Herziene Statenvertaling (HSV)
19

Huiselijke en burgerlijke wetten

191De HEERE sprak tot Mozes:

2Spreek tot heel de gemeenschap van de Israëlieten, en zeg tegen hen:

19:2
Lev. 11:44
20:7,26
1 Petr. 1:16
Heilig moet u zijn, want Ik, de HEERE, uw God, ben heilig.

3

19:3
Ex. 20:12
Ieder moet ontzag hebben voor zijn moeder en zijn vader en
19:3
Ex. 31:13
Lev. 26:2
Mijn sabbatten in acht nemen. Ik ben de HEERE, uw God.

4U mag u niet tot de afgoden wenden en

19:4
Ex. 34:17
voor uzelf geen gegoten goden maken. Ik ben de HEERE, uw God.

5Wanneer u nu een dankoffer aan de HEERE brengt, moet u dat zo brengen dat u voor Hem welgevallig bent.

6

19:6
Lev. 7:16
Op de dag van uw offer en op de volgende dag mag het gegeten worden, maar wat tot de derde dag overblijft, moet met vuur verbrand worden.

7Maar als het toch op de derde dag gegeten wordt, is het onrein vlees. Het zal u niet ten goede komen.

8Wie het namelijk eet, moet zijn ongerechtigheid dragen, omdat hij het heilige van de HEERE ontheiligd heeft. Daarom moet die persoon van zijn volksgenoten worden afgesneden.

9

19:9
Lev. 23:22
Deut. 24:19
Wanneer u nu de oogst van uw land binnenhaalt, mag u de rand van uw akker niet helemaal afmaaien, en wat van uw oogst is blijven liggen, mag u niet oprapen.

10U mag ook uw wijngaard niet nalopen en de afgevallen druiven van uw wijngaard niet oprapen. U moet ze voor de arme en voor de vreemdeling achterlaten. Ik ben de HEERE, uw God.

11

19:11
Ex. 20:15
U mag niet stelen, u mag niet liegen en iemand mag zijn naaste niet bedriegen.

12

19:12
Ex. 20:7
Deut. 5:11
U mag geen valse eed afleggen in Mijn Naam, en zo de Naam van uw God ontheiligen. Ik ben de HEERE.

13U mag uw naaste niet afpersen en niet beroven. Het

19:13
Deut. 24:14
Jak. 5:4
arbeidsloon van de dagloner mag niet de nacht bij u overblijven tot de volgende morgen.

14U mag een dove niet vervloeken en vóór een blinde mag u geen struikelblok neerleggen, maar u moet uw God vrezen. Ik ben de HEERE.

15U mag geen onrecht doen in de rechtspraak,

19:15
Deut. 1:17
16:19
Spr. 24:23
u mag geen partij trekken voor de arme en de aanzienlijke niet voortrekken.19:15 geen partij trekken … voortrekken - Letterlijk: het gezicht van de arme niet verheffen en het gezicht van de aanzienlijke niet voortrekken. Op rechtvaardige wijze moet u uw naaste oordelen.

16

19:16
Ex. 23:1
U mag onder uw volksgenoten niet met lasterpraat rondgaan, u mag uw naaste niet naar het leven staan. Ik ben de HEERE.

17

19:17
1 Joh. 2:9,11
3:15
U mag in uw hart uw broeder niet haten.
19:17
Matt. 18:15
Luk. 17:3
U moet uw naaste zeker terechtwijzen, zodat u geen zonde op hem laadt.

18

19:18
Matt. 5:39,44
Luk. 6:27
Rom. 12:19
1 Kor. 6:7
1 Thess. 5:15
1 Petr. 3:9
U mag geen wraak nemen of een wrok koesteren tegen uw volksgenoten, maar
19:18
Matt. 5:43
22:39
Rom. 13:9
Gal. 5:14
Jak. 2:8
u moet uw naaste liefhebben als uzelf. Ik ben de HEERE.

19U moet Mijn verordeningen in acht nemen. Van uw dieren mag u niet twee verschillende soorten laten paren,

19:19
Deut. 22:9
uw akker mag u niet met twee verschillende soorten zaad inzaaien, en een bovenkleed uit twee verschillende soorten stof vervaardigd, mag u niet dragen.

20En wanneer een man met een vrouw geslapen heeft en gemeenschap met haar gehad heeft,19:20 en … gehad heeft - Letterlijk: de bijligging van zaad. terwijl zij als slavin voor een andere man bestemd is en nog niet daadwerkelijk vrijgekocht of vrijgelaten is, dan moet er straf komen. Zij mogen niet gedood worden, want zij was nog niet in vrijheid gesteld.

