Herziene Statenvertaling (HSV)
18

Verdere verdeling van het land

181Vervolgens verzamelde zich heel de gemeenschap van de Israëlieten in Silo, en zij zetten daar de tent van ontmoeting op, nadat het land aan hen onderworpen was.

2Er bleven onder de Israëlieten zeven stammen over die nog geen erfelijk bezit als hun deel ontvangen hadden.

3Toen zei Jozua tegen de Israëlieten: Hoelang bent u nog te traag om verder te trekken en het land in bezit te nemen dat de HEERE, de God van uw vaderen, u gegeven heeft?

4Geef voor uzelf drie mannen per stam, zodat ik hen uitstuur, en zij zich gereedmaken, het land doortrekken en het beschrijven met het oog op18:4 met het oog op - Letterlijk: naar de mond van. ieders erfelijk bezit, en daarna weer bij mij terugkomen.

5Zij moeten het land verdelen in zeven delen. Juda zal in zijn gebied in het zuiden blijven en het huis van Jozef zal in zijn gebied in het noorden blijven.

6Ú moet het land beschrijven in zeven delen, en die beschrijving naar mij toe brengen, zodat ik voor u hier het lot werp voor het aangezicht van de HEERE, onze God.

7Want de Levieten hebben geen deel in uw midden, maar het priesterschap van de HEERE is hun erfelijk bezit. Gad, Ruben en de halve stam Manasse hebben hun erfelijk bezit ontvangen aan de andere zijde van de Jordaan, in oostelijke richting, dat Mozes, de dienaar van de HEERE, hun gegeven heeft.

8Toen maakten die mannen zich gereed en gingen op weg. En Jozua gebood hun die op weg gingen om het land te beschrijven: Ga, trek door het land en beschrijf het. Kom dan weer bij mij terug, dan zal ik voor u hier in Silo het lot werpen voor het aangezicht van de HEERE.

9De mannen gingen op weg. Zij gingen het land door en beschreven het per stad in zeven delen in een boekrol. Daarna kwamen zij weer terug bij Jozua in het kamp in Silo.

10Toen wierp Jozua het lot voor hen in Silo, voor het aangezicht van de HEERE. En Jozua verdeelde daar voor de Israëlieten het land, volgens hun afdelingen.

Het erfbezit van Benjamin

11Het lot van de stam van de nakomelingen van Benjamin kwam tevoorschijn, naar hun geslachten, en het kwam zo uit dat het gebied van hun lot tussen dat van de nakomelingen van Juda en de nakomelingen van Jozef in lag.

12Aan de noordzijde loopt hun grens vanaf de Jordaan. Deze grens loopt omhoog in de richting van de bergrug ten noorden van Jericho, en loopt verder omhoog door het bergland in westelijke richting.

18:12
Joz. 7:2
Zijn eindpunt ligt bij de woestijn van Beth-Aven.

13Vandaar gaat de grens in zuidelijke richting langs Luz, in de richting van de bergrug van Luz (dat is Bethel). De grens loopt vervolgens naar beneden naar Atroth-Addar, over de berg die aan de zuidzijde van Laag-Beth-Horon ligt.

14Daarna loopt de grens met een boog en buigt hij langs de westzijde af in zuidelijke richting, vanaf de berg die in het zuiden tegenover Beth-Horon ligt. Zijn eindpunt ligt bij Kirjath-Baäl (dat is Kirjath-Jearim), een stad van de nakomelingen van Juda. Dit is de westkant.

15De zuidzijde begint aan de rand van Kirjath-Jearim. De grens loopt vervolgens in westelijke richting en komt uit bij de bron van de wateren van Neftoah.

16Dan loopt de grens naar beneden tot aan de rand van de berg die tegenover het dal Ben-Hinnom ligt, dat zich ten noorden van het dal van de Refaïeten bevindt. Vervolgens

18:16
Joz. 15:8
loopt hij naar beneden door het Dal van Hinnom, in de richting van de zuidzijde van de bergrug van de Jebusiet, en
18:16
Joz. 15:7
loopt hij verder naar beneden naar de bron Rogel.

17Daarna loopt hij met een boog van het noorden weg en komt hij uit bij En-Semes. Vandaar komt hij uit bij Geliloth, dat tegenover de Adummimpas ligt. Vervolgens

18:17
Joz. 15:6
loopt hij naar beneden naar de steen van Bohan, de zoon van Ruben.

18Dan gaat hij langs de bergrug tegenover de Vlakte naar het noorden en loopt vervolgens naar beneden naar de Vlakte.

19Verder gaat de grens langs de noordzijde van de bergrug bij Beth-Hogla, en het eindpunt van de grens ligt bij de noordelijke uitloper van de Zoutzee, aan de monding van de Jordaan in het zuiden. Dit is de zuidgrens.

20En de Jordaan vormt de grens van zijn gebied aan de oostzijde. Dit is het erfelijk bezit van de nakomelingen van Benjamin, wat zijn grenzen rondom betreft, naar hun geslachten.

