Herziene Statenvertaling (HSV)
1

Jeruzalem klaagt en smeekt om hulp

11Hoe eenzaam zit zij neer, aleph

die stad, eens zo dichtbevolkt!

Als een weduwe is zij geworden,

zij die groot was onder de heidenvolken.

Een vorstin onder de gewesten

is verplicht tot herendienst.

2

1:2
Ps. 6:7
Zij weent onophoudelijk in de nacht, beth

en haar tranen stromen over haar wangen.

Zij heeft geen trooster

onder al haar minnaars.

Al haar vrienden hebben trouweloos met haar gehandeld;

ze zijn haar tot vijanden geworden.

3Juda is in ballingschap gegaan vanwege de ellendegimel

en vanwege de vele slavenarbeid.

Zíj woont onder de heidenvolken,

zij vindt geen rust;

al haar vervolgers halen haar in

tussen de nauwe doorgangen.

4De wegen van Sion treuren, daleth

ze zijn zonder feestgangers.

Al haar poorten zijn verwoest;

haar priesters zuchten.

Haar jonge vrouwen zijn bedroefd,

en zijzelf – bitter is het haar.

5Haar tegenstanders zijn aan het hoofd komen te staan, he

haar vijanden zijn gerust.

Want de HEERE heeft haar bedroefd

om haar talrijke overtredingen.

Haar kleine kinderen zijn in gevangenschap

gegaan, vóór de tegenstander uit.

6Uit de dochter van Sion trokwaw

al haar pracht weg.

Haar vorsten zijn als herten geworden

die geen weide vinden:

krachteloos gingen zij

vóór de vervolger uit.

7Jeruzalem denktzain

in de dagen van haar ellende en haar ontheemding,

aan al haar kostbaarheden

die zij in de dagen van weleer bezat,

toen haar volk in de hand van de tegenstander viel,

en zij geen helper had,

de tegenstanders haar zagen en lachten

om haar ondergang.

8Zwaar heeft Jeruzalem gezondigd; cheth

daarom is zij tot een afgezonderde vrouw geworden.

Allen die haar eerden, verachten haar,

want zij hebben

1:8
Jes. 47:3
haar naaktheid gezien.

Ja, zij, zij zucht

en zij heeft zich naar achteren toe omgekeerd.

9Haar onreinheid kleeft aan haar zomen; teth

zij heeft niet gedacht aan haar

1:9
Deut. 32:29
einde.

Wonderbaarlijk diep is zij gezonken,

zij heeft geen trooster.

Zie, HEERE, mijn ellende,

want de vijand maakt zich groot.

10De tegenstander heeft zijn hand uitgespreidjod

over al haar kostbaarheden;

immers, zij heeft heidenvolken zien

binnengaan in haar heiligdom,

van wie U geboden had dat zij niet mogen komen

in Uw gemeente.

11Heel haar bevolking zuchtkaph

op zoek naar

1:11
Jer. 52:6
brood.

Zij hebben hun kostbaarheden gegeven voor voedsel,

om hun ziel te verkwikken.

Zie, HEERE, en aanschouw,

hoe veracht ik geworden ben!

12Raakt het u allen niet, voorbijgangers? lamed

Aanschouw en zie

of er leed is als mijn leed,

dat mij is aangedaan,

waarmee de HEERE mij bedroefd heeft

op de dag van Zijn brandende toorn.

13Vanuit de hoogte heeft Hij vuur gezondenmem

in mijn beenderen, en Hij heerst daarover.

Hij heeft voor mijn voeten een net uitgespreid,

Hij heeft mij naar achteren toe doen omkeren,

Hij heeft mij tot verwoesting overgegeven,

de hele dag ziek gemaakt.

14Het juk van mijn overtredingen is aangebonden, nun

door Zijn hand zijn zij samengevlochten;

zij zijn op mijn nek geklommen.

Hij heeft mijn kracht doen struikelen.

De Heere heeft mij in hun handen gegeven;

ik kan niet opstaan.

15De Heere heeft al mijn machtigensamech

in mijn midden verworpen.

Hij heeft een samenkomst over mij uitgeroepen

om mijn jongemannen te breken.

Als in een wijnpers heeft de Heere

de maagd, de dochter van Juda, getreden.