21Hij moet dan zijn schuldoffer voor de HEERE bij de ingang van de tent van ontmoeting brengen, een ram als schuldoffer.

22Dan zal de priester met de ram van het schuldoffer verzoening voor hem doen voor het aangezicht van de HEERE over zijn zonde, die hij begaan heeft, en hem zal vergeving worden geschonken van zijn zonde, die hij begaan heeft.

23Wanneer u in het land komt en allerlei vruchtbomen plant, moet u de vruchten ervan als verboden beschouwen.19:23 als verboden beschouwen - Letterlijk: zijn voorhuid besnijden. Drie jaar lang zullen ze voor u verboden zijn, er mag niet van gegeten worden.

24Maar in het vierde jaar zullen alle vruchten ervan heilig zijn, tot lofzegging voor de HEERE.

25En in het vijfde jaar mag u de vruchten ervan eten om de opbrengst ervan voor u te vermeerderen. Ik ben de HEERE, uw God.

26U mag niets eten met het bloed er nog in. U mag niet aan wichelarij doen en u mag geen wolken duiden.

27

19:27
Lev. 21:5
U mag de zijkanten van uw hoofd niet afscheren en de randen van uw baard mag u niet weghalen.

28

19:28
Deut. 14:1
U mag vanwege een dode geen inkerving in uw lichaam maken en geen tatoeages bij uzelf aanbrengen. Ik ben de HEERE.

29U mag uw dochter niet schenden door haar hoererij te laten bedrijven, zodat het land geen hoererij bedrijft en het land niet met schandelijk gedrag vervuld wordt.

30U moet Mijn sabbatten in acht nemen en eerbied hebben voor Mijn heiligdom. Ik ben de HEERE.

31

19:31
Lev. 20:6
U mag u niet wenden tot de dodenbezweerders en tot de waarzeggers. U mag hen niet raadplegen, zodat u zich met hen verontreinigt. Ik ben de HEERE, uw God.

32U moet opstaan voor iemand met grijze haren en eer bewijzen aan een oudere. Uw God moet u vrezen. Ik ben de HEERE.

33

19:33
Ex. 22:21
Wanneer een vreemdeling bij u in uw land verblijft, mag u hem niet uitbuiten.

34De vreemdeling die bij u verblijft, moet voor u zijn als een ingezetene onder u. U moet hem liefhebben als uzelf, want u bent zelf vreemdelingen geweest in het land Egypte. Ik ben de HEERE, uw God.

35U mag geen onrecht doen in de rechtspraak, met de lengtemaat, met het gewicht en met de inhoudsmaat.

36

19:36
Spr. 11:1
16:11
20:10
U moet een zuivere weegschaal hebben, zuivere gewichten, een zuivere efa19:36 Een efa is een korenmaat van vermoedelijk tussen de 20 en 45 liter. en een zuivere hin.19:36 Een hin is vermoedelijk ongeveer 6 liter. Ik ben de HEERE, uw God, Die u uit het land Egypte geleid heeft.

37U moet al Mijn verordeningen en al Mijn bepalingen in acht nemen en ze houden. Ik ben de HEERE.

20

Straffen tegen verschillende misdaden

201De HEERE sprak tot Mozes:

2U moet vervolgens tegen de Israëlieten zeggen:

20:2
Lev. 18:21
Iedereen uit de Israëlieten en uit de vreemdelingen die in Israël verblijven, die iemand uit zijn nageslacht aan de Molech overgegeven heeft, moet zeker gedood worden: de bevolking van het land moet hem met stenen stenigen.

3En Ikzelf zal Mijn aangezicht tegen die man keren en hem uit het midden van zijn volk uitroeien. Hij heeft immers iemand uit zijn nageslacht aan de Molech overgegeven, waardoor Mijn heiligdom verontreinigd en Mijn heilige Naam ontheiligd is.

4Maar als de bevolking van het land daadwerkelijk haar ogen sluit ten aanzien van die man, wanneer hij iemand uit zijn nageslacht aan de Molech heeft overgegeven, en hem niet ter dood brengt,

5dan zal Ikzelf Mijn aangezicht tegen die man en tegen zijn familie keren en Ik zal hem en ieder die samen met hem hoererij bedrijft door als in hoererij achter de Molech aan te gaan, uit het midden van hun volk uitroeien.

6En de persoon die zich tot de

20:6
Lev. 19:31
dodenbezweerders of tot de waarzeggers wendt om als in hoererij achter hen aan te gaan – tegen die persoon zal Ik Mijn aangezicht keren en Ik zal hem uit het midden van zijn volk uitroeien.

