Herziene Statenvertaling (HSV)
1

Jona's roeping en vlucht

11Het woord van de HEERE kwam tot Jona, de zoon van Amitthai:

2Sta op, ga naar de

1:2
Gen. 10:11,12
Jona 3:3
grote stad Ninevé en predik tegen haar, want hun kwaad is opgestegen voor Mijn aangezicht.

3Maar Jona stond op om naar Tarsis te vluchten, weg van het aangezicht van de HEERE. Hij daalde af naar Jafo en vond een schip dat naar Tarsis ging. Hij betaalde de prijs voor de overtocht en daalde af in het schip om met hen mee te gaan naar Tarsis, weg van het aangezicht van de HEERE.

4Maar de HEERE wierp een hevige wind op de zee; er ontstond een zware storm op de zee, zodat het schip dreigde te breken.

5Toen werden de zeelieden bevreesd en zij riepen, ieder tot zijn god. Zij wierpen de lading die in het schip was, in de zee om het daardoor lichter te maken. Maar Jona was afgedaald in het ruim van het schip, was gaan liggen en was in een diepe slaap gevallen.

6De kapitein kwam bij hem en zei tegen hem: Hoe kunt u zo diep in slaap zijn! Sta op, roep uw God aan! Misschien zal die God aan ons denken, zodat wij niet vergaan!

7Daarop zeiden de mannen tegen elkaar: Kom, laten wij het lot werpen, zodat wij weten door wie dit onheil ons overkomt. Zij wierpen het lot, en het lot viel op Jona.

8Toen zeiden zij tegen hem: Vertel ons toch door wie dit onheil ons overkomt. Wat is uw werk en waar komt u vandaan? Wat is uw land en van welk volk bent u?

9Hij zei tegen hen: Ik ben een Hebreeër en ik vrees de HEERE, de God van de hemel, Die de zee en het droge gemaakt heeft.

10Toen werden de mannen zeer bevreesd,1:10 werden … zeer bevreesd - Letterlijk: waren bevreesd met grote vrees. en ze zeiden tegen hem: Hoe hebt u dit kunnen doen? De mannen wisten namelijk dat hij op de vlucht was, weg van het aangezicht van de HEERE, want hij had het hun verteld.

11Zij zeiden dan tegen hem: Wat moeten wij met u doen, zodat de zee ons met rust laat?1:11 ons met rust laat - Letterlijk: stil wordt van voor ons; zie ook vers 12. Want de zee werd hoe langer hoe onstuimiger.

12Daarop zei hij tegen hen: Pak mij op en werp mij in de zee; dan zal de zee u met rust laten, want ik weet dat deze zware storm u omwille van mij overkomt.

13De mannen roeiden echter om het schip terug te brengen naar het droge. Maar zij konden het niet, want de zee werd hoe langer hoe onstuimiger tegen hen.

14Toen riepen zij de HEERE aan en zeiden: Och HEERE, laat ons toch niet vergaan om het leven van deze man! Leg geen onschuldig bloed op ons! Want U, HEERE, doet zoals het U behaagd heeft.

15Daarop pakten zij Jona op en wierpen hem in de zee. En de woedende zee kwam tot bedaren.

16Toen werden de mannen zeer bevreesd voor de HEERE; zij brachten de HEERE een slachtoffer en legden geloften af.

17En de HEERE beschikte een grote vis om Jona op te slokken. Jona was

1:17
Matt. 12:40
16:4
Luk. 11:30
drie dagen en drie nachten in het binnenste van de vis.

2

Jona's gebed

21Toen bad Jona tot de HEERE, zijn God, vanuit het binnenste van de vis.

2Hij zei:

2:2
Ps. 120:1
Ik riep uit mijn benauwdheid tot de HEERE

en Hij antwoordde mij.

Uit de schoot van het graf riep ik om hulp,

U hoorde mijn stem.

3Want U wierp mij de diepte in, in het hart van de zeeën,

een watervloed omringde mij;

al Uw

2:3
Ps. 42:8
baren en Uw golven

sloegen over mij heen.

4En ík zei:

Verstoten ben ik van voor Uw ogen;

toch zal ik opnieuw aanschouwen

Uw heilige tempel.

5Water omving mij, bedreigde mijn leven,2:5 bedreigde mijn leven - Letterlijk: tot de ziel toe.

de watervloed omving mij.

Zeewier was om mijn hoofd gebonden.

6Naar de diepste gronden van de bergen

daalde ik af in de aarde;

haar grendels sloten zich voor eeuwig achter mij.

Maar uit het verderf trok U mijn leven omhoog,

HEERE, mijn God!

7Toen mijn ziel in mij bezweek,

dacht ik aan de HEERE;

mijn gebed kwam tot U,

in Uw heilige tempel.

8Wie nietige afgoden vereren,

verlaten Hem Die hun goedertieren is.2:8 Hem … is - Letterlijk: hun goedertierenheid.

9Maar ik, met

2:9
Ps. 50:14,23
116:17
Hos. 14:3
Hebr. 13:15
dankzegging zal ik U offers brengen;

wat ik beloofd heb, zal ik nakomen.

2:9
Ps. 3:9
Het heil is van de HEERE!

10Toen sprak de HEERE tot de vis, en hij spuwde Jona uit op het droge.

3

Jona te Ninevé

31Het woord van de HEERE kwam voor de tweede keer tot Jona:

2Sta op, ga naar de grote stad Ninevé en predik tegen haar de prediking die Ik tot u spreek.

3Toen stond Jona op en ging naar Ninevé, overeenkomstig het woord van de HEERE. Ninevé was een geweldig grote stad, van drie dagreizen doorsnee.

4En Jona begon de stad in te gaan, één dagreis. Hij predikte en zei: Nog veertig dagen en Ninevé wordt ondersteboven gekeerd!

5De

3:5
Matt. 12:41
Luk. 11:32
mensen van Ninevé geloofden in God. Zij riepen een vasten uit en trokken rouwgewaden aan, van de grootste tot de kleinste onder hen.

6Toen dat woord de koning van Ninevé bereikte, stond hij op van zijn troon, legde zijn staatsiegewaad af, hulde zich in een rouwgewaad en ging in het stof zitten.

7En in Ninevé werd op bevel van de koning en zijn rijksgroten omgeroepen: Mens en dier, runderen en schapen, mogen niets eten, niet grazen en geen water drinken.

8Mens en dier moeten in rouwgewaden gehuld zijn en met kracht tot God roepen. Zij moeten zich bekeren, ieder van zijn slechte weg en van het geweld dat aan zijn handen kleeft.

9

3:9
Joël 2:14
Wie weet zal God Zich omkeren, berouw hebben en Zijn brandende toorn laten varen, zodat wij niet omkomen!

10Toen zag God wat zij deden, dat zij zich bekeerden van hun slechte weg. En God kreeg berouw over het kwade dat Hij gezegd had hun te zullen aandoen, en Hij deed het niet.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]