Herziene Statenvertaling (HSV)
4

Klaaglied over het lot van het Joodse volk

41Hoe is het goud donker geworden, aleph

het goede, fijne goud veranderd!

De stenen van het heiligdom liggen in het rond

op de hoeken van alle straten!

2De kostbare kinderen van Sion, beth

eens gewaardeerd als zuiver goud,

hoe worden zij nu beschouwd als aarden kruiken,

het werk van pottenbakkershanden!

3Zelfs jakhalzen reiken hun jongen de borst, gimel

om ze te laten zuigen;

maar de dochter van mijn volk is zo wreed geworden

als struisvogels in de woestijn.

4De tong van de zuigeling kleeftdaleth

aan zijn gehemelte van dorst.

Kleine kinderen vragen om brood,

niemand verstrekt het hun.

5Zij die eens lekkernijen aten, he

kwijnen nu weg op de straten;

zij die eens met karmozijnrode stof vertrouwd waren,

omarmen nu het vuil.

6Groter is de ongerechtigheid van de dochter van mijn volkwaw

dan de zonde van Sodom,

dat als in een ogenblik ondersteboven werd gekeerd,

zonder toedoen van mensenhanden.

7Haar aanzienlijksten waren reiner dan sneeuw, zain

blanker dan melk,

roder van lichaam dan robijnen;

hun gestalte was gladder dan een saffier.

8Maar zwarter dan roet is nu hun gestalte, cheth

onherkenbaar zijn zij op de straten.

Hun huid is ineengeschrompeld op hun beenderen,

ze is verdord, ze is geworden als hout.

9Zij die vielen door het zwaard zijn beter afteth

dan zij die vielen door de honger,

want als doorstoken kwijnen die weg

omdat de velden niets opbrengen.4:9 omdat … opbrengen - Letterlijk: zonder opbrengsten van de velden.

10De handen van barmhartige vrouwenjod

hebben hun eigen kinderen gekookt.

Zij zijn hun tot voedsel geworden

bij de ondergang4:10 ondergang - Letterlijk: breuk. van de dochter van mijn volk.

11De HEERE heeft Zijn grimmigheid ten uitvoer gebracht, kaph

Hij heeft Zijn brandende toorn uitgestort.

Hij stak in Sion een vuur aan,

dat haar fundamenten verteerde.

12De koningen van de aarde zouden het niet geloofd hebben, lamed

al de wereldbewoners evenmin,

dat tegenstander of vijand zou komen

binnen de poorten van Jeruzalem.

13Het is vanwege de zonden van haar profeten, mem

vanwege de ongerechtigheden van haar priesters,

die in haar midden vergoten hebben

het bloed van de rechtvaardigen.

14Blind wankelden zij op de straten, nun

met bloed besmet,

zodat men hun kleren

niet kon aanraken.

15Ga opzij, onrein! riepen zij tot hen.samech

Ga opzij! Ga opzij! Raak ons niet aan!

Voorzeker, zij zijn weggevlogen, ja, weggezworven; men zei onder de heidenvolken:

Zij mogen hier niet langer verblijven.

16Het aangezicht van de HEERE heeft hen verstrooid.pe

Hij zal hen voortaan niet meer aanzien.

Zij hebben geen ontzag gehad voor de priesters,4:16 geen ontzag … priesters - Letterlijk: Zij hebben het aangezicht van de priesters niet verheven.

de oudsten hebben zij geen genade bewezen.

17Voortdurend bezweken onze ogen, ain

uitziend naar hulp voor ons. Tevergeefs.

4:17
Ezech. 29:16
Op onze uitkijkposten keken wij uit

naar een volk dat niet verlossen kon.

18Zij jaagden onze voetstappen na; tsade

wij konden op onze pleinen niet gaan.

Nabij is ons einde, onze dagen zijn voorbij,

voorzeker, ons einde is gekomen.

19Onze vervolgers waren sneller koph

dan arenden in de lucht!

Op de bergen achtervolgden zij ons fel,

in de woestijn legden zij een hinderlaag voor ons.

20Onze levensadem,4:20 Onze levensadem - Letterlijk: De adem van onze neuzen. de gezalfde van de HEERE, resj

is in hun kuilen gevangen,

hij van wie wij gezegd hadden:

in zijn schaduw zullen wij leven onder de heidenvolken!

21Wees vrolijk en blij, dochter van Edom, sin

die in het land Uz woont!

De beker zal ook bij u langskomen:

u zult dronken worden en ontbloot worden.

22Uw ongerechtigheid zal voorbij zijn, dochter van Sion! taw

Hij zal u niet meer in ballingschap voeren!

Uw ongerechtigheid, dochter van Edom, zal Hij straffen!

Hij zal uw zonden openbaren!

5

Gebed van het onderdrukte volk om genade en hulp

51Denk, HEERE, aan wat er met ons gebeurd is,

aanschouw en zie onze smaad!

2Ons erfelijk bezit is vervallen aan vreemden,

onze huizen aan buitenlanders.

3Wij zijn wezen zonder vader,

onze moeders zijn als weduwen.

4Ons water drinken wij voor geld;

ons hout komt tot ons voor een prijs.

5Wij worden op onze nek gezeten;5:5 Wij worden op onze nek gezeten - Letterlijk: Wij worden op onze nekken vervolgd.

wij zijn doodmoe, maar rust gunt men ons niet!

6Egypte hebben wij de hand gegeven,

en Assyrië, om met brood verzadigd te worden.

7Onze vaderen hebben gezondigd; zij zijn er niet meer,

en wíj dragen hun ongerechtigheden.

8Knechten heersen over ons;

er is niemand die ons aan hun hand ontrukt!

9Met levensgevaar moeten wij ons brood halen

vanwege het zwaard van de woestijn.

10Onze huid gloeit als een oven

vanwege het woeden van de honger!

11In Sion hebben zij vrouwen verkracht,

in de steden van Juda jonge vrouwen.

12Vorsten zijn door hun hand opgehangen,

de oudsten5:12 de oudsten - Letterlijk: het gezicht van oudsten. werd geen eer bewezen.

13Jongemannen torsen de molensteen,

jongens struikelen onder de houtlast.

14De oudsten ontbreken bij de poort,

jongemannen staken hun snarenspel.

15De vreugde van ons hart is opgehouden,

onze reidans is in rouw veranderd.

16Gevallen is de kroon van ons hoofd!

Wee toch ons, dat wij zo gezondigd hebben!

17Hierom is ons hart ziek,

om deze dingen zijn onze ogen verduisterd:

18vanwege de berg Sion, die een woestenij is,

waar vossen op lopen.

19U, HEERE, zetelt voor eeuwig!

Uw troon is van generatie op generatie!

20Waarom zou U ons voor altijd vergeten,

zou U ons zo lange tijd verlaten?

21HEERE, bekeer ons tot U, dan zullen wij bekeerd zijn!

Vernieuw onze dagen als vanouds.

22Want zou U ons geheel en al verwerpen?

Zou U zozeer op ons vertoornd zijn?