7

20:7
Lev. 11:44
19:2
1 Petr. 1:16
Heilig uzelf en wees heilig, want Ik ben de HEERE, uw God.

8Houd Mijn verordeningen en doe ze. Ik ben de HEERE, Die u heiligt.

9

20:9
Ex. 21:17
Spr. 20:20
Matt. 15:4
Ja, iedereen die zijn vader of zijn moeder vervloekt, moet zeker gedood worden. Hij heeft zijn vader of zijn moeder vervloekt. Zijn bloed rust op hemzelf.

10

20:10
Lev. 18:20
Deut. 22:22
Joh. 8:5
Een man die met de vrouw van iemand anders overspel pleegt, die met de vrouw van zijn naaste overspel pleegt, moet zeker gedood worden, de overspeler en de overspeelster.

11

20:11
Lev. 18:8
Een man die met de vrouw van zijn vader slaapt, ontbloot de schaamte van zijn vader. Beiden moeten zeker ter dood gebracht worden. Hun bloed rust op henzelf.

12

20:12
Lev. 18:15
Wanneer een man met zijn schoondochter slaapt, moeten beiden zeker ter dood gebracht worden. Zij hebben een afschuwelijke schanddaad begaan. Hun bloed rust op henzelf.

13

20:13
Lev. 18:22
Wanneer een man met een andere man slaapt, zoals men met een vrouw slaapt, dan hebben zij beiden iets gruwelijks gedaan. Zij moeten zeker ter dood gebracht worden. Hun bloed rust op henzelf.

14

20:14
Lev. 18:17
Wanneer een man een vrouw én haar moeder neemt, is dat schandelijk gedrag. Men moet hem en die vrouwen met vuur verbranden, zodat er geen schandelijk gedrag in uw midden meer is.

15

20:15
Lev. 18:23
Een man die met een dier de geslachtsdaad verricht, moet zeker gedood worden. Ook het dier moet u doden.

16Wanneer een vrouw tot welk dier dan ook nadert om ermee te paren, dan moet u de vrouw en het dier doden. Zij moeten zeker ter dood gebracht worden. Hun bloed rust op henzelf.

17

20:17
Lev. 18:9
Wanneer een man zijn zuster neemt, of ze nu de dochter van zijn vader of de dochter van zijn moeder is, en hij haar schaamdelen en zij zijn schaamdelen gezien heeft, dan is dat een schande. Zij moeten daarom voor de ogen van hun volksgenoten uitgeroeid worden. Omdat hij de schaamdelen van zijn zuster ontbloot heeft, moet hij zijn ongerechtigheid dragen.

18

20:18
Lev. 18:19
Wanneer een man met een vrouw slaapt die ongesteld is, en hij haar schaamdelen ontbloot, de bron van haar bloeding, en zijzelf voor hem de bron van haar bloeding ontbloot, dan moeten zij beiden uit het midden van hun volk uitgeroeid worden.

19

20:19
Lev. 18:12,13
Verder mag u de schaamdelen van de zuster van uw moeder en van de zuster van uw vader niet ontbloten. Omdat hij de schaamdelen van zijn bloedverwant heeft ontbloot, moeten zij hun ongerechtigheid dragen.

20

20:20
Lev. 18:14
Een man die met zijn tante slaapt, ontbloot de schaamte van zijn oom. Zij moeten hun zonde dragen. Zij zullen kinderloos sterven.

21

20:21
Lev. 18:16
Wanneer een man de vrouw van zijn broer neemt, is dat onreinheid. Omdat hij de schaamte van zijn broer ontbloot heeft, zullen zij kinderloos zijn.

22

20:22
Lev. 18:26
U moet al Mijn verordeningen en al Mijn bepalingen in acht nemen en ze houden, zodat het land waar Ik u heen breng om er te wonen, u niet zal uitspuwen.

23

20:23
Lev. 18:3,30
U mag niet wandelen overeenkomstig de verordeningen van het volk dat Ik vóór u uit ga verdrijven. Omdat zij al die dingen hebben gedaan, heb Ik een afkeer van hen.

24Tegen u heb Ik gezegd: Ú zult hun land in bezit nemen en Ík zal het u geven om het in bezit te nemen,

20:24
Ex. 3:8
een land dat overvloeit van melk en honing. Ik ben de HEERE, uw God, Die u van de volken afgezonderd heeft.

25

20:25
Lev. 11:2
Deut. 14:4
U moet daarom onderscheid maken tussen de reine en de onreine dieren, en tussen de onreine en de reine vogels, opdat u zich niet tot een afschuw maakt met de dieren en met de vogels en met alles wat op de aardbodem kruipt, alles wat Ik voor u heb afgezonderd door het onrein te verklaren.