21De steden van de stam van de nakomelingen van Benjamin, naar hun geslachten, zijn: Jericho, Beth-Hogla en Emek-Keziz;

22Beth-Araba, Zemaraïm en Bethel;

23Havvim, Para en Ofra;

24Kefar-Haämmonai, Ofni en Gaba: twaalf steden met hun dorpen.

25Gibeon, Rama en Beëroth;

26Mizpe, Kefira en Moza;

27Rekem, Jirpeël en Tarala;

28Zela, Elef en Jebusi (dat is Jeruzalem), Gibath en Kirjath: veertien steden met hun dorpen. Dit is het erfelijk bezit van de nakomelingen van Benjamin, naar hun geslachten.

19

Het erfbezit van Simeon

191Het tweede lot kwam uit op Simeon, op de stam van de nakomelingen van Simeon, naar hun geslachten. En hun erfelijk bezit lag te midden van het erfelijk bezit van de nakomelingen van Juda.

2En zij hadden in hun erfelijk bezit: Berseba, Seba en Molada;

3Hazar-Sual, Bala en Azem;

4Eltholad, Bethul en Horma;

5Ziklag, Beth-Hammerchaboth en Hazar-Suza;

6Beth-Lebaoth en Saruhen: dertien steden met hun dorpen;

7Aïn, Rimmon, Ether en Asan: vier steden met hun dorpen;

8en alle dorpen die rondom deze steden lagen, tot Baälath-Beër, dat is Ramath van het zuiden. Dit is het erfelijk bezit van de stam van de nakomelingen van Simeon, naar hun geslachten.

9Het erfelijk bezit van de nakomelingen van Simeon lag binnen het gebied19:9 gebied - Letterlijk: snoer; zie noot bij 17:5. van de nakomelingen van Juda, want het erfelijk bezit van de nakomelingen van Juda was te groot voor hen. Te midden van hun erfelijk bezit ontvingen de nakomelingen van Simeon daarom erfelijk bezit.

Het erfbezit van Zebulon

10Het derde lot kwam tevoorschijn voor de nakomelingen van Zebulon, naar hun geslachten. Het gebied dat hun erfelijk bezit was, strekte zich uit tot aan Sarid.

11Hun grens loopt omhoog naar het westen en Marala, reikt tot Dabbaseth en reikt tot de beek die voor aan Jokneam loopt.

12Van Sarid draait hij naar het oosten, waar de zon opgaat, naar het gebied rond Kisloth-Tabor, komt uit in Dobrath en loopt vervolgens omhoog naar Jafia.

13Vandaar gaat hij naar het oosten, waar de zon opgaat, langs Gath-Hefer, in Eth-Kazin, en hij komt uit in Rimmon-Methoar (dat is Nea).

14En deze grens buigt in noordelijke richting naar Hannathon, en zijn eindpunt is het dal van Jiftah-El.

15En Kattath, Nahalal, Simron, Jidala en Bethlehem: twaalf steden met hun dorpen.

16Dit is het erfelijk bezit van de nakomelingen van Zebulon, naar hun geslachten: deze steden met hun dorpen.

Het erfbezit van Issaschar

17Het vierde lot kwam uit op Issaschar, op de nakomelingen van Issaschar, naar hun geslachten.

18Hun gebied was Jizreëla, Kesulloth en Sunem;

19Hafaraïm, Sion en Anacharath;

20Rabbith, Kisjon en Ebez;

21Remeth, En-Gannim, En-Hadda en Beth-Pazez.

22De grens reikt tot Tabor, Sahazima en Beth-Semes; en het eindpunt van hun grens is de Jordaan: zestien steden met hun dorpen.

23Dit is het erfelijk bezit van de stam van de nakomelingen van Issaschar, naar hun geslachten: de steden met hun dorpen.

Het erfbezit van Aser

24Het vijfde lot kwam uit op de stam van de nakomelingen van Aser, naar hun geslachten.

25Hun gebied was Helkath, Hali, Beten en Achsaf,

26Allammelech, Amad en Misal; en het reikt westwaarts tot de Karmel en tot Sichor-Libnath.

27De grens draait naar de plaats waar de zon opgaat, naar Beth-Dagon, reikt tot aan Zebulon en tot aan het dal Jiftah-El in het noorden, Beth-Emek en Nehiël, en komt uit ten noorden19:27 ten noorden - Letterlijk: links. van Kabul,

28en Ebron, Rehob, Hammon, en Kana, tot aan Groot-Sidon.

29En de grens draait naar Rama en loopt tot aan de versterkte stad Tyrus. Dan draait de grens naar Hosa, en zijn eindpunt is de zee, van Hebel naar Achzib,

30Umma, Afek en Rehob: tweeëntwintig steden met hun dorpen.

31Dit is het erfelijk bezit van de stam van de nakomelingen van Aser, naar hun geslachten: deze steden met hun dorpen.

Het erfbezit van Naftali

32Het zesde lot kwam uit op de nakomelingen van Naftali, op de nakomelingen van Naftali naar hun geslachten.

33Hun grens loopt van Helef, van de eik in Zaänannim, Adami-Nekeb en Jabneël af tot aan Lakkum, en zijn eindpunt is de Jordaan.

