet gehoord.

De barmhartige Samaritaan

25En zie, een wetgeleerde stond op om Hem te verzoeken, en zei: Meester, wat moet ik doen om het eeuwige leven te beërven?

26En Hij zei tegen hem: Wat staat er in de Wet geschreven? Wat leest u daar?

27Hij antwoordde en zei:

10:27
Deut. 6:5
10:12
30:6
U zult de Heere, uw God, liefhebben met heel uw hart, met heel uw ziel, met heel uw kracht en met heel uw verstand,
10:27
Lev. 19:18
Rom. 13:9
Gal. 5:14
Jak. 2:8
en uw naaste als uzelf.

28Hij zei tegen hem: U hebt juist geantwoord. Doe dat en u zult leven.

29Maar hij wilde zichzelf rechtvaardigen en zei tegen Jezus: Wie is mijn naaste?

30Jezus antwoordde en zei: Een man ging van Jeruzalem naar Jericho en viel in de handen van rovers, die hem de kleren uittrokken, hem daarbij slagen toedienden en hem bij hun vertrek halfdood lieten liggen.

31Toevallig kwam er een priester langs diezelfde weg, en toen hij hem zag, ging hij aan de overkant voorbij.

32Evenzo ging ook een Leviet, toen hij op die plek kwam en hem zag, aan de overkant voorbij.

33Maar een Samaritaan die op reis was, kwam in zijn buurt, en toen hij hem zag, was hij met innerlijke ontferming bewogen.

34En hij ging naar hem toe, verbond zijn wonden en goot er olie en wijn op. Hij tilde hem op zijn eigen rijdier, bracht hem naar een herberg en verzorgde hem.

35En toen hij de volgende dag wegging, haalde hij twee penningen10:35 penningen - Letterlijk: denarie, dat is het dagloon van een arbeider. tevoorschijn, en hij gaf ze aan de waard en zei tegen hem: Zorg voor hem, en wat u verder aan kosten maakt, zal ik u geven als ik terugkom.

36Wie van deze drie denkt u dat de naaste geweest is van hem die in handen van de rovers gevallen was?

37En hij zei: Degene die hem barmhartigheid bewezen heeft. Jezus zei tegen hem: Ga heen en doet u evenzo.

Maria en Martha

38Het gebeurde, toen zij onderweg waren, dat Hij in een dorp kwam. En een vrouw van wie de naam Martha was, ontving Hem in haar huis.

39En zij had een zuster die Maria heette, die

10:39
Hand. 22:3
ook aan de voeten van Jezus zat en naar Zijn woord luisterde.

40Maar Martha was druk bezig met bedienen. Nadat zij erbij was komen staan, zei zij: Heere, trekt U het Zich niet aan dat mijn zuster mij alleen laat bedienen? Zeg toch tegen haar dat zij mij helpt.

41Jezus antwoordde en zei tegen haar: Martha, Martha, u bent bezorgd en maakt u druk over veel dingen.

42Slechts één ding is nodig. Maria heeft het goede deel uitgekozen,

10:42
Ps. 27:4
dat niet van haar zal worden afgenomen.

11

Het gebed des Heeren

111En het gebeurde, toen Hij ergens aan het bidden was, dat een van Zijn discipelen tegen Hem zei, toen Hij ophield: Heere, leer ons bidden, zoals ook Johannes zijn discipelen geleerd heeft.

2Hij zei tegen hen:

11:2
Matt. 6:9
Wanneer u bidt, zeg dan: Onze Vader, Die in de hemelen zijt. Uw Naam worde geheiligd. Uw Koninkrijk kome. Uw wil geschiede, zoals in de hemel, zo ook op de aarde.

3Geef ons elke dag ons dagelijks brood.

4En vergeef ons onze zonden, want ook wij vergeven aan iedereen die ons iets schuldig is. En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze.

Gebedsverhoring

5En Hij zei tegen hen: Stel dat iemand van u een vriend heeft en midden in de nacht naar hem toe gaat en tegen hem zegt: Vriend, leen mij drie broden,

6want mijn vriend is van een reis bij mij gekomen en ik heb niets om hem voor te zetten,

7en dat die vriend van binnen uit het huis dan zou antwoorden en zeggen: Val mij niet lastig. De deur is al gesloten en mijn kinderen zijn bij mij in de slaapkamer; ik kan niet opstaan om ze u te geven.