26U moet heilig voor Mij zijn, want Ik, de HEERE, ben heilig. Ik heb u van de volken afgezonderd om van Mij te zijn.

27

20:27
Deut. 18:10
1 Sam. 28:7
Wanneer een man of een vrouw in verbinding staat met de geest van een dode, of een waarzegger is, moeten zij zeker ter dood gebracht worden. Men moet hen met stenen stenigen. Hun bloed rust op henzelf.

21

Wetten voor de priesters

211De HEERE zei tegen Mozes: Spreek tot de priesters, de zonen van Aäron, en zeg tegen hen: Een priester mag zichzelf niet verontreinigen met een dode onder zijn volksgenoten,

2behalve met zijn naaste bloedverwant: met zijn moeder, met zijn vader, met zijn zoon, met zijn dochter, met zijn broer.

3En met zijn zuster die maagd is, die nauw aan hem verwant is, die nog niet aan een man toebehoort. Met haar mag hij zich verontreinigen.

4Hij mag zich als echtgenoot niet verontreinigen met zijn volksgenoten. Hij zou zichzelf daardoor ontheiligen.

5Priesters mogen op hun hoofd geen kale plek maken, de rand van hun baard niet afscheren en in hun lichaam geen inkervingen maken.

6Zij moeten heilig zijn voor hun God en de Naam van hun God mogen zij niet ontheiligen, want zij bieden de vuuroffers van de HEERE aan, het voedsel van hun God. Daarom moeten zij heilig zijn.

7Zij mogen geen vrouw nemen die een hoer of ontheiligde is. Zij mogen ook geen vrouw nemen die door haar man verstoten is, want een priester is heilig voor zijn God.

8Daarom moet u hem voor heilig houden, want hij biedt het voedsel van uw God aan. Hij moet heilig voor u zijn, want Ik ben heilig. Ik ben de HEERE, Die u heiligt.

9Als een dochter van een zekere priester zich ontheiligt door hoererij te bedrijven, dan ontheiligt zij haar vader. Zij moet met vuur verbrand worden.

10De priester die de hoogste onder zijn broeders is, over wiens hoofd de zalfolie is uitgegoten en die gewijd is21:10 die gewijd is - Letterlijk: van wie de handen gevuld zijn. om de priesterkleding aan te trekken, mag zijn hoofdhaar niet los laten hangen en zijn kleding niet scheuren.

11Hij mag bij geen enkel lichaam van een dode komen. Zelfs met zijn vader en met zijn moeder mag hij zich niet verontreinigen.

12Hij mag niet uit het heiligdom weggaan, zodat hij het heiligdom van zijn God niet ontheiligt, want de wijding van de zalfolie van zijn God is op hem. Ik ben de HEERE.

13Hij moet een vrouw nemen die nog maagd is.

14Een weduwe, een verstoten vrouw of een door hoererij ontheiligde vrouw, deze mag hij niet nemen, maar hij moet een maagd tot vrouw nemen uit zijn volksgenoten,

15zodat hij zijn nageslacht onder zijn volksgenoten niet ontheiligt. Voorzeker, Ik ben de HEERE, Die hem heiligt.

16De HEERE sprak tot Mozes:

17Spreek tot Aäron en zeg: Niemand van je nageslacht, al hun generaties door, die een gebrek heeft, mag naar voren komen om het voedsel van zijn God aan te bieden.

18Voorzeker, geen enkele man die een gebrek heeft, mag naar voren komen: een blinde man, of een verlamde, of iemand met een misvormd gezicht of te lange ledematen,

19of iemand die een vergroeide breuk in zijn voet, of een vergroeide breuk in zijn hand heeft,

20of iemand met een bochel, of een dwerg, of iemand met een vlek op zijn oog, of met uitslag, of een huidziekte of met verminkte testikels.

21Geen enkele man uit het nageslacht van de priester Aäron met een gebrek mag naderbij komen om de vuuroffers van de HEERE aan te bieden. Hij heeft een gebrek, daarom mag hij niet naderbij komen om het voedsel van zijn God aan te bieden.

22Hij mag wel het voedsel van zijn God eten, zowel van de allerheiligste als van de heilige offergaven,

23maar omdat hij een gebrek heeft, mag hij niet bij het voorhangsel komen en niet tot het altaar naderen, opdat hij Mijn heiligdommen niet ontheiligt, want Ik ben de HEERE, Die hen heiligt.

24Mozes sprak deze woorden tot Aäron en tot zijn zonen, en tot al de Israëlieten.