16Vanwege deze dingen ween ik, ain

1:16
Jer. 13:17
mijn oog, mijn oog laat water neerstromen,

omdat de Trooster Die mijn ziel verkwikt

ver van mij is.

Mijn zonen zijn ontzet,

want de vijand had de overhand.

17Sion spreidt haar handen uit, pe

maar zij heeft geen trooster.

Wat Jakob betreft heeft de HEERE geboden:

Zijn omstanders zullen zijn tegenstanders zijn.

Jeruzalem is geworden

als een afgezonderde vrouw onder hen.

18Rechtvaardig is Hij, de HEERE, tsade

want ik ben Zijn bevel ongehoorzaam geweest.

Luister toch, alle volken,

en zie mijn leed:

mijn jonge vrouwen en mijn jongemannen

zijn in gevangenschap gegaan.

19Ik riep tot mijn minnaars, koph

maar

1:19
Jer. 30:14
zíj hebben mij bedrogen.

Mijn priesters en mijn oudsten

hebben de geest gegeven in de stad,

toen zij voedsel zochten voor zichzelf

om hun ziel te verkwikken.

20Zie, HEERE, hoe het mij bang te moede is; resj

1:20
Jes. 16:11
Jer. 48:36
mijn ingewanden zijn vol onrust,

mijn hart keert zich om in mijn binnenste,

want ik ben zeer ongehoorzaam geweest;

buiten heeft het zwaard mij van kinderen beroofd,

binnenshuis is het als de dood.

21Zij horen hoe ik zucht, sjin

maar ik heb geen trooster.

Al mijn vijanden horen mijn onheil, zij zijn vrolijk,

omdat U dat hebt gedaan.

U hebt de dag gebracht die U aangekondigd hebt,

maar zij zullen zijn net als ik.

22Laat al hun kwaad voor Uw aangezicht komen, taw

en doe met hen

zoals U met mij gedaan hebt

vanwege al mijn overtredingen.

Want talrijk zijn mijn zuchten,

en mijn hart is afgemat.

2

Klaaglied over de verwoesting van Juda en Jeruzalem

21Hoe heeft de Heere in Zijn toornaleph

de dochter van Sion in wolken gehuld.

Hij heeft vanuit de hemel ter aarde geworpen

de luister van Israël;

en Hij heeft aan de voetbank van Zijn voeten niet gedacht

op de dag van Zijn toorn.

2De Heere heeft verslonden, Hij heeft niet gespaard, beth

alle woningen van Jakob;

Hij heeft in Zijn verbolgenheid

de vestingen van de dochter van Juda met de grond gelijkgemaakt.

Hij heeft ze met de grond in aanraking doen komen,

Hij heeft het koninkrijk en zijn vorsten ontheiligd.

3In brandende toorn heeft Hij gimel

heel de hoorn van Israël stukgebroken.

Hij heeft Zijn rechterhand naar achteren toe getrokken

in het zicht van de vijand.

Hij is tegen Jakob ontbrand als een vlammend vuur,

dat naar alle kanten verteert.

4Hij heeft Zijn boog gespannen als een vijand, daleth

Zijn rechterhand in de aanslag

als een tegenstander; Hij doodde

alle voor het oog begerenswaardige dingen.

In de tent van de dochter van Sion

heeft Hij Zijn grimmigheid als een vuur uitgestort.

5De Heere is als een vijand geworden.he

Hij heeft Israël verslonden,

al haar paleizen heeft Hij verslonden,

haar vestingen te gronde gericht:

Hij vermeerderde bij de dochter van Juda

geklag en geklaag.

6Hij heeft als in een tuin Zijn hut met geweld omvergehaald, waw

Hij heeft Zijn plaats van samenkomst te gronde gericht;

De HEERE heeft in Sion laten vergeten

feestdag en sabbat.

Hij heeft in Zijn grimmige toorn verworpen

koning en priester.

7De Heere heeft Zijn altaar verstoten, zain

tenietgedaan Zijn heiligdom.

Hij heeft in de hand van de vijand uitgeleverd

de muren van haar paleizen.

Zij hebben in het huis van de HEERE hun stem laten klinken

als op een feestdag.

8De HEERE heeft besloten2:8 besloten - Letterlijk: bedacht. omcheth

de muur van de dochter van Sion te gronde te richten;

Hij heeft het meetlint uitgespannen,

Hij heeft Zijn hand niet teruggetrokken van de verslinding.