8Ik zeg u: Al zou hij niet opstaan en ze hem geven, omdat hij zijn vriend is, dan zou hij toch om zijn onbeschaamdheid opstaan en hem er zoveel geven als hij nodig heeft.

9En Ik zeg u:

11:9
Matt. 7:7
21:22
Mark. 11:24
Joh. 14:13
15:7
16:24
Jak. 1:5,6
1 Joh. 3:22
5:14
Bid, en u zal gegeven worden; zoek, en u zult vinden; klop, en er zal voor u opengedaan worden.

10Want ieder die bidt, die ontvangt; wie zoekt, die vindt; en wie klopt, voor hem zal er opengedaan worden.

11

11:11
Matt. 7:9
Welke vader onder u zal aan zijn zoon, als hij hem om brood vraagt, een steen geven, of ook als hij om een vis vraagt, hem in plaats van een vis een slang geven,

12of ook als hij om een ei vraagt, hem een schorpioen geven?

13Als u die slecht bent, uw kinderen dus goede gaven weet te geven, hoeveel te meer zal de hemelse Vader de Heilige Geest geven aan hen die tot Hem bidden?

Jezus en Beëlzebul

14

11:14
Matt. 9:32
12:22
En Hij dreef een demon uit bij iemand, en deze kon niet spreken. En het gebeurde dat hij die niet kon spreken, toen de demon uitgevaren was, sprak. En de menigte verwonderde zich.

15Maar sommigen van hen zeiden:

11:15
Matt. 9:34
12:24
Mark. 3:22
Hij drijft de demonen uit door Beëlzebul, de aanvoerder van de demonen.

16Anderen

11:16
Matt. 16:1
verlangden van Hem, om Hem te verzoeken, een teken uit de hemel.

17Maar Hij kende hun gedachten en zei tegen hen:

11:17
Matt. 12:25
Mark. 3:24
Ieder koninkrijk dat tegen zichzelf verdeeld is, wordt verwoest; en een huis dat tegen zichzelf verdeeld is, valt.

18Als nu ook de satan tegen zichzelf verdeeld is, hoe kan zijn rijk dan standhouden? Want u zegt dat Ik door Beëlzebul de demonen uitdrijf.

19Als Ik door Beëlzebul de demonen uitdrijf, door wie drijven uw zonen hen dan uit? Daarom zullen zij uw rechters zijn.

20Maar als Ik door de vinger van God de demonen uitdrijf, dan is het Koninkrijk van God bij u gekomen.

21Wanneer een sterke gewapende man zijn woning bewaakt, is alles wat hij heeft veilig.

22

11:22
Kol. 2:15
Maar als iemand die sterker is dan hij, op hem afkomt en hem overwint, neemt hij hem zijn hele wapenrusting, waarop hij vertrouwde, af en verdeelt zijn buit.

23

11:23
Matt. 12:30
Wie met Mij niet is, die is tegen Mij; wie met Mij niet verzamelt, die drijft uiteen.

Terugkeer van de onreine geest

24

11:24
Matt. 12:43
Wanneer de onreine geest van de mens uitgegaan is, gaat hij door dorre plaatsen om rust te zoeken. Maar wanneer hij die niet vindt, zegt hij: Ik zal terugkeren naar mijn huis, waar ik uit weggegaan ben.

25En wanneer hij aankomt, vindt hij het geveegd en opgeruimd.

26Dan gaat hij weg en neemt zeven andere geesten mee, die meer verdorven zijn dan hijzelf, en wanneer zij naar binnen gegaan zijn, gaan zij daar wonen;

11:26
Joh. 5:14
Hebr. 6:4,5
10:26
2 Petr. 2:20
en het einde van die mens wordt erger dan het begin.

De ware zaligheid

27Het gebeurde, toen Hij deze dingen sprak, dat een vrouw uit de menigte haar stem verhief en tegen Hem zei: Zalig is de buik die U gedragen heeft, en zijn de borsten waaraan U gezogen hebt!

28Maar Hij zei:

11:28
Matt. 7:21
Joh. 6:29
Rom. 2:13
Veeleer zijn zij zalig die het Woord van God horen en het bewaren.