34De grens draait in westelijke richting naar Aznoth-Tabor, en komt vandaar uit bij Hukok. Verder reikt hij in het zuiden tot aan Zebulon, in het westen reikt hij tot aan Aser, en waar de zon opgaat tot aan Juda aan de Jordaan.

35De versterkte steden zijn: Ziddim, Zer, Hammath, Rakkath en Kinnereth,

36Adama, Rama en Hazor;

37Kedes, Edreï en En-Hazor;

38Jiron, Migdal-El, Horem, Beth-Anath en Beth-Semes: negentien steden met hun dorpen.

39Dit is het erfelijk bezit van de stam van de nakomelingen van Naftali, naar hun geslachten: de steden met hun dorpen.

Het erfbezit van Dan

40Het zevende lot kwam uit op de stam van de nakomelingen van Dan, naar hun geslachten.

41Het gebied dat hun erfelijk bezit was, omvatte: Zora, Esthaol en Ir-Semes;

42Saälabbin, Ajalon en Jithla;

43Elon, Timnata en Ekron;

44Elteke, Gibbethon en Baälath;

45Jehud, Bene-Berak en Gath-Rimmon;

46Mejarkon en Rakkon, met het gebied tegenover Jafo.

47Maar het gebied van de nakomelingen van Dan was voor hen te klein uitgevallen. Daarom trokken de nakomelingen van Dan op en streden tegen Lesem, namen het in, sloegen het met de scherpte van het zwaard, namen het in bezit en gingen er wonen. En ze noemden Lesem Dan, naar de naam van hun vader Dan.

48Dit is het erfelijk bezit van de stam van de nakomelingen van Dan, naar hun geslachten: deze steden met hun dorpen.

Jozua ontvangt Timnath-Serah

49Toen zij gereed waren met het in erfelijk bezit verdelen van het land, wat zijn grenzen betreft, gaven de Israëlieten aan Jozua, de zoon van Nun, een erfelijk bezit in hun midden.

50Op bevel van de HEERE gaven zij hem de stad waar hij om vroeg, Timnath-Serah, in het bergland van Efraïm. Vervolgens herbouwde hij die stad en ging er wonen.

51Dit is het erfelijk bezit dat Eleazar, de priester, en Jozua, de zoon van Nun, en de familiehoofden van de stammen, door het lot aan de Israëlieten als erfelijk bezit toewezen, in Silo, voor het aangezicht van de HEERE, bij de ingang van de tent van ontmoeting. Zo voltooiden zij de verdeling van het land.

20

De zes vrijsteden

201Verder sprak de HEERE tot Jozua:

2Spreek tot de Israëlieten en zeg: Wijs voor uzelf de vrijsteden aan

20:2
Ex. 21:13
Num. 35:6
Deut. 19:1,2
waarover Ik door de dienst van Mozes20:2 de dienst van Mozes - Letterlijk: de hand van Mozes. met u gesproken heb,

3zodat iemand die een doodslag heeft begaan, die iemand zonder opzet, niet met voorbedachten rade, om het leven heeft gebracht, daarheen kan vluchten, opdat ze voor u tot een toevlucht zijn tegen de bloedwreker.

4

20:4
Num. 35:22,23
Deut. 19:4,5
Als hij naar een van die steden vlucht, moet hij bij de ingang van de stadspoort gaan staan en zijn woorden spreken ten aanhoren van de oudsten van die stad. Vervolgens moeten zij hem bij zich in de stad opnemen en hem een plaats geven, zodat hij bij hen kan wonen.

5En als de bloedwreker hem achtervolgt, mogen zij hem die de doodslag begaan heeft, niet in zijn hand overleveren, omdat hij zijn naaste niet met voorbedachten rade doodgeslagen heeft, en hem tevoren20:5 tevoren - Letterlijk: van gisteren en eergisteren. niet haatte.

6Dan moet hij in die stad blijven wonen, totdat hij terecht zal staan voor de gemeenschap, totdat de hogepriester die er in die dagen zijn zal, sterft. Daarna mag hij die de doodslag begaan heeft, terugkeren en weer naar zijn stad gaan, en naar zijn huis, naar de stad waaruit hij gevlucht was.

7Toen zonderden zij af: Kedes in Galilea, in het bergland van Naftali; Sichem, in het bergland van Efraïm; en Kirjath-Arba, dat is Hebron, in het bergland van Juda.

8En aan de overzijde van de Jordaan, ten oosten van Jericho, bestemden zij tot vrijsteden:

20:8
Deut. 4:43
Bezer, in de woestijn, op de hoogvlakte, van de stam Ruben; Ramoth in Gilead, van de stam Gad; en Golan in Basan, van de stam Manasse.

9Dit zijn de steden die aangewezen zijn voor al de Israëlieten en voor de vreemdeling die te midden van hen verblijft, zodat iedereen die zonder opzet iemand om het leven brengt, daarheen kan vluchten, zodat hij niet door de hand van de bloedwreker hoeft te sterven, totdat hij voor de gemeenschap terechtgestaan heeft.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]