Hij heeft de vestingwal en de muur rouw doen bedrijven,

samen zijn zij ingestort.

9Haar poorten zijn ter aarde gezonken, teth

haar grendels heeft Hij vernield en gebroken.

haar koning en haar vorsten bevinden zich onder de heidenvolken.

Het onderwijs in de wet ontbreekt.

Ook hebben haar profeten geen

visioen van de HEERE ontvangen.

10Zij zitten zwijgend op de grond, jod

de oudsten van de dochter van Sion.

Zij hebben stof op hun hoofd geworpen,

zich met rouwgewaden omgord.

Zij laten hun hoofd ter aarde hangen,

de jonge vrouwen van Jeruzalem.

11Mijn ogen zijn verteerd door tranen, kaph

mijn binnenste is vol onrust.

Mijn ingewanden zijn ter aarde uitgestort,

vanwege de breuk van de dochter van mijn volk,

om het bezwijken van kind en zuigeling

op de pleinen van de stad.

12Tegen hun moeders zeggen zij: lamed

Waar is er koren en wijn?

terwijl zij bezwijken als dodelijk gewonden

op de pleinen van de stad,

terwijl hun leven wegvloeit

op de schoot van hun moeders.

13Wat zal ik u voorhouden, mem

waarmee u vergelijken, dochter van Jeruzalem?

Waaraan zal ik u gelijkstellen,

zodat ik u zal troosten, maagd, dochter van Sion?

Want groot als de zee is uw breuk!

Wie kan u genezen?

14Uw profeten hebben voor u geziennun

valse visioenen en dwaasheid;

uw ongerechtigheid hebben zij niet bekendgemaakt

om uw gevangenschap om te keren,

maar zij hebben lasten voor u gezien

van valsheid en misleidingen.

15Alle voorbijgangers hebben over usamech

de handen ineengeslagen.

Zij sisten van afschuw en schudden hun hoofd

over de dochter van Jeruzalem:

Is dit de stad waarvan men zei:

Volmaakt van schoonheid,

een vreugde voor heel de aarde?

16Zij hebben over u hun mond opengesperd, pe

al uw vijanden.

Zij sisten van afschuw en knarsetandden,

zij zeiden: Wij hebben haar verslonden!

Ja, dit is de dag die wij verwacht hebben,

wij hebben hem gevonden en hebben hem gezien!

17De HEERE heeft gedaan wat Hij Zich had voorgenomen, ain

Hij heeft Zijn woord vervuld,

dat Hij in de dagen van weleer geboden had.

Hij heeft afgebroken, en niet gespaard,

en Hij heeft de vijand over u verblijd;

Hij heeft de hoorn van uw tegenstanders opgeheven.

18Hun hart schreeuwde het uit tot de Heere: tsade

2:18
Jer. 14:17
Klaagl. 1:16
Muur van de dochter van Sion,

laat tranen als een beek naar beneden stromen,

dag en nacht!

Gun uzelf geen rust,

laat uw oogappel niet stilstaan!

19Sta op, weeklaag in de nacht, koph

vanaf de eerste nachtwake!

Stort uw hart uit als water

voor het aangezicht van de Heere!

Hef tot Hem uw handen op,

vanwege het leven van uw kleine kinderen,

die van honger versmachten

op de hoeken van alle straten.

20Zie, HEERE, en aanschouwresj

aan wie U zo gedaan hebt!

2:20
Klaagl. 4:10
Moeten vrouwen hun eigen vrucht eten,

kleine kinderen die zij op handen droegen?

Moeten dan in het heiligdom van de Heere gedood worden

priester en profeet?

21Zij liggen ter aarde op de straten, sjin

jong en oud.

Mijn jonge vrouwen en mijn jongemannen

zijn door het zwaard gevallen.

U hebt hen gedood op de dag van Uw toorn,

U hebt hen afgeslacht, en niet gespaard.

22U hebt bijeengeroepen, als op een feestdag, taw

verschrikkingen voor mij van rondom!

En niemand is op de dag van de toorn van de HEERE

ontkomen of ontvlucht!

Wie ik op handen heb gedragen en heb grootgebracht,

heeft mijn vijand omgebracht!

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]