Het teken van Jona

29Toen de menigte te hoop liep, begon Hij te zeggen: Dit geslacht is een verdorven geslacht; het verlangt een teken, maar het zal geen teken gegeven worden dan

11:29
Jona 1:17
2:10
het teken van de profeet Jona.

30Want zoals Jona voor de inwoners van Ninevé een teken geweest is, zo zal ook de Zoon des mensen het zijn voor dit geslacht.

31De koningin van het Zuiden zal in het oordeel samen met de mannen van dit geslacht opstaan en hen veroordelen,

11:31
1 Kon. 10:1
2 Kron. 9:1
Matt. 12:42
want zij is gekomen van de einden van de aarde om de wijsheid van Salomo te horen en zie, meer dan Salomo is hier!

32De mannen van Ninevé zullen in het oordeel samen met dit geslacht opstaan en het veroordelen,

11:32
Jona 3:5
want zij hebben zich bekeerd op de prediking van Jona, en zie, meer dan Jona is hier!

De lamp van het lichaam

33

11:33
Matt. 5:15
Mark. 4:24
Luk. 8:16
Niemand die een lamp aansteekt, zet die in het verborgene, en ook niet onder de korenmaat, maar op de standaard, opdat zij die binnenkomen, het licht kunnen zien.

34

11:34
Matt. 6:22
De lamp van het lichaam is het oog. Wanneer dan uw oog oprecht is, is ook heel uw lichaam verlicht; maar als het kwaadaardig is, is ook heel uw lichaam duister.

35Zie er dus op toe, dat het licht dat in u is, geen duisternis is.

36Als dus uw lichaam helemaal licht is, en geen enkel deel ervan duister is, zal het net zo geheel licht zijn als wanneer de lamp het met zijn schijnsel verlicht.

Het wee over de Farizeeën

37Toen Hij dit zei, vroeg een Farizeeër aan Hem of Hij bij hem de maaltijd wilde gebruiken. Hij ging naar binnen en ging aanliggen.

38Toen de Farizeeër dat zag, verwonderde hij zich erover

11:38
Mark. 7:3
dat Hij Zich niet eerst gewassen had voor het middagmaal.

39Maar de Heere zei tegen hem:

11:39
Matt. 23:25
Welnu, Farizeeën, u reinigt de buitenkant van de drinkbeker en van de schotel,
11:39
Tit. 1:15
maar uw binnenste is vol roofzucht en boosaardigheid.

40Onverstandigen! Heeft Hij Die het buitenste maakte, ook niet het binnenste gemaakt?

41

11:41
Jes. 58:7
Dan. 4:27
Luk. 12:33
Geef echter de inhoud ervan als liefdegave en zie, alles is voor u rein.

42

11:42
Matt. 23:23
Maar wee u, Farizeeën, want u geeft tienden van de munt en de wijnruit en van alle kruiden,
11:42
1 Sam. 15:22
Hos. 6:6
Micha 6:8
Matt. 9:13
12:7
maar u gaat voorbij aan het recht en aan de liefde van God. Deze dingen zou men moeten doen en die andere dingen niet nalaten.

43

11:43
Matt. 23:6
Mark. 12:38
Luk. 20:46
Wee u, Farizeeën, want u hebt de voorste plaatsen in de synagogen en de begroetingen op de markten lief.

44

11:44
Matt. 23:27
Wee u, schriftgeleerden en Farizeeën, huichelaars, want u bent net als de graven die niet zichtbaar zijn: de mensen die erover lopen, weten het niet.

45Een van de wetgeleerden antwoordde en zei tegen Hem: Meester, wanneer u deze dingen zegt, behandelt U ons ook smadelijk.

46

11:46
Jes. 10:1
Matt. 23:4
Hand. 15:10
Maar Hij zei: Wee ook u, wetgeleerden, want u legt de mensen lasten op die moeilijk zijn om te dragen, en zelf raakt u die lasten niet met één van uw vingers aan.

47

11:47
Matt. 23:29
Wee u, want u bouwt de grafmonumenten voor de profeten, maar uw vaderen hebben hen gedood.

48U getuigt dus dat u van harte instemt met de daden van uw vaderen, want zij hebben hen gedood en u bouwt hun grafmonumenten.

49Daarom heeft de wijsheid van God gezegd:

11:49
Matt. 10:16
Luk. 10:3
Joh. 16:2
Hand. 7:51
Hebr. 11:35
Ik zal profeten en apostelen naar hen toe zenden, en van hen zullen zij sommigen doden en anderen vervolgen,

50opdat van dit geslacht afgeëist wordt het bloed van alle profeten dat van de grondlegging van de wereld af vergoten is,

51

11:51
Gen. 4:8
Hebr. 11:4
van het bloed van Abel
11:51
2 Kron. 24:21
tot het bloed van Zacharia, die omgebracht is tussen het altaar en het huis van God. Ja, Ik zeg u, het zal afgeëist worden van dit geslacht.

52

11:52
Matt. 23:13
Wee u, wetgeleerden, want u hebt de sleutel van de kennis weggenomen. Zelf bent u niet binnengegaan en u hebt hen die binnengingen, tegengehouden.

53Toen Hij deze dingen tegen hen zei, begonnen de schriftgeleerden en Farizeeën hevig tegen Hem tekeer te gaan en dwongen zij Hem Zich over veel dingen uit te spreken:

54zij spanden strikken voor Hem om iets uit Zijn mond op te vangen, opdat zij Hem zouden kunnen beschuldigen.

12

Waarschuwing tegen huichelarij en mensenvrees

121Intussen, toen er een menigte van

12:1
Matt. 16:16
Mark. 8:15
tienduizenden mensen bijeengekomen was, zodat zij elkaar bijna onder de voet liepen, begon Hij te spreken, allereerst tot Zijn discipelen: Wees op uw hoede voor het zuurdeeg van de Farizeeën, dat is de huichelarij.

2

12:2
Job 12:22
Matt. 10:26
Mark. 4:22
Luk. 8:17
Want er is niets bedekt wat niet geopenbaard zal worden, en er is niets verborgen wat niet bekend zal worden.

3Daarom, al wat u in het duister gezegd hebt, zal in het licht gehoord worden en wat u in de binnenkamers in iemands oor gesproken hebt, zal op de daken gepredikt worden.

4En Ik zeg u, Mijn vrienden:

12:4
Jes. 51:7
Jer. 1:8
Matt. 10:28
Wees niet bevreesd voor hen die het lichaam doden en daarna niets meer kunnen doen.

5Maar Ik zal u laten zien voor Wie u bevreesd moet zijn: Wees bevreesd voor Hem Die, nadat Hij gedood heeft, ook macht heeft in de hel te werpen. Ja, Ik zeg u, wees bevreesd voor Hem!

6

12:6
Matt. 10:29
Worden niet vijf musjes voor twee penninkjes verkocht? En niet een van die is bij God vergeten.

7

12:7
1 Sam. 14:45
2 Sam. 14:11
1 Kon. 1:52
Luk. 21:18
Ja, ook de haren van uw hoofd zijn alle geteld. Wees dan niet bevreesd: u gaat veel musjes te boven.

8

12:8
Matt. 10:32
En Ik zeg u: Ieder die Mij belijden zal voor de mensen, die zal ook de Zoon des mensen belijden voor de engelen van God.

9

12:9
Matt. 10:33
Mark. 8:38
Luk. 9:26
2 Tim. 2:12
1 Joh. 2:23
Maar wie Mij verloochenen zal voor de mensen, die zal verloochend worden voor de engelen van God.

10En ieder die enig woord spreken zal tegen de Zoon des mensen, het zal hem vergeven worden,

12:10
1 Joh. 5:16
maar wie tegen de Heilige Geest gelasterd zal hebben, het zal hem niet vergeven worden.

11

12:11
Matt. 10:19
Mark. 13:11
Luk. 21:14
Wanneer zij u dan zullen brengen naar de synagogen en voor de overheden en de machthebbers, wees dan niet bezorgd hoe of wat u ter verdediging moet zeggen of wat u moet spreken.

12Want de Heilige Geest zal u in dat uur leren wat u moet zeggen.

De rijke dwaas

13En iemand uit de menigte zei tegen Hem: Meester, zeg tegen mijn broer dat hij de erfenis met mij moet delen.

14Maar Hij zei tegen hem: Mens, wie heeft Mij tot rechter of verdeler van een erfenis over u aangesteld?

15En Hij zei tegen hen: Kijk uit en wees op uw hoede

12:15
1 Tim. 6:7
voor de hebzucht. Immers, al heeft iemand overvloed, zijn leven behoort niet tot zijn bezit.

16En Hij zei tot hen een gelijkenis en sprak: Het land van een rijke man had veel opgebracht.

17En hij overlegde bij zichzelf en zei: Wat zal ik doen? Want ik heb geen ruimte om mijn vruchten op te slaan.

18En hij zei: Dit zal ik doen: ik zal mijn schuren afbreken en grotere bouwen en ik zal daarin al mijn koren en al mijn goederen opslaan.

19En ik zal tegen mijn ziel zeggen:

12:19
Pred. 11:9
1 Kor. 15:32
Jak. 5:5
Ziel, u hebt veel goederen liggen voor veel jaren. Neem rust, eet, drink en wees vrolijk.

20Maar God zei tegen hem:

12:20
Ps. 52:7
Jer. 17:11
Dwaas! In deze nacht zal men uw ziel van u opeisen; en wat u gereedgemaakt hebt,
12:20
Ps. 39:7
voor wie zal het zijn?

21Zo is het met hem die voor zichzelf schatten verzamelt en niet rijk is in God.

Oproep om niet bezorgd te zijn

22En Hij zei tegen Zijn discipelen:

12:22
Ps. 55:23
Matt. 6:25
Filipp. 4:6
1 Tim. 6:8
1 Petr. 5:7
Daarom zeg Ik u: Wees niet bezorgd over uw leven: over wat u eten zult, of over uw lichaam: waarmee u zich kleden zult.

23Het leven is meer dan het voedsel en het lichaam meer dan de kleding.

24

12:24
Job 39:3
Ps. 147:9
Let op de raven: zij zaaien niet en maaien niet, zij hebben geen voorraadkamer en geen schuur, en God voedt hen. Hoever gaat u de vogels te boven?

25

12:25
Matt. 6:27
Wie toch van u kan met bezorgd te zijn één el aan zijn lengte toevoegen?

26Als u dan ook het minste niet kunt, waarom bent u over de andere dingen bezorgd?

27Let op de lelies, hoe zij groeien. Ze werken niet en spinnen niet, en Ik zeg u dat zelfs Salomo in al zijn heerlijkheid niet gekleed ging als één van deze.

28Als God nu het gras op het veld, dat er vandaag is en morgen in de oven geworpen wordt, zo bekleedt, hoeveel te meer u, kleingelovigen!

29En u, vraag niet wat u eten of wat u drinken zult, en wees niet verontrust.

30Want naar al deze dingen zoeken de volken van de wereld. Uw Vader echter weet dat u deze dingen nodig hebt.

31

12:31
1 Kon. 3:13
Ps. 37:25
Maar zoek het Koninkrijk van God en al deze dingen zullen u erbij gegeven worden.

32Wees niet bevreesd, kleine kudde, want het heeft uw Vader behaagd u het Koninkrijk te geven.

33

12:33
Matt. 19:21
Luk. 16:9
Verkoop uw bezittingen en geef de opbrengst weg als liefdegave.
12:33
Matt. 6:20
19:21
Luk. 16:9
1 Tim. 6:19
Maak voor uzelf beurzen die niet verslijten, een schat die niet opraakt, in de hemelen, waar de dief niet bij komt en die door de mot niet aangetast wordt.

34Want waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn.

Wees waakzaam

35

12:35
Efez. 6:14
1 Petr. 1:13
Laten uw lendenen omgord zijn en de lampen brandend.

36En u, wees gelijk aan mensen die op hun heer wachten, wanneer hij terugkomt van de bruiloft, om hem, als hij komt en klopt, meteen open te doen.

37Zalig zijn die slaven die de heer bij zijn komst wakend zal vinden. Voorwaar, Ik zeg u, dat hij zich zal omgorden en hen aan tafel zal nodigen en bij hen zal komen om hen te dienen.

38

12:38
Matt. 24:42
En als hij komt in de tweede nachtwake of als hij komt in de derde nachtwake en hen zo aantreft, zalig zijn die slaven.

39

12:39
Matt. 24:43
1 Thess. 5:2
2 Petr. 3:10
Openb. 3:3
16:15
Maar weet dit, dat als de heer des huizes geweten had op welk moment de dief komen zou, hij gewaakt zou hebben, en niet in zijn huis zou hebben laten inbreken.

40

12:40
Matt. 24:44
25:13
Mark. 13:33
Luk. 21:34
1 Thess. 5:6
U dan, wees ook bereid, want op een uur waarop u het niet zou denken, zal de Zoon des mensen komen.

De trouwe en de ontrouwe rentmeester

41En Petrus zei tegen Hem: Heere, spreekt U deze gelijkenis tot ons, of ook tot allen?

42En de Heere zei:

12:42
Matt. 24:45
25:21
1 Kor. 4:2
Wie is dan de trouwe en verstandige rentmeester, die de heer over zijn huisbedienden zal aanstellen om aan hen op de juiste tijd het voedsel te geven dat hun toekomt?

43Zalig de slaaf die door zijn heer bij zijn komst zo handelend aangetroffen zal worden.

44Werkelijk, Ik zeg u dat hij hem over al zijn bezittingen zal aanstellen.

45Als die slaaf echter in zijn hart zou zeggen: Mijn heer blijft nog lang weg, en zou beginnen de knechten en de dienstmeisjes te slaan, te eten en te drinken en dronken te worden,

46dan zal de heer van deze slaaf komen op een dag waarop hij hem niet verwacht, en op een uur dat hij niet weet; en hij zal hem in stukken houwen en hem in het lot doen delen van hen die ontrouw zijn.12:46 en hem in het lot doen delen van … - Letterlijk: en zijn deel zetten met …

47

12:47
Jak. 4:17
En die slaaf die de wil van zijn heer gekend heeft en geen voorbereidingen getroffen heeft en ook niet naar zijn wil gehandeld heeft, zal met veel slagen geslagen worden.

48Wie echter zijn wil niet gekend heeft en dingen gedaan heeft die slagen verdienen, zal met weinig slagen geslagen worden. En van ieder aan wie veel gegeven is, zal veel teruggevraagd worden en van hem aan wie men veel toevertrouwd heeft, zal men des te meer eisen.

Jezus brengt verdeeldheid

49Ik ben gekomen om vuur te werpen op de aarde en wat wil Ik nog meer, nu het al ontstoken is!

50

12:50
Matt. 20:22
Mark. 10:38
Maar Ik moet met een doop gedoopt worden, en hoe beklemt het Mij, totdat het volbracht is.

51

12:51
Matt. 10:34
Denkt u dat Ik gekomen ben om vrede te brengen op de aarde? Nee, zeg Ik u,
12:51
Micha 7:6
maar eerder verdeeldheid.

52Want van nu aan zullen er vijf in één huis verdeeld zijn, drie tegen twee en twee tegen drie.

53Zij zullen tegen elkaar verdeeld zijn: vader tegen zoon, en zoon tegen vader, moeder tegen dochter, en dochter tegen moeder, schoonmoeder tegen haar schoondochter, en schoondochter tegen haar schoonmoeder.

Tekenen van de eindtijd

54En Hij zei ook tegen de menigte:

12:54
Matt. 16:2
Wanneer u een wolk ziet opkomen vanuit het westen, zegt u meteen: Er komt regen. En zo gebeurt het.

55En als er een zuidenwind waait, zegt u: Er komt hitte. En het gebeurt.

56Huichelaars, de aanblik van de aarde en van de hemel weet u te duiden. Hoe kan het dan dat u deze tijd niet weet te duiden?

57En waarom oordeelt u ook zelf niet wat rechtvaardig is?

58

12:58
Spr. 25:8
Matt. 5:25
Want als u met uw tegenpartij naar de overheid gaat, doe dan onderweg moeite om van hem verlost te worden, opdat hij u misschien niet voor de rechter sleept en de rechter u aan de gerechtsdienaar overlevert en de gerechtsdienaar u in de gevangenis werpt.

59Ik zeg u: U zult daar beslist niet uitkomen, voordat u ook het laatste penninkje hebt betaald.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]