Herziene Statenvertaling (HSV)
7

De wet voor het schuldoffer

71Dit nu is de wet voor het schuldoffer. Het is allerheiligst.

2Op de plaats waar men het brandoffer slacht, moet men ook het schuldoffer slachten. Men moet het bloed ervan rondom op het altaar sprenkelen.

3Daarvan moet men al zijn vet aanbieden, de staart en het vet dat de ingewanden bedekt;

4en ook de beide nieren met het vet dat eraan vastzit, tegen de lendenen aan, en het net over de lever, dat men tegelijk met de nieren moet verwijderen.

5De priester moet die vervolgens op het altaar in rook laten opgaan als een vuuroffer voor de HEERE. Het is een schuldoffer.

6Al wie mannelijk is onder de priesters mag het eten; op een heilige plaats moet het gegeten worden. Het is allerheiligst.

7Zoals het zondoffer is, zo ook het schuldoffer; er is één wet voor. Het is voor de priester die daarmee verzoening gedaan heeft.

8En de priester die iemands brandoffer aanbiedt, voor die priester is de huid van het brandoffer dat hij aangeboden heeft.

9En elk graanoffer dat in de oven gebakken wordt, en alles wat in de pan en op de bakplaat wordt bereid, is voor de priester die het aanbiedt.

10Maar elk graanoffer dat met olie is gemengd of droog is, is voor alle zonen van Aäron, zowel voor de een als voor de ander.

De wet voor het dankoffer

11Dit nu is de wet voor het dankoffer dat men aan de HEERE moet aanbieden.

12Als iemand het als

7:12
Ps. 116:17
lofoffer aanbiedt, dan moet hij naast het lofoffer ongezuurde koeken aanbieden, met olie gemengd, ongezuurde platte koeken met olie bestreken en koeken van door elkaar gemengd meelbloem met olie gemengd.

13Bij de koeken moet hij als zijn offergave gezuurd brood aanbieden, samen met zijn lof- en dankoffer.7:13 zijn lof- en dankoffer - Letterlijk: het lofoffer van zijn dankoffer; zie ook vers 15.

14En van elke offergave moet hij één koek als een hefoffer aan de HEERE aanbieden. Het is voor de priester die het bloed van het dankoffer sprenkelt.

15En het vlees van het lof- en dankoffer moet gegeten worden op de dag dat hij het aanbiedt. Men mag niets ervan tot de volgende morgen overlaten.

16Maar als het slachtoffer dat hij aanbiedt, een gelofteoffer of een vrijwillige gave is,

7:16
Lev. 19:6
dan moet dat gegeten worden op de dag dat hij zijn offer aanbiedt; en wat ervan overblijft, mag ook de volgende dag gegeten worden.

17Wat er dan nog van het vlees van het slachtoffer overgebleven is, moet op de derde dag in het vuur verbrand worden,

18want als er op de derde dag ook maar een deel van het vlees van zijn dankoffer gegeten wordt, dan komt het hem die het aangeboden heeft, niet ten goede; het wordt hem niet toegerekend. Het is onrein vlees: de persoon die daarvan eet, moet zijn ongerechtigheid dragen.

19Ook het vlees dat met iets onreins in aanraking is gekomen, mag niet gegeten worden. Het moet in het vuur verbrand worden. Maar wat het andere vlees betreft, ieder die rein is, mag dat vlees eten.

20De persoon echter die

7:20
Lev. 15:3
vlees eet van het dankoffer, dat voor de HEERE is, terwijl hij onrein is, die persoon moet van zijn volksgenoten worden afgesneden.

21En wanneer een persoon met iets onreins in aanraking komt, zoals de onreinheid van een mens, of onreine dieren of een of ander onrein en afschuwelijk iets, en toch eet van het vlees van het dankoffer, dat voor de HEERE is, dan moet die persoon van zijn volksgenoten worden afgesneden.

Voorschriften voor vet en bloed

22De HEERE sprak tot Mozes:

23Spreek tot de Israëlieten en zeg: U mag totaal geen vet eten van een rund, een schaap of een geit.

24Het vet van een dood dier of het vet van een verscheurd dier mag voor allerlei werk gebruikt worden, maar u mag het beslist niet eten.

25Voorzeker, al wie het vet eet van het stuk vee waarvan men de HEERE een vuuroffer aanbiedt, de persoon die dit gegeten heeft, moet van zijn volksgenoten worden afgesneden.

26

7:26
Gen. 9:4
Lev. 3:17
17:14
Ook mag u in al uw woongebieden totaal geen bloed eten, niet van vogels en ook niet van vee.

27Iedere persoon die ook maar iets van bloed eet, die persoon moet van zijn volksgenoten worden afgesneden.

Voorschriften voor het dankoffer

28De HEERE sprak tot Mozes:

29Spreek tot de Israëlieten en zeg: Wie zijn dankoffer de HEERE aanbiedt, moet een deel van zijn dankoffer als zijn offergave aan de HEERE brengen.

30Eigenhandig moet hij de vuuroffers van de HEERE brengen. Het vet aan het borststuk moet hij met dat borststuk brengen

7:30
Ex. 29:24
om het als een beweegoffer voor het aangezicht van de HEERE te bewegen.

31De priester moet vervolgens het vet op het altaar in rook laten opgaan, maar het borststuk is voor Aäron en zijn zonen.

32Van uw dankoffers moet u ook de rechterachterbout als een hefoffer aan de priester geven.

33Wie van Aärons zonen het bloed van het dankoffer en het vet aanbiedt, voor hém is de rechterachterbout bestemd.

34Want

7:34
Ex. 29:27
Num. 18:11
het borststuk van het beweegoffer en de achterbout van het hefoffer heb Ik van de Israëlieten uit hun dankoffers genomen, en Ik geef die van de kant van de Israëlieten aan de priester Aäron en aan zijn zonen, als een eeuwige verordening.

35Dit is het gewijde deel van Aäron en het gewijde deel van zijn zonen uit de vuuroffers van de HEERE, op de dag dat hij hen naderbij liet komen om de HEERE als priester te dienen.

36Dit gebood de HEERE hun te geven van de kant van de Israëlieten, op de dag dat Hij hen zalfde. Laat het een eeuwige verordening zijn, al hun generaties door.

37Dit is de wet voor het brandoffer, het graanoffer, het zondoffer, het schuldoffer, het wijdingsoffer en het dankoffer,

38die de HEERE Mozes gebood op de berg Sinaï, op de dag dat Hij de Israëlieten gebood om hun offergaven voor de HEERE in de woestijn Sinaï aan te bieden.

8

De wijding van Aäron en zijn zonen

81De HEERE sprak tot Mozes:

2

8:2
Ex. 28:1,2
Neem Aäron en met hem zijn zonen, de kleding en de
8:2
Ex. 30:25
zalfolie, de jonge stier van het zondoffer, de twee rammen en de mand met de ongezuurde broden,

3en roep heel de gemeenschap bijeen bij de ingang van de tent van ontmoeting.

4Toen deed Mozes wat de HEERE hem geboden had, en de gemeenschap werd bijeengeroepen bij de ingang van de tent van ontmoeting.

5En Mozes zei tegen de gemeenschap: Dit is het woord

8:5
Ex. 29:4
dat de HEERE geboden heeft te doen.

6Daarna liet Mozes Aäron en zijn zonen naar voren komen, en waste hen met het water.

7

8:7
Ex. 28:4
Ook deed hij hem het onderkleed aan, bond hem de gordel om en trok hem het bovenkleed aan. Verder deed hij hem de efod aan, maakte die vast met de kunstige band van de efod, en bond hem die om.

8Vervolgens bevestigde hij de borsttas erop, en deed de urim en de tummim in de

8:8
Ex. 28:30
borsttas.

9Daarna zette hij de tulband op zijn hoofd, en bevestigde aan de voorkant van de tulband de gouden plaat, de heilige diadeem,

8:9
Ex. 28:36
29:6
zoals de HEERE Mozes geboden had.

10Toen nam Mozes de zalfolie en zalfde de tabernakel met alles wat daarin was, en heiligde ze.

11Hij sprenkelde daarvan zeven keer op het altaar, en zalfde het altaar met alle bijbehorende voorwerpen, het wasvat en het bijbehorende voetstuk, om dat alles te heiligen.

12Vervolgens

8:12
Ps. 133:2
goot hij van de zalfolie op het hoofd van Aäron, en hij zalfde hem om hem te heiligen.

13Daarna liet Mozes de zonen van Aäron naderbij komen. Hij deed hun onderkleren aan, bond hun een gordel om en wikkelde hun hoofddoeken om,

8:13
Ex. 29:9
zoals de HEERE Mozes geboden had.

14

8:14
Ex. 29:1
Toen liet hij de jonge stier van het zondoffer naar voren brengen. En Aäron met zijn zonen legden hun handen op de kop van de jonge stier van het zondoffer,

15en men slachtte hem. Mozes nam toen het bloed en streek dat met zijn vinger rondom aan de hoorns van het altaar, en reinigde zo het altaar van zonde. Vervolgens goot hij het bloed uit aan de voet van het altaar. Zo heiligde hij het om er verzoening voor te doen.

16Hij nam ook al het vet dat aan de ingewanden vastzit, het net over de lever en de beide nieren met hun vet. En Mozes liet het in rook opgaan op het altaar.

17Maar de jonge stier, zijn huid, zijn vlees en zijn mest verbrandde hij buiten het kamp met vuur,

8:17
Ex. 29:14
Lev. 4:11
zoals de HEERE Mozes geboden had.

18Daarna liet hij de ram van het brandoffer naderbij komen, en Aäron met zijn zonen legden hun handen op de kop van de ram.

19Men slachtte hem, en Mozes sprenkelde het bloed rondom op het altaar.

20Hij verdeelde de ram in zijn stukken, en Mozes liet de kop, de stukken en het vet in rook opgaan,

21maar de ingewanden en de poten waste hij met water. En Mozes liet heel de ram op het altaar in rook opgaan. Het was een brandoffer, als een aangename geur; een vuuroffer was het voor de HEERE,

8:21
Ex. 29:18
zoals de HEERE Mozes geboden had.

22Vervolgens liet hij de andere ram naderbij komen, de ram van het wijdingsoffer. En Aäron met zijn zonen legden hun handen op de kop van de ram.

23Men slachtte hem, en Mozes nam een deel van zijn bloed, en streek het op de rechteroorlel van Aäron, op de duim van zijn rechterhand en op de grote teen van zijn rechtervoet.

24Hij liet ook de zonen van Aäron naderbij komen. En Mozes streek een deel van het bloed op hun rechteroorlel, op de duim van hun rechterhand en op de grote teen van hun rechtervoet. Daarna sprenkelde Mozes dat bloed rondom op het altaar.

25

8:25
Ex. 29:22
Hij nam het vet, de staart en al het vet dat aan de ingewanden vastzit, het net over de lever, de beide nieren met hun vet, en bovendien de rechterachterbout.

26Ook nam hij uit de mand met de ongezuurde broden, die voor het aangezicht van de HEERE was, één ongezuurde koek, een met olie aangemaakte koek en één platte koek, en hij legde ze op de vetdelen en op de rechterachterbout.

27

8:27
Ex. 29:24
Hij legde dat alles in de handen van Aäron en in de handen van zijn zonen, en bewoog die als beweegoffer voor het aangezicht van de HEERE.

28Daarna nam Mozes ze uit hun handen en liet ze in rook opgaan op het altaar, boven op het brandoffer. Het waren wijdingsoffers, als een aangename geur, het was een vuuroffer voor de HEERE.

29Verder nam Mozes het borststuk en bewoog het als beweegoffer voor het aangezicht van de HEERE. Van de ram voor het wijdingsoffer was dit voor Mozes bestemd,

8:29
Ex. 29:26
Lev. 7:33
zoals de HEERE Mozes geboden had.

30

8:30
Ex. 29:21
Vervolgens nam Mozes van de zalfolie en van het bloed dat op het altaar was, en sprenkelde het op Aäron, op zijn kleding, ook op zijn zonen en op de kleding van zijn zonen. Zo heiligde hij Aäron, zijn kleding, en met hem zijn zonen en de kleding van zijn zonen.

31Mozes zei tegen Aäron en tegen zijn zonen: Kook het vlees bij de ingang van de tent van ontmoeting

8:31
Ex. 29:32
Lev. 24:9
en eet het daar mét het brood in de mand van het wijdingsoffer; zoals ik geboden heb toen ik zei: Aäron en zijn zonen moeten dat eten.

32Maar wat er overblijft van het vlees en het brood, moeten jullie met vuur verbranden.

33Ook mogen jullie zeven dagen lang niet van de ingang van de tent van ontmoeting weggaan, tot de dag dat de dagen van jullie wijdingsoffer voorbij zijn, want zeven dagen zal jullie wijding duren.8:33 zal jullie wijding duren - Letterlijk: zullen jullie handen gevuld worden.

34Zoals men op deze dag gedaan heeft, zo heeft de HEERE geboden te doen om verzoening voor jullie te bewerken.

35Jullie moeten dan bij de ingang van de tent van ontmoeting blijven, dag en nacht, zeven dagen lang. Jullie moeten de voorschriften van de HEERE in acht nemen, opdat jullie niet sterven, want zo is het mij geboden.

36Aäron en zijn zonen deden al de dingen die de HEERE door de dienst van Mozes8:36 de dienst van Mozes - Letterlijk: de hand van Mozes. geboden had.

9

Aäron dient als priester

91Het gebeurde op de achtste dag dat Mozes Aäron en zijn zonen bij zich riep, met de oudsten van Israël.

2Hij zei tegen Aäron:

9:2
Ex. 29:1
Neem voor jezelf een kalf – het jong van een rund – als zondoffer, en een ram als brandoffer, beide zonder enig gebrek, en bied ze aan voor het aangezicht van de HEERE.

3Daarna moet je tot de Israëlieten spreken: Neem een geitenbok als zondoffer, en een kalf en een lam, elk van een jaar oud en zonder enig gebrek, als brandoffer,

4verder een rund en een ram als dankoffer om voor het aangezicht van de HEERE te offeren, en een graanoffer met olie gemengd, want vandaag zal de HEERE aan u verschijnen.

5Toen namen zij wat Mozes geboden had, en brachten het tot vóór de tent van ontmoeting. En heel de gemeenschap kwam naar voren en stond voor het aangezicht van de HEERE.

6En Mozes zei: Dit is het woord dat de HEERE geboden heeft. Doe het, dan zal de heerlijkheid van de HEERE aan u verschijnen.

7Toen zei Mozes tegen Aäron: Kom naar voren, naar het altaar, en bereid je

9:7
Lev. 16:6
Hebr. 7:27
zondoffer en je brandoffer, en doe verzoening voor jou en voor het volk. Bereid dan de offergave van het volk, en doe verzoening voor hen, zoals de HEERE geboden heeft.

8Toen kwam Aäron naar voren, naar het altaar, en slachtte het kalf dat voor hem als zondoffer bestemd was.

9Vervolgens brachten de zonen van Aäron het bloed bij hem, en hij doopte zijn vinger in dat bloed en streek het op de hoorns van het altaar. Daarna goot hij het bloed uit aan de voet van het altaar.

10Het vet, de nieren en het net over de lever van het zondoffer liet hij in rook opgaan op het altaar, zoals de HEERE Mozes geboden had.

11Maar het vlees en de huid verbrandde hij buiten het kamp met vuur.

12Daarna slachtte hij het brandoffer, en de zonen van Aäron reikten hem het bloed aan, en hij sprenkelde het rondom op het altaar.

13Ook reikten zij hem het brandoffer aan, in zijn stukken gedeeld, met de kop, en hij liet het in rook opgaan op het altaar.

14Hij waste de ingewanden en de poten, en liet ze in rook opgaan op het brandoffer, op het altaar.

15Daarna liet hij de offergave

9:15
Lev. 4:13
van het volk brengen, en hij nam de bok die als zondoffer voor het volk bestemd was. Hij slachtte hem en bereidde hem als zondoffer, zoals het eerste zondoffer.

16Verder liet hij het brandoffer brengen, en bereidde dat volgens de bepaling.

17Hij liet ook

9:17
Lev. 2:1
het graanoffer brengen, nam er een handvol van en liet het in rook opgaan op het altaar, naast het
9:17
Ex. 29:38
brandoffer in de morgen.

18Daarna slachtte hij het rund en de ram die als dankoffer voor het volk bestemd waren. En de zonen van Aäron reikten hem het bloed aan, dat hij rondom op het altaar sprenkelde,

19met de vetdelen van het rund en de ram, de staart en wat de ingewanden bedekt, de nieren en het net over de lever.

20Zij legden de vetdelen op de borststukken, en hij liet de vetdelen in rook opgaan op het altaar.

21Maar de borststukken en

9:21
Lev. 7:32
de rechterachterbout bewoog Aäron als beweegoffer voor het aangezicht van de HEERE, zoals Mozes geboden had.

22Daarna hief Aäron zijn handen op over het volk, en zegende hen. Toen kwam hij naar beneden, nadat hij het zondoffer, het brandoffer en het dankoffer gebracht had.

23Vervolgens ging Mozes met Aäron de tent van ontmoeting binnen, en toen zij er weer uit kwamen, zegenden zij het volk. En de heerlijkheid van de HEERE verscheen aan heel het volk.

24

9:24
1 Kon. 18:38
2 Kron. 7:1
Een vuur ging uit van het aangezicht van de HEERE, en verteerde het brandoffer en de vetdelen op het altaar. Toen heel het volk dit zag, juichten zij en wierpen zich met het gezicht ter